woensdag 23 mei 2018

Seksueel misbruik in de sport


Seksuele intimidatie komt overal voor: na de Rooms-Katholieke kerk en de jeugdzorg is er sinds kort ook aandacht voor seksueel misbruik in de sport. Dat is niet voor niks. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 1 op de 8 sporters aangeeft slachtoffer te zijn geweest van matig tot ernstig misbruik.


Zwemster
Kort geleden kreeg ik de publicatie Onderwater van Ela Hutten toegestuurd om te recenseren. In deze vlot geschreven publicatie vertelt Ela, een talentvolle zwemster, hoe ze vanaf haar elfde jaar wordt ingepalmd door haar trainer, seksueel misbruikt en zo gemanipuleerd dat ze het met niemand - zelfs niet met haar ouders - durft te bespreken.

Op haar 14e komt het uit en doet ze aangifte. De pleger weet de zaak jarenlang te vertragen en krijgt uiteindelijk een taakstraf. In deze publicatie wordt duidelijk hoe door de afhankelijkheid van de trainer kinderen kwetsbaar zijn voor misbruik en hoe belangrijk het is dat sportclubs hier aandacht voor hebben. Ook wordt duidelijk dat een juridische procedure niet altijd het gewenste resultaat oplevert omdat daar de rechten van de pleger centraal staan en niet het psychische leed van het slachtoffer.

Onderzoekscommissie
Uit het rapport van de Onderzoekscommissie Seksuele intimidatie en misbruik (NRC 12 december 2017) blijkt hetzelfde: slachtoffers het soms moeilijker wordt gemaakt dan daders. Niet alleen door obstakels in het vervolgproces, capaciteitsgebrek bij de politie, rechterlijke instanties en het OM, maar ook door onduidelijkheid en laksheid bij sportclubs. Meldingen van wangedrag leiden zelden tot effectieve vervolgstappen en als er al strafrechtelijke of tuchtrechtelijke procedures worden ingezet, dan zijn de maatregelen en sancties in de meeste gevallen mild.

Preventie
Sportclubs in Nederland moeten veel actiever worden bij de bestrijding van misbruik. En gemeentes zijn niet alleen verantwoordelijk voor accommodaties, maar moeten sportclubs daar ook op aanspreken.

vrijdag 12 mei 2017

Cliëntenraden en jongerenraden: meer dan medezeggenschap


In de jeugdwet staat dat cliënten moeten worden betrokken bij de ontwikkeling van de jeugdhulp. Jeugdhulporganisaties en gecertificeerde instellingen zijn verplicht een cliëntenraad te organiseren. Veel organisaties hebben daarnaast ook een jongerenraad. Het organiseren van een jongerenraad en een cliëntenraad is zeker niet altijd makkelijk. Toch zie ik duidelijke voordelen zowel voor jeugdhulporganisaties en gecertificeerde instellingen als voor ouders en jongeren zelf.

Voordelen voor jeugdhulporganisaties en gecertificeerde instellingen
Door behoeften en verwachtingen van cliënten in kaart te brengen en mee te nemen in besluitvorming, zal de dienstverlening beter aansluiten bij de wensen van gebruikers. Dat verhoogt de kwaliteit van de hulp. Instellingen kunnen door ervaringen van cliënten leren hoe hulpverleningstrajecten verbeterd worden. Bovendien ontstaat er meer draagvlak voor het beleid en wordt de klanttevredenheid vergroot.
Voor het organiseren van een aparte jongerenraad zie ik als voordeel dat de jongeren de mogelijkheid hebben met elkaar van gedachten te wisselen over zaken die jongeren aangaan zonder daarbij overvleugeld te worden door volwassenen. De belangen van ouders en kinderen zijn immers niet altijd dezelfde.

Voordelen voor ouders en jongeren
Naast inspraak en belangbehartiging van ouders en jongeren hebben deze raden nog een meerwaarde. Voor velen is het een manier om betekenis te geven aan hun ervaringen met de jeugdhulp. Om niet alleen hulpvrager te zijn, maar ook die ervaringen te gebruiken om de jeugdzorg beter te maken voor andere ouders en jongeren. Het versterkt het zelfgevoel van cliënten (self-efficacy), het vertrouwen in de eigen bekwaamheid om met succes invloed uit te oefenen op de omgeving. Je bent niet alleen cliënt, maar geeft levert ook een waardevolle bijdrage aan de verbetering van de jeugdhulp.

Door de cliëntenraad kan ik wat voor een ander betekenen en van een moeilijke situatie iets positiefs maken. Ik vindt het ook interessant en fijn om wat om handen te hebben (ouder, voorzitter cliëntenraad)

Jongerenraden
Micha de Winter is al jaren een warm pleitbezorger van jeugdparticipatie. Kinderen en jongeren als participerende burgers actief betrekken bij hun leefomgeving heeft volgens De Winter een heilzame preventieve en curatieve werking. Een tekort aan mogelijkheden om zinvolle sociale ervaringen op te doen, is op zichzelf een bron van psychosociale problemen en gedragsproblemen. De uitbreiding van zulke ervaringsmogelijkheden blijkt de kans op dergelijke problemen te verminderen. Wat Micha de Winter volgens mij bedoelt is dat het voor jongeren van belang is te ervaren dat ze invloed kunnen hebben op hun omgeving en dat hen dat helpt om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven. In plaats van ‘Ik heb ook altijd pech’ en bij de pakken neer te gaan zitten.
Daarnaast is een jongerenraad positief voor de persoonlijke ontwikkeling van de leden (informeel leren) en sociale contacten die jongeren opdoen. Door deelname aan een jongerenraad krijgen jongeren meer zelfvertrouwen en leren vaardigheden op het gebied van communicatie, samenwerken, vergaderen, organiseren, spreken in het openbaar, hoe jezelf te presenteren. Vaardigheden die ze nu en later goed kunnen gebruiken

Ik durf nu meer te praten, mijn mening te vertellen, ik ben socialer geworden, leer over de jeugdzorg (meisje 16 jaar, lid jongerenraad)

Het is echt een misvatting dat ouders en jongeren in cliëntenraden alleen maar willen schoppen. De voordelen cliëntenraden èn jongerenraden zijn groot en het is belangrijk om te investeren in de ontwikkeling ervan.

Deze blog verscheen eerder op KennisnetJeugd.nl

maandag 20 maart 2017

Een vragenlijst is onvoldoende om kindermishandeling te signaleren


Volkskrant 20 maart 2017
Ouders die met een kind bij de huisarts of de spoedeisende hulp komen, worden verplicht gescreend. Dat leidt tot veel valse verdenkingen van mishandeling, terwijl echte gevallen soms toch worden gemist. Op elke 100 verdenkingen waren er 92 onterecht. Bij 1 op de 100 kinderen gaf de screening aan dat er niets aan de hand was terwijl later toch een melding volgde. Utrechts onderzoek maakte eerder al duidelijk dat de vragenlijsten ook op de afdelingen spoedeisende eerste hulp vaak tot onterechte verdenkingen leiden (97 op de 100).


Verkeerde vragenlijst leidt tot veel onterechte verdenkingen van kindermishandeling

De titel van het artikel in de Volkskrant suggereert dat het probleem de vragenlijst is, maar dat is het niet. Met alleen een vragenlijst kun je geen kindermishandeling vaststellen of uitsluiten. Daarvoor heb je meer kennis en vaardigheden nodig, zoals kennis van signalen en de vaardigheid om een gesprek te voeren met ouders en kinderen over de zorgen (Bonnet 2013). De stappen van de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling helpen daarbij.

Stap 1. In kaart brengen van signalen

De professional die kindermishandeling vermoedt of vaststelt, verzamelt alle aanwijzingen die zijn vermoeden kunnen onderbouwen of ontkrachten en legt deze vast. Er zijn goede medische signalenlijsten beschikbaar voor (kinder)artsen. Sommige lichamelijke verwondingen wijzen sterk op kindermishandeling, maar meestal is meer informatie nodig om dat te kunnen vaststellen. Zo zijn blauwe plekken kinderen bij kinderen die niet mobiel zijn zeer verdacht omdat die kinderen zichzelf niet kunnen stoten en is het ook zeer verdacht als een brandwond sterk begrensd is (strijkijzer), er geen spatletsel is en de brandwond overal even diep is. Meestal zijn de signalen echter niet zo duidelijk en is het van belang goed in kaart te brengen hoe de verwondingen eruit zien, om wat voor soort verwonding het gaat, op welke plek de verwonding zit en na te gaan of er eerder soortgelijke verwondingen geweest zijn. Ook kan het zinvol zijn een forensisch kinderarts te raadplegen voor letselduiding.

Stap 2. Overleg met collega en raadpleeg eventueel Veilig Thuis

Overleg bij vermoedens met een collega of vraagt advies aan Veilig thuis. De casus kan daarbij anoniem worden besproken.

Stap 3. Gesprek met ouders en/of het kind, de jongere

Voor het achterhalen van de oorzaak van de verwondingen moet bij het kind, de ouders of anderen geïnformeerd worden hoe de verwonding is opgelopen. Praat zo mogelijk met het kind en leg de zorgen voor aan de ouders. Belangrijk is dat zonder vooroordelen te doen en goed te kijken naar de toedracht van het ongeval. Hoe is de verwonding ontstaan? Wie is de veroorzaker? Waren er anderen bij aanwezig? Wanneer is de verwonding ontstaan? Heeft er iemand maatregelen genomen? Het is bijvoorbeeld opvallend als ouders lang wachten met het inroepen van hulp. Deze stap kan alleen worden overgslagen uit vrees voor de veiligheid of gezondheid van het kind of andere kinderen uit het gezin en gevreesd moet worden dat de arts het kind en/of de ouder(s) daardoor uit het oog zal verliezen of als de arts vreest voor zijn eigen veiligheid. Wel moet dan een ander moment gekozen worden waarop de ouders en/of kind alsnog ingelicht worden over de vermoedens en over een eventueel gedane melding.

Stap 4. Wegen van het geweld of de kindermishandeling, bij twijfel altijd Veilig Thuis raadplegen
De professional kan – eventueel ook zonder de toestemming van ouders en/of kind– overleggen met andere bij het gezin betrokken hulpverleners of beroepskrachten en/of een melding aan de verwijsindex risicojongeren doen, voor zover dat nodig is om een vermoeden van kindermishandeling te verifiëren of om hulp onderling af te stemmen.

Stap 5. Beslissen: hulp organiseren of melden

Als de professional ervan overtuigd is dat hulpverlening op vrijwillige basis het risico voor het kind voldoende kan afwenden, dan kan hij besluiten (nog) niet te melden bij Veilig Thuis en zelf hulp verlenen of deze elders in gang zetten. Wordt het vermoeden bevestigd of in elk geval niet weggenomen en is er een reële kans op schade door (het voortduren van de) kindermishandeling die niet (meer) met hulpverlening kan worden afgewend, dan doet de professional zo spoedig mogelijk een melding bij Veilig Thuis. De professional informeert kind en/of ouders tevoren over zijn melding, tenzij dit niet mogelijk is in verband met de veiligheid.

Dit is een korte samenvatting van de meldcode en belangrijk is dat artsen, maar ook verpleegkundigen en jeugdwerkers weten welke stappen ze moeten zetten en hoe je een gesprek met ouders en kinderen voert.
Dus alleen een vragenlijstje is onvoldoende.

Meer informatie
Bonnet, R. (2013) De Kleine Gids Kindermishandeling. Achtergronden, signaleren en de meldcode. Kluwer

woensdag 1 maart 2017

Laten we niet naïef zijn


Op 16 februari was ik op de conferentie loverboyproblematiek LVB/GGZ. Mensenhandelaren herkennen de kwetsbaarheid van meisjes en jongens vaak eerder dan professionals. Eén van de risicofactoren van seksueel misbruik is seksueel misbruik in het verleden. De kwetsbaarste kinderen lopen het grootste risico op seksueel misbruik en uit onderzoek blijkt dat mensen met een verstandelijke beperking extra risico lopen op seksueel geweld en slachtoffer te worden van loverboys of seksuele grensoverschrijding via sociale media. Maar liefst 61 % van de vrouwen met een verstandelijke beperking wordt misbruikt.

Preventie
We moeten er alles aan doen om te zorgen dat niemand slachtoffer wordt. Het gaat dan enerzijds om preventie, voorkomen dat iemand slachtoffer wordt, blokkades opwerpen om het moeilijker maken slachtoffers te maken, voorlichting aan kinderen en jongeren. Grensoverschrijdende seksuele ervaringen zijn geen uitzondering. Uit onderzoek blijkt dat 41% van de meisjes en 21 % van de jongens ja zeggen op de vraag Heb je wel eens seks tegen je zin gehad?

Hoe kun je seksueel misbruik verwerken?

Het duurt gemiddeld 21 weken (Iva Bicanic*) voordat een slachtoffer van seksueel geweld erover vertelt wat hij of zij meegemaakt heeft. En dat terwijl juist de eerste momenten na het misbruik belangrijk zijn voor de best mogelijke hulp. Slachtoffers vertellen het meestal als eerste tegen een vriend of vriendin en de eerste reactie is heel belangrijk. Victim blaming (schuld in de schoenen schuiven, dan had je maar niet...)is zeer schadelijk voor slachtoffers en social support- luisteren en er zijn is voldoende - ondersteunt de verwerking Victim blaming vergroot de kans op een post traumatische stressstoornis (PTSS). Behandeling van PTSS is belangrijk want PTSS vergroot de kans op revictimisatie (herhaling) en er zijn goede behandelmethoden voor PTSS zoals EMDR en cognitieve therapie.

Aanbevelingen
Het congres werd afgesloten met 10 aanbevelingen, waarvan de volgende vier voor professionals werkzaam met kinderen en jongeren in zorg, strafrecht, onderwijs en gemeenten
1. bieden voorlichting aan alle jongeren over seks en sociale media
De voorlichting is ontwikkeld in samenspraak met jongeren, is leeftijdsadequaat en
afgestemd op de aanwezige verstandelijke beperking.

2. stellen de veiligheid van jongeren in hulp centraal
Elke jongere in zorg heeft een veiligheidsplan. Dit plan maakt onderdeel uit van het zorg/behandelplan en van het toekomstplan dat met elke jongeren in zorg opgemaakt is/wordt. In het veiligheidsplan wordt rekening gehouden met risico’s in de instelling, het gezin en andere pedagogische milieus. Het plan gaat ook in op risico’s met betrekking tot vervoer, onderwijs, social media, vermissing en onttrekking. Als de veiligheid van een jongere is geschonden, dan wordt deze jongere bijgestaan en/of behandeld door ter zake kundige specialisten. Denk daarbij ook aan forensische zorg zoals wordt geboden door de Centra Seksueel Geweld (CSG’s).

3. bieden (gezamenlijk) de best mogelijke (trauma)behandeling op basis van de huidige kennis.
Nieuwe kennis, methodieken en technologieën worden systematisch geïncorporeerd in de behandeling. Deze behandeling wordt adequaat afgestemd op de aanwezige verstandelijke beperking en/ of psychische problemen van de betreffende jongeren.

4. sluiten in de bejegening van mogelijke slachtoffers aan op de aanwezige verstandelijke beperking en/of psychische problematiek.
Politie- en justitiefunctionarissen zijn hier extra alert op en schakelen voor verhoor getrainde rechercheurs in die aansluiten bij de aanwezige verstandelijke beperking

*https://www.youtube.com/watch?v=AkyjuE98kyo

maandag 13 februari 2017

Effectiever samenwerken in de aanpak van kindermishandeling


Jaarlijks worden 119.000 kinderen slachtoffer van kindermishandeling. Veel professionals werken samen om dat te voorkomen. Maar ondanks de goede wil, loopt het nogal eens mis in de samenwerking. Op 10 januari was een bijeenkomst jeugd van het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid met als thema: Effectiever samenwerken in de aanpak van kindermishandeling.

Vertrouwen en luisteren
De middag startte met een interview met een meisje dat slachtoffer was geweest van kindermishandeling. Ze praatte er eerst met niemand over, maar vertoonde wel lastig gedrag. Dit gedrag werd geduid als pubergedrag en niemand die zich afvroeg waar dat vandaan kwam. Uiteindelijk vertelde ze een vriendin wat er thuis gebeurde en kwam het toch uit. Dat was het begin van een reeks hulpverleners. Bij de vraag wat een goede hulpverlener is gaf ze aan dat 'luisteren' en 'vertrouwen' een stuk belangrijker zijn dan direct handelen. Dat sluit aan op wat Kim Laar, slachtoffer van kindermishandeling deze week in een interview met de Volkskrant* zegt: Er zijn geen simpele antwoorden. Maar ik denk wel dat je het altijd eerst met het kind moet bespreken voor je een volgende stap zet. Luister naar hen, zij kennen hun eigen situatie het beste.

Wij geloven niemand

Daarna kwam Bertine Spoor, forensisch arts bij de Forensische Polikliniek Kindermishandeling aan het woord. Spoor hield een interessant verhaal over hun werkwijze en de manier waarop ze onderzoek doen. Wij geloven niemand, moeder niet, vader niet, het kind niet. Wij gaan op zoek naar feiten, beschrijven en meten letsel op, maken foto's en geluidsopnames. Ze pleitte er voor zeker bij vermoedens van seksueel misbruik, breuken bij jonge kinderen, niet te aarzelen en altijd forensisch onderzoek te laten doen.

Forensische expertise noodzakelijk
Jammer is om te horen dat de polikliniek per 1 maart gaat sluiten, terwijl er toch juist meer behoefte is aan deze expertise (Volkskrant 15 februari). Het wordt overgenomen door het Nederlands Forensisch Instituut. De ervaring van advocaat Richard Korver is dat het daar een stuk trager gaat. In sommige regio's werken nog wel forensische kinderartsen. Bijvoorbeeld bij het multidisciplinair centrum kindermishandeling Kennemerland die later op de middag hun verhaal deden over de samenwerking met andere partijen. Want na het onderzoek blijft er nog genoeg werk aan de winkel voor de hulpverlening omdat de forensisch arts kan niet zien wie het letsel heeft veroorzaakt en ook de hulpverlening niet regelt.
Ook volgens Jan de Jong van de nationale politie is forensische expertise belangrijk om vast te stellen of het om kindermishandeling of seksueel misbruik of 'ongelukkig gevallen'. Alleen een forensisch arts kan aan het soort letsel beoordelen of het verhaal klopt of niet. De Jong vertelde een aangrijpend verhaal van een 3 jarig meisje dat op basis van het onderzoek van een gewone arts uithuisgeplaatst was en haar vader opgepakt, terwijl achteraf na onderzoek door een forensisch arts bleek dat het 'onwaarschijnlijk klinkende verhaal' toch klopte.

Samenwerking

De samenwerking tussen politie, forensisch arts en hulpverlening is soms lastig, maar zeker belangrijk voor (vermeende) slachtoffers van kindermishandeling. De forensisch arts kijkt naar letsel, de hulpverlening moet op basis van die informatie beoordelen hoe veilig de situatie is, luisteren naar het verhaal en de wensen van het slachtoffer, de hulp opstarten en de politie inschakelen voor het doen van onderzoek en de bescherming van het kind.



*http://www.volkskrant.nl/binnenland/lessen-uit-het-leven-van-kim-van-laar-slachtoffer-kindermisbruik~a4460252/

maandag 16 januari 2017

Webcamkindersekstoerisme


750.000 mannen online
Volgens Terre des Hommes zijn er op elk moment van de dag minstens 750.000 mannen online op zoek naar kinderporno. Het aantal meldingen van kinderporno in Nederland was in oktober 2016 met 12.000 al bijna verdubbeld ten opzichte van 2015 (5549). De toename wordt volgens het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voornamelijk verklaard door het aantal meldingen over kinderpornografisch beeldmateriaal op internet.

Kinderen van het web
Peter Dupont schreef de publicatie Kinderen van het web. Undercover als pedofiel (2016) Hij is een Belgische onderzoeksjournalist die in de zomer 2013 stuit op het bestaan van webcamkindersekstoerisme (WCSC) en besluit undercover te gaan als pedofiel. In zijn publicatie doet hij verslag van zijn persoonlijke ervaringen als onderzoeksjournalist en later als burgerinfiltrant van de Philippine National Police. Het blijkt dat dit soort misbruik - een mengeling van kinderprostitutie en kinderporno - erg frequent voorkomt op de Filipijnen. Hij legt contact met aanbieders, slachtoffers en klanten. Onder die klanten waren 150 blanke mannen uit West- en Noord- Europa, de Verenigde Staten en Australië. De aanbieders waren in hoofdzaak (alleenstaande ) moeders, tantes en zussen, ooms, broers en vaders. De armoede, nog eens versterkt door de tyfoon in 2013, drijft hen ertoe de kinderen hiervoor te misbruiken. Het gaat regelmatig om zeer jonge kinderen die achter de webcam en soms ook in hotels seksuele diensten moeten leveren. Voor de trauma’s van de kinderen is geen aandacht. Dupont doet niet alleen onderzoek van achter zijn computer maar reist ook naar de Filipijnen en bezoekt daar cybersekshuizen en ook een opvanghuis voor slachtoffers. Resultaat van het onderzoek is een inval in een cybersekshuis in 2015 waar elf meisjes worden bevrijdt en vijf pooiers opgepakt, later worden meer 'aanbieders’ opgepakt en kinderen bevrijd.

Documentaire

Samen maakte met Jacco Groen maakt hij de documentaire Grenzeloos misbruikt https://www.youtube.com/watch?v=rY7zG2KgkA0 waarin hij verslag doet van zijn onderzoek en bevindingen. in de documentaire zie je o.a. de inval in het cybersekshuis.

Sweety

Tegelijkertijd met het onderzoek van Dupont was ook Terre des Hommes actief in de aanpak van webcamkindersekstoerisme. Terre des Hommes heeft met het digitale meisje Sweetie in relatief korte tijd duizend pedoseksuelen ontmaskerd, van wie er inmiddels een aantal is veroordeeld. De Nederlandse politie mag deze methode niet toepassen en mag ook niet undercover gaan. Er wordt voor gepleit de politie meer mogelijkheden te geven om klanten aan aanbieders op te sporen. Dat lijkt me zeker de moeite waard gezien de omvang van de problematiek en de consequenties die het heeft voor het leven van de slachtoffers. Want hopelijk is inmiddels wel duidelijk dat 'alleen maar kijken' in dit geval wel kwaad kan.


woensdag 4 januari 2017

Kinderen met negatieve jeugdervaringen voelen zich minder gezond


Het jongerentaskforce deed onderzoek naar ingrijpende jeugdervaringen bij kinderen. Ze legde 680 kinderen in groep 7 en 8 van het reguliere basisonderwijs een uitgebreide vragenlijst voor. Uit dit onderzoek blijkt dat bijna de helft van de kinderen één of meerdere ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt.

Ingrijpende jeugdervaringen
Gekeken is naar het aantal ingrijpende jeugdervaringen die kinderen hebben meegemaakt. Het gaat dan om :
• Ouder(s) ernstig/ongeneeslijk ziek of overleden;
• Kindermishandeling of -verwaarlozing;
• Seksueel misbruik;
• Geweld tussen de ouders (of van ex-partner bij bijv. vechtscheiding);
• Alcoholmisbruik van de ouder(s);
• Drugsgebruik van de ouder(s);
• Psychiatrische aandoening ouder(s);
• Ouder(s) in gevangenis gezeten;
• Depressie of zelfmoord(poging(en)) van huisgenoot;
• Bedreiging met een mes of vuurwapen
Uit onderzoek van het Jongerentaskforce blijkt dat 45,4% van de kinderen in groep 7 en 8 van het regulier basisonderwijs al één of meerdere ingrijpende gebeurtenissen te hebben meegemaakt.
Bijna de helft van de kinderen (45,4%) in groep 7 en 8 van het regulier basisonderwijs geeft aan al één of meerdere ingrijpende gebeurtenissen te hebben meegemaakt. Bijna één op de negen kinderen heeft drie of meer gebeurtenissen te hebben meegemaakt. Ruim een kwart van de kinderen geeft aan dat hun ouders zijn gescheiden (25,8%), terwijl ongeveer één achtste aangeeft dat zij emotioneel zijn verwaarloosd (12,9%), of dat zij emotioneel zijn mishandeld (12,2%). In totaal heeft 26,7% van de kinderen aan één of meerdere vormen van kindermishandeling meegemaakt

Gezondheid
Er blijkt een duidelijke relatie te zijn tussen élke ingrijpende jeugdervaring en hoe fit en gezond kinderen zich voelen. Deze relatie blijkt het sterkste te zijn bij kinderen die emotioneel zijn verwaarloosd, emotioneel zijn mishandeld en lichamelijk zijn mishandeld. Kinderen die dit meemaken, voelen zich minder fit, minder gezond. En hoe hoger het aantal ingrijpende jeugdervaringen dat zij aangeven te hebben ervaren, hoe minder fit en gezond zij zich voelen. Dit verband wordt ook gevonden wanneer specifiek wordt gekeken naar kinderen die aangeven een echtscheiding te hebben ervaren, in combinatie met één of meerdere ingrijpende jeugdervaringen. Eenzelfde duidelijke invloed op de kwaliteit van leven is gevonden bij kinderen die aangeven één of meerdere vormen van kindermishandeling te hebben ervaren.

Leerkrachten schatten het te laag in
Leerkrachten denken dat gemiddeld maar drie kinderen bij hen in de klas, één of meerdere ingrijpende jeugdervaringen hebben meegemaakt terwijl 45,4% van de kinderen tenminste één van deze ervaringen heeft meegemaakt.

Aanbevelingen jongerentaskforce
De Jongerentaskforce denkt dat leerkrachten en docenten een belangrijke rol kunnen spelen voor kinderen die ingrijpende jeugdervaringen meemaken. Het is belangrijk dat de juffen en meesters van nu wéten dat kinderen bij hem of haar in de klas en op school al veel kunnen hebben meegemaakt. Dat zij wéten wat deze ingrijpende jeugdervaringen voor invloed kunnen hebben op kinderen. Leerkrachten kunnen bijvoorbeeld over deze ingrijpende jeugdervaringen praten met kinderen, zij kunnen in hun lessen aandacht besteden aan specifieke thema’s zoals kindermishandeling, of ‘als je ouders gaan scheiden’

En hopelijk gaat nu een lichtje branden als kinderen zeggen dat ze zich niet lekker, niet fit of moe voelen om door te vragen hoe het gaat en samen met het kind te kijken wat je als volwassene kunt doen.


*Jongerentaskforce (2016). Ik heb al veel meegemaakt. Ingrijpende jeugdervaringen in groep 7 en 8 https://www.augeo.nl/~/media/Files/Jongerentaskforce/161026-Jongerenrapport-ik-heb-al-veel-meegemaakt.ashx

maandag 14 november 2016

Cliëntroutes in de jeugdhulp nu online



Waar kunnen ouders terecht die hulp bij de opvoeding nodig hebben? En hoe werkt het als gespecialiseerde hulp nodig is? Wat als er nu al hulp is, hoe gaat het dan verder? Sommige gezinnen en jongeren krijgen hulp in het kader van de jeugdbescherming, wat houdt dat in en welke maatregelen zijn er dan mogelijk? Wat als anderen zich zorgen maken en een melding doen bij Veilig Thuis?

Deze en nog meer vragen hebben cliënten die te maken hebben met jeugdhulp. Op verzoek van de cliëntentafel jeugd van LOC is een toegankelijke website gemaakt waar al deze informatie te vinden is. Deze informatie is samengesteld in samenwerking met cliënten en deskundigen en is vanaf heden te vinden op de website www.clientroutesjeugdhulp.nl. De cliëntroutes zijn te bekijken op computer, telefoon en tablet.

Informatie over jeugdhulp
De gemeente organiseert ondersteuning, hulp en zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders. Ze is verantwoordelijk voor hulp bij alle denkbare opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Dus zowel voor de jeugdzorg, de jeugd-GGZ als de jeugd-LVB. Dat kan vrijwillige hulp zijn of hulp in een gedwongen kader. Iedere gemeente heeft dat op zijn eigen manier georganiseerd, maar er zijn veel overeenkomsten in de routes die ouders en jongeren doorlopen vanaf de aanmelding tot de afronding van de hulp.

Op de website vindt u
- een helder overzicht van de routes die cliënten kunnen volgen van aanmelding tot afsluiting van de jeugdhulp ;
- informatie over de kinderbeschermingsmaatregelen die de kinderrechter kan opleggen zoals de ondertoezichtstelling (OTS), uithuisplaatsing;
- de taak en rol van (nieuwe) organisaties in de jeugdhulp zoals wijkteams, gecertificeerde instelling, Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming;
- tips om de eigen regie te versterken. Zodat de hulp aansluit op wat volgens ouders nodig is.

Gebruik door cliënten en professionals
Cliënten en professionals kunnen ook gezamenlijk de cliëntroutes doornemen. En samen kijken naar de stappen die gezet kunnen worden. Instellingen die de informatie toegankelijk willen maken voor cliënten kunnen een link naar de cliëntroutes jeugdhulp op hun eigen website zetten.

vrijdag 11 november 2016

Cliënttevredenheidsonderzoek: 1gezin1plan1lijst


In 2003 ontwikkelde ik op verzoek van Stichting Alexander de C-toets, de eerste landelijke cliënttevredenheidstoets* voor de jeugdzorg gebaseerd op het cliëntenfeedbacksysteem dat ik in Zuid-Holland in het kader van het Project Vraaggericht werken* ontwikkelde. Op 22 september j.l. was ik op een bijeenkomst van het kennisnetwerk jeugdmonitoring. Ik was benieuwd wat er in al die jaren was ontwikkeld op het gebied van de tevredenheidsonderzoeken.

1gezin1plan1lijst
Cliëntenfeedback is in iedere geval een item wat nu overal op de agenda staat. Gemeenten zijn vanuit de jeugdwet verplicht ouders/en/of jongeren naar hun ervaringen met de jeugdhulp te vragen en jeugdhulpaanbieders zijn ook verplicht hun eigen aanbod te evalueren. Inmiddels wemelt het van de vragenlijsten die de tevredenheid van cliënten moeten meten en gezinnen met meerdere hulpverleners krijgen soms wel 8 (!) verschillende lijsten om in te vullen. Dat komt de motivatie om de lijsten in te vullen niet ten goede. Zeker omdat voor cliënten vaak niet duidelijk is wat met de resultaten gedaan wordt. En verder is het voor de gemeenten ook niet handig als ze van ieder jeugdhulpaanbieder andere informatie krijgen en voor jeugdhulpaanbieder als ze voor iedere gemeente andere informatie moeten aanleveren (administratieve druk!) Om het aantal verschillende lijsten binnen de perken te houden loopt er een landelijk traject dat er voor moet zorgen dat iedere aanbieder en gemeente dat op dezelfde manier gaat doen. 1 gezin1plan1lijst zou ik zeggen.

Interne en externe verantwoording
Op 22 september was Dolf de Boer, van het Nivel uitgenodigd.Hij heeft veel ervaring met de ontwikkeling van vragenlijsten voor patiënten. Dolf maakt onderscheid tussen twee soorten cliënttevredenheidsonderzoeken. Onderzoek bedoeld voor externe verantwoording en onderzoek voor interne verbetering. Als voorbeeld noemde hij Zorgkaart Nederland* waar patiënten hun ervaringen met de zorg kunnen achterlaten. Een soort Tripadvisor voor de zorg, met de zelfde voor- en nadelen als Tripadvisor. De resultaten zijn positief beïnvloedbaar als zorgaanbieders actief tevreden klanten vraagt een reactie achter te laten. Toch geeft het wel een beeld en kan worden gezien als een vorm van externe verantwoording. Positief is dat het om inhoudelijke feedback gaat en niet alleen een cijfer,. Dat geeft inzicht geeft hoe het beter kan en ook gebruikt worden voor interne verbetering.

Gebruik van resultaten
Gebruik van de resultaten is ook meteen het probleem van cliëntenfeedbacksystemen. Dat speelde al in 2003 en nu nog steeds. Als het cijfer voldoende is kan dat voor sommige organisaties of gemeenten aanleiding zijn om niets te doen. En dat terwijl cijfers alleen niets zeggen. Het moet juist gebruikt worden voor kwaliteitsverbetering door ze met cliënten te bespreken, met cliënten de resultaten te duiden en verbeterplannen te maken. En vervolgens aan cliënten te laten zien dat ze niet voor niks de lijst hebben ingevuld, maar dat er ook wat mee gedaan wordt. Gebruik van de resultaten is één van de belangrijkste aandachtspunten van het cliënttevredenheidsonderzoek.
Ook kun je de resultaten van één organisatie niet met de resultaten van andere organisaties vergelijken. Sommige organisaties hebben een moeilijkere doelgroepen, bieden meer gedwongen hulp. Wat wel kan is met organisaties in gesprek gaan over de resultaten en dan is het aan te bevelen dat met meerdere organisaties tegelijkertijd te doen. Want waar één organisatie kan zeggen dat bepaalde groep cliënten altijd negatief zijn/nooit vragenlisten invullen enzovoorts heeft een andere organisatie daar misschien wel creatieve oplossingen voor gevonden.

Het meten van cliënttevredenheid is niet genoeg. Er over in gesprek gaan is net zo belangrijk.




Jumelet, H., Welling, M., Jurrius, K., & Havinga, L. (2003). Verantwoording C-toets. Utrecht: Landelijk Programma Kwaliteitszorg.
Welling, M. Een cliëntenfeedbacksysteem voor de jeugdzorg.Nederlands Tijdschrift voor de jeugdzorg, nummer 2, 2002
www.zorgkaartnederland.nl

woensdag 26 oktober 2016

Hulp voor kinderen in de vrouwenopvang is investeren in de toekomst


De meeste vrouwen die een beroep doen op de vrouwenopvang nemen kinderen mee. In 2012 verbleven er ruim 3.100 kinderen tot en met 17 jaar in een instelling voor vrouwenopvang. Ruim 45% van hen is vier jaar of jonger, 30% is tussen 5 en 11 jaar oud en 25% is 12 jaar of ouder. Deze kinderen zijn vaak getuige geweest van huiselijk geweld, zelf mishandeld en niet zelden getraumatiseerd. De heftige gebeurtenissen in het gezin hebben een grote invloed op de ontwikkeling van kinderen en kunnen doorspelen in hun latere leven met als risico overdracht van de problematiek naar de volgende generatie. Uit onderzoek bij vrouwen in de vrouwenopvang blijkt dat 46 % zelf vroeger ook geweld heeft meegemaakt in het gezin.

Het kinderbrein als spons
Tot voor kort was er weinig aandacht voor kinderen in de vrouwenopvang. Er werd zelfs gedacht dat kinderen een 'plastisch brein' hebben en daardoor ervaringen makkelijker verwerken en dat baby's er al helemaal niks van merken. Niets is minder waar. Uit onderzoek blijkt dat hoe jonger, hoe groter de impact van huiselijk geweld op de ontwikkeling van kinderen. Je moet je als hulpverlener zwaar zorgen maken als je bij een situatie van huiselijk geweld wordt geroepen en een baby in de box zit te spelen alsof er niets aan de hand is. Bruce Perry, neuroloog en kinderpsychiater, deed er veel onderzoek naar en in een filmpje op YouTube https://www.youtube.com/watch?v=O4zP50tEad0 legt hij uit dat de hersenen van jonge kinderen juist zeer kwetsbaar zijn. Ze lijken een beetje op een spons en dat betekent dat ze enerzijds in staat zijn binnen korte tijd ingewikkelde taken te leren zoals taal, maar anderzijds meer kwetsbaar voor trauma.

Elf risicofactoren per kind
Kinderen in de opvang hebben ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Het is pas sinds kort dat we weten dat het getuige zijn van huiselijk geweld zeer ingrijpend is en moet worden gezien als een vorm van kindermishandeling. In 2009 is onderzoek gedaan naar de kinderen in de maatschappelijke en vrouwenopvang. De resultaten zijn schokkend. Gemiddeld werden 11 risicofactoren op kindermishandeling per kind gevonden; onder meer relationeel geweld, echtscheiding en een psychische stoornis bij de ouder. En verder werden gemiddeld ook bij elk kind 7 ingrijpende levensgebeurtenissen gescoord, zoals verbaal en fysiek geweld, mishandeling, misbruik, de boel in huis in elkaar slaan of aanwezig zijn bij de arrestatie van een ouder.

Sobere opvang
Voor kinderen is het plotselinge vertrek uit de gewelddadige - maar wel vertrouwde - omgeving ingrijpend. Weg van school, vriendjes, familie, huisdieren, komen kinderen in een onbekende stad, op een nieuwe school en in een huis waar ook andere kinderen en moeders wonen die het ook niet makkelijk hebben. Tot voor kort was er nauwelijks individuele begeleiding en vrijwel geen behandeling beschikbaar voor kinderen. Ook de opvang is sober en meestal niet ingericht op de specifieke behoeften van kinderen en jongeren. Er zijn soms weinig speelmogelijkheden voor kinderen of plekken om rustig huiswerk te maken. Ongeveer 50 procent van de kinderen in de opvang heeft problemen in het psychosociaal functioneren, zoals gedragsproblemen, problemen met leeftijdgenoten en emotionele problemen. Een derde heeft last van een posttraumatische stressstoornis. Ongeveer 20 procent voldoet aan de criteria om als depressief gediagnosticeerd te worden. Het in zo'n situatie moeten delen van woonkamers en doucheruimtes en gebrek aan privacy geeft veel stress en conflicten tussen moeders en/of kinderen.

Veilige Toekomst
Dit was voor Kinderpostzegels, de federatie Opvang en de Adessium Foundation aanleiding om in januari 2015 de krachten te bundelen en samen te werken aan het Plan Veilige Toekomst. Doel is de leefomstandigheden en ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen in de vrouwenopvang te verbeteren en waar mogelijk het aanbod uit te breiden tot de maatschappelijke opvang. Er is financiering beschikbaar gesteld voor verbetering van de huisvesting, begeleiding en behandeling van kinderen, natuurpilots waar kinderen positieve ervaringen kunnen opdoen in contact met natuur en dieren, een boekje met de belangrijkste punten waar de zorg voor kinderen in de opvang aan moet voldoen, een jongerenpanel om van kinderen en jongeren zelf te horen wat ze nodig hebben en belangbehartiging van kinderen in de opvang. Dat laatste is met name nodig omdat aandacht voor de belangen van kinderen in de opvang door de transitie en bezuinigingen in de zorg er niet beter op is geworden.
Het is eigenlijk geen keuze. Specifieke aandacht voor kinderen in de opvang is nodig en blijft nodig, als we niet willen dat de geschiedenis van huiselijk geweld zich herhaalt in de gezinnen van deze kinderen in de toekomst.

donderdag 29 september 2016

Is cliëntcentrale zorg commercieel interessant?


Bij de Volkskrant van 20 september zat een bijlage met als titel Cliëntcentrale zorg. Ik ben blij en verbaasd. Is het belang om de cliënt centraal te zetten in de zorg inmiddels zo ver doorgedrongen dat er zelfs een hele bijlage aan besteed wordt? En dan nog wel een commerciële bijlage. Is de cliënt centraal zetten niet alleen meer iets voor teerhartige hulpverleners, maar ook commercieel interessant?

Clientcentrale zorg is effectief
In die bijlage staat op pagina 13: ‘Uit diverse onderzoeken blijkt dat er een directe relatie is tussen gastvrije zorg en een beter en sneller herstel’. Maar niet alleen in de gezondheidszorg, ook in de jeugdhulp werkt cliëntcentrale zorg. Van Yperen en Van der Steege schreven in 2010 al in Methodiek en hulpverlener* tellen allebei dat verschillende factoren van invloed zijn op de effectiviteit van de hulp. Niet alleen de gebruikte methodiek is belangrijk, maar ook een goede relatie tussen de cliënt en de hulpverlener en aansluiten bij de motivatie van de cliënt. En de hulp goed afstemmen op de aard en de ernst van de problematiek. Daarvoor is het nodig dat de hulpvraag van het kind en de ouders het uitgangspunt is. En dat kan niet zonder ze actief te betrekken bij het hulpverleningsproces. Een positieve bejegening door de hulpverlener, betrokkenheid, warmte, empathie, acceptatie, aanmoediging en wederzijds respect zijn essentieel.

In de bijlage van de Volkskrant worden diverse bestuurders geciteerd die cliëntcentrale zorg op hun netvlies hebben. Hetty de Wit, bestuurder van de Zijlen zegt: ‘De behoeften van het individu en diens mogelijkheden moeten leidend zijn bij het geven van zorg en ondersteuning en niet protocollen of standaarden. Elke persoon is anders, evenals de situatie en voorkeuren’. En Arno Lelieveld, bestuurder bij TriviumLindenhof ‘merkt dat als jongeren uit de jeugdzorg wanneer hen gevraagd wordt wat voor hen het verschil heeft gemaakt, de namen noemen van professionals die hen het beste begrepen, gehoord en gezien hebben’.

Bij gemeenten staat de cliënt nog niet centraal

Bij gemeenten is dat besef nog niet doorgedrongen. ‘Geld voor jeugdpsychiatrie in veel gemeenten nu al op.’ meldt de NOS op 22 september jongstleden. In het artikel 'Staat de cliënt centraal in de jeugdhulp en in de toegang?'* dat ik deze maand publiceerde in het Tijdschrift voor Jeugdbeleid betoog ik dat cliënten nog steeds niet centraal staan en vaak wordt ‘vergeten’ om hen te informeren of naar hun mening te vragen. Niet het cliëntperspectief, maar het perspectief van de gemeente staat centraal in de organisatie van de jeugdhulp. De gemeente stuurt op budgetten, protocollen, zorgprogramma's, of klantcontacturen. ‘Ze stuurt niet op goede oplossingen’, zegt Jos de Blok van Buurtzorg zo treffend in een interview van Bram Bakker*. Belangrijk is om professionals de ruimte te geven samen met cliënten op zoek te gaan naar oplossingen.
Cliëntcentrale zorg is effectieve zorg en daarmee ook commercieel interessant. Het vermindert kosten en levert gezonde mensen op die kunnen participeren in de maatschappij. Dat is nog niet overal bekend, dus laten we daar vooral met regelmaat aandacht voor vragen.

*http://www.jeugdkennis.nl/jgk/Artikelen-Jeugdkennis/Methodiek-en-hulpverlener-tellen-allebei
*http://link.springer.com/article/10.1007/s12451-016-0118-6
*https://gaming.youtube.com/watch?v=A2H0vxRu8hQ&list=PLmd3IZRwXzwGR5pbRMm_FUvfIzYXW9SRt

Deze blog verscheen eerder op Kennisnet Jeugd.nl

maandag 29 augustus 2016

Groeiende hulpvraag als neveneffect van preventie


In 2007 maakten naar schatting 14% van alle minderjarigen gebruik van enige vorm van geïndiceerde zorg of speciaal onderwijs. De vraag blijft groeien. Het Volkskrant-artikel Waarom werd zij nooit behandeld? van 5 juli 2016 laat zien dat de jeugdzorg die vraag niet altijd aankan. Het NRC meldde op 18 juni 2016 in Vaker diagnose die niet klopt bij hoogbegaafden dat volgens sommigen sprake is van overbehandeling en overdiagnosticering in de geestelijke gezondheidszorg. Anderzijds blijkt uit onderzoek van Unicef dat Nederlandse kinderen de gelukkigste ter wereld zijn. Hoe kan dat?

Mechanismen achter de groei

Het lezen van de publicatie 'Kwetsbare kinderen. De groei van professionele zorg voor jeugd' van Nelleke Bakker gaf mij voor een deel antwoord op die vraag. Die publicatie geeft namelijk inzicht in de mechanismen achter de groei van de zorgconsumptie. Nelleke Bakker is hoofddocent historische pedagogiek aan de Rijksuniversiteit in Groningen en beschrijft de geschiedenis van de preventieve zorg voor kinderen vanaf de 19e eeuw.
Die preventieve zorg was aanvankelijk vooral medisch georiënteerd met de strijd tegen kinderpokken, het ontstaan van de schoolgezondheidszorg (schoolartsen), bestrijding van tuberculose (tbc) met gezonde buitenlucht en het ontstaan van vakantiekolonies. Na het uitroeien van pokken en tbc verschuift de aandacht naar de geestelijke gezondheid van kinderen in de 20e eeuw. De opkomst van het psychiatrisch perspectief in de opvoeding, de institutionalisering en professionalisering van kleuterzorg en de opkomst van het Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB) dragen hieraan bij.
Na de Tweede Wereldoorlog is er geen aandacht voor wat kinderen in die periode hebben meegemaakt. Wel is er meer specifieke aandacht voor het ‘zenuwachtige’ kind en zorg voor kinderen met leerproblemen. Dat is niet toevallig want de aandacht voor leerproblemen ging samen met de vestiging van de academische orthopedagogiek, speciaal onderwijs en onderzoek naar hersenziekten.

Diagnoses als neveneffect


Wat me echter vooral opviel, is dat Bakker laat zien hoe in de loop der tijd diagnoses veranderen van zenuwachtigheid, via minimal brain disfunction (MBD) naar ADHD; hoe het vullen van bedden van ‘vakantiekolonies’ voor ‘zwakke’ kinderen een doel op zich werd. En hoe het aanbod van speciaal onderwijs de vraag ernaar stimuleerde. Zo heeft de preventief bedoelde zorg dus als neveneffect dat sneller wordt ingegrepen of doorverwezen.
Je kunt toch niet tegen preventie zijn, zou je zeggen. Baat het niet, dan schaadt het niet. Maar oplettendheid hierbij is wel belangrijk. Het idee van preventie is dat het de groei van de geïndiceerde zorg tegen moet gaan. Maar door het preventiestreven zijn professionals een steeds grotere rol gaan spelen in het kinderleven en een groot deel van de kinderen heeft een diagnose. Preventie is prima en soms is snel ingrijpen nodig om erger te voorkomen. Maar we moeten ouders niet het gevoel geven dat kinderen zeer kwetsbare wezens zijn die bijna niet op te voeden zijn zonder professionele begeleiding.

Deze blog verscheen eerder op Kennisnet Jeugd

woensdag 29 juni 2016

Zie je (mij) wel? Over de (on)menselijke kanten van dakloosheid


Maandag was ik bij de theatervoorstelling Zie je (mij) wel? over de (on)menselijke kanten van dakloosheid, gemaakt en gespeeld door ervaringsdeskundigen.

Dakloze jongeren kennen hun BSN nummer uit hun hoofd. 'Je BSN - nummer wordt belangrijker dan je naam. Als je dakloos bent, dan raak je alles kwijt. Je uitkering, je spullen en tenslotte zagen ze ook nog aan de poten van je eigenwaarde'.

Het verhaal van Youri
Ervaringsdeskundigen spelen het verhaal van Youri die werkloos wordt. Hij gaat naar het UWV, daarna naar de sociale dienst, maar de instanties verwijzen naar elkaar en hij krijgt geen cent. De schulden stapelen zich op en het komt zover dat Youri dakloos wordt en naar de maatschappelijke opvang moet. De ramp is compleet als dan ook nog zijn rugzak met zijn identiteitskaart wordt gestolen. Voor een nieuwe ID kaart heeft hij geld nodig, dat heeft hij niet. Geen van de instanties kan dat hem voorschieten, zelfs niet als hij een baan kan krijgen. Geen ID, betekent geen baan, geen geld. Bij een uitzendbureau inschrijven lukt sowieso niet - zelfs met ID- Die willen geen mensen die bij de daklozenopvang verblijven.

Niet één pechvogel

Het is een indrukwekkende voorstelling en het verhaal van deze jongere is niet toevallig het verhaal van één pechvogel, maar iets wat regelmatig gebeurt. Instellingen die langs elkaar heen werken en cliënten die daar de dupe van worden. De voorstelling wordt gegeven aan medewerkers van de UWV, de sociale dienst, de gemeente, de Maatschappelijke Opvang. Na afloop van de voorstelling gaan de ervaringsdeskundigen in gesprek met de zaal. En iedereen is het er over eens dat het anders moet. Maar hoe is niet zo duidelijk.

Preventie
Van belang is voorkomen dat mensen uit huis worden gezet. Preventie is een taak voor de wijkteams, maar die zijn overbelast en komen niet aan preventie toe. Een verbod op huisuitzettingen? Dat lijkt idealistisch, maar dat is het niet als je de kosten van rechtszaken en maatschappelijke opvang meerekent. Ik hoorde vorig jaar over een jeugdzorgaanbieder die voor een gezin met jonge kinderen dat dakloos dreigde te worden de schuld van dat gezin betaalt heeft. De hoogte van de schuld stond in geen verhouding met de kosten van de opvang van het gezin. 'Ja, straks gaat iedereen dat doen', is de tegenreactie. 'Straks betaalt niemand meer de huur. We moeten één lijn trekken.'


Zie je mij wel?

Eén lijn trekken? Dat is nou precies wat we niet moeten doen. Instellingen zijn gevangen in regels en protocollen en kijken niet meer naar de mens die voor hen staat. Zie je mij wel? is niet voor niks de titel van het theaterstuk. De oplossing is maatwerk. Medewerkers van organisaties moeten de ruimte krijgen om te doen wat nodig is. Samenwerking met andere organisaties en creatief denken, doorbraakprojecten opzetten en een potje reserveren voor uitzonderlijke situaties. Doen wat nodig is om mensen te helpen en er voor te zorgen dat het niet van kwaad tot erger wordt.

woensdag 22 juni 2016

Opgroeien met kleerscheuren: levensverhalen als input voor beleid



Voor een effectief jeugdbeleid is het nodig de verhalen te kennen van de jongeren waar het beleid zich op richt. Daarvoor is het belangrijk dat beleidsmakers in gesprek gaan met kinderen en jongeren en kennis nemen van de lastige situatie waarin sommige jongeren opgroeien.

Eind mei was ik op een expertmeeting georganiseerd door het ministerie van VWS over jeugdparticipatie in gemeenten. Op deze expertmeeting deed een onderzoeker van het Verwey-Jonker instituut verslag van de resultaten van een enquête onder gemeenten over jeugdparticipatie. Uit dit onderzoek blijkt dat gemeenten jeugdparticipatie structureel willen verankeren en op zoek zijn naar handvatten om dat te realiseren.
Op deze middag zijn ook een aantal ‘best practices’ gepresenteerd. De succescriteria zijn:
• in gesprek gaan met jongeren
• echt luisteren
• samenwerken met jongeren bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid

Cool
Om in gesprek te gaan met jongeren hoef je echt niet ‘cool’ te zijn, vertellen jongeren. Zolang je maar jezelf bent en je niet ‘hoger’ opstelt.
Een jongere vertelde me over een rondetafelgesprek met wethouders waar hij laatst aan deelgenomen had. Ter voorbereiding van het gesprek hadden de jongeren een aantal casussen beschreven om te bespreken. In het rondetafelgesprek zei een van de wethouders: ‘Met deze casus hebben jullie wel erg overdreven, dit soort dingen gebeurt gewoon niet’. ‘Nou’, zei het meisje dat naast de wethouder zat, ‘deze dingen gebeuren wel, het is namelijk mijn levensverhaal.’

Overlastgevende jongeren

Veel wethouders, beleidsmedewerkers, docenten, weten niet wat jongeren daadwerkelijk meemaken. Soms zien ze alleen het moeilijke gedrag. Ze spreken over ‘overlastgevende jongeren’ en kennen het verhaal erachter niet. Dat wil niet zeggen dat we jongeren niet mogen aanspreken op hun gedrag. Maar het helpt wel als je begrijpt waar dat gedrag vandaan komt. Het geeft inzicht in wat kan helpen en welk beleid effectief kan zijn.
Ik kan daarvoor aanbevelen het boek ‘Opgroeien met kleerscheuren‘* eens te lezen. Het is geschreven door Janny van Heerbeek (gedragswetenschapper) en Paul Vreeken (jeugdhulpverlener), beide werkzaam bij Stek Jeugdhulp voor het programma Time-4-You, een programma waarbij ambulante hulpverleners onderdeel uitmaken van de zorgstructuur van Mbo-scholen. In deze publicatie vertellen 25 jongeren hun verhaal. Verhalen over geweld, misbruik, pesten, vluchten uit een vreemd land, ziektes van henzelf of hun ouders, adoptie, jong moeder worden, verslavingen enzovoorts. Maar ook wat hen deed besluiten de toekomst in eigen hand te nemen en weer naar school te gaan of door te zetten en een diploma te halen.

Input voor beleid
Het is van belang om in gesprek te gaan met jongeren omdat, zoals een van de jongeren in de publicatie zo treffend zegt, ‘mensen worden gevormd door wat ze meemaken. Kijk dus ook naar hun geschiedenis voordat je iemand beoordeelt’. De verhalen maken duidelijk waar beleid zich op moet focussen. Zo blijkt bijvoorbeeld hoe belangrijk onderwijs is. De ervaringen van de jongeren onderstrepen de noodzaak om hulp en onderwijs te combineren om daarmee jongeren weer op de rit te krijgen. Daardoor leren betrokkenen het hele verhaal van de jongere kennen en alleen dan kan goede en passende scholing en begeleiding plaatsvinden.
Beleid dat samen met cliënten wordt gemaakt, op basis van de levensverhalen van jongeren, komt de kwaliteit van dat beleid ten goede. Het sluit aan op wat nodig is en niet alleen op wat men denkt dat nodig is.
Heb jij een goed voorbeeld hoe verhalen van jongeren beleid hebben beïnvloed?

*Zie:http://www.stekjeugdhulp.nl/nl/nieuws/2016/05/boekpresentatie-opgroeien/233

Deze blog is eerder gepubliceerd op Kennisnet Jeugd

donderdag 26 mei 2016

Samenwerken met kind en gezin. Is dat een gedurfde ambitie?


De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) publiceerde deze week haar advies Een gedurfde ambitie. Veelzijdig samenwerken met kind en gezin. Ik ben geschokt. Is samenwerken met gezinnen en kinderen een gedurfde ambitie?

Samenwerken gedurfd?

Is samenwerken met ouders en jongeren niet de basis van alle hulpverlening? Hoezo gedurfde ambitie? Hoe denken ze dan over hulpverlening? Dat hulpverleners tegen cliënten zeggen wat ze moeten doen, advies geven en dan hopen dat het wel goed komt?

Dialoog
De aanbevelingen van de Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving zijn de volgende:
1. Professionals moeten de doelen van hulp altijd vaststellen in dialoog met ouders en kinderen, ook als het gaat om dwangmaatregelen. Professionals moeten zich steeds opnieuw afvragen hoe ver ze gaan in hun interventies in het gezin en hoe ondersteunend of dwingend zij zich opstellen.
2. Professionals horen niet alleen hun vakinhoudelijk competenties te ontwikkelen, maar ook relationele en normatieve competenties. Ze moeten kunnen reflecteren op hun relatie met het gezin en zich blijven afvragen of zij de juiste hulpverlener zijn. Daarnaast is kunnen omgaan met morele dilemma's belangrijk.
3.Bestuurders en beleidsmakers moeten terughoudend zijn in het inperken van de ruimte van professionals om te experimenteren met vormen van samenwerking. Voor gemeenten betekent dat bijvoorbeeld dat ze bij de inkoop van hulp financiële ruimte laten voor innovatie.

Wat is nieuw?
Prima aanbevelingen, daar niet van. Maar is dit nieuw? We weten toch al lang dat een goede relatie tussen hulpverlener en cliënt het meest effectieve onderdeel van de hulp is, veel meer dan alle evidence - based technieken. Iedere hulpverlener zou dat inderdaad moeten weten. En als ze dat nog niet weten, is het diep tragisch. Ook bij gedwongen hulp is het belangrijk samen te werken met ouders en jongeren en te investeren in de relatie. Om samen met kijken naar oplossingen voor de problemen in het gezin. En natuurlijk moeten hulpverleners de ruimte krijgen om samen met cliënten op zoek te gaan naar creatieve oplossingen voor dit kind en dit gezin.

Geen uitdaging maar noodzaak
Het zijn niet zozeer de adviezen die me storen, maar de titel van het rapport. Samenwerken een gedurfde ambitie? Hoezo? Samenwerken is niet altijd makkelijk. Daarom is hulpverlenen ook een vak. Anders konden we ouders en jongeren wel een folder geven met een goed advies en een uitdraai van de regels waar ze zich aan moeten houden. Investeren in de relatie en samenwerken met kind en gezin is noodzaak en basis voor effectieve hulp.

dinsdag 10 mei 2016

1Gezin1plan


Eén gezin, één plan is het uitgangspunt in de nieuwe jeugdwet. Maar hoe werkt dat in de praktijk en wat is het verschil met het familiegroepsplan? De publicatie 1 gezin 1 plan van Arjan Bolt en Quirien van der Zijden biedt inzicht.

Onderscheid familiegroepsplan en 1 gezin 1 plan

In de jeugdwet wordt zowel over het familie groepsplan als over één gezin één plan gesproken. Met één gezin één plan wordt bedoeld, dat waar hulpverleners samenwerken, één overkoepelend plan moet worden gemaakt en niet meerdere plannen naast elkaar. 'Wanneer gezinnen problemen hebben op meerdere vlakken, zoals opgroei- en opvoedproblematiek, financiële problemen en problemen met werk en huisvesting, moet de jeugdhulp integraal worden verleend, met veel speelruimte voor de professional om casusgericht te werken op basis van het principe van één gezin, één plan, één regisseur,’ staat in de toelichting op de jeugdwet.
Met het familiegroepsplan wordt bedoeld dat gezinnen het recht hebben om eerst zelf met familie en vrienden een plan op te stellen. Het familiegroepsplan is een belangrijk instrument in de nieuwe Jeugdwet en een goede manier om de regie van cliënten te versterken. Het familiegroepsplan is dus iets anders dan één gezin één plan. Maar wie de publicatie 1 gezin 1 plan leest zal zien dat - als je het zo aanpakt als in dit boek beschreven is - dat ook een manier kan zijn om de regie van ouders en kinderen te versterken.

Gelijkwaardige samenwerkingspartners
1 gezin1Plan is een uitgewerkte werkwijze die de positie van jeugdigen en hun ouders versterkt. Cliënten worden gezien als gelijkwaardige samenwerkingspartners. De hulp moet zo georganiseerd worden dat het aansluit op de behoeften en capaciteiten van clienten. Veel professionals formuleren de doelen voor de hulp niet vanuit het perspectief van de gezinsleden, maar vanuit hun eigen perspectief. In de publicatie 1Gezin1Plan wordt beschreven hoe de samenwerking van een team professionals rond een gezin vorm kan krijgen. Ook worden vaardigheden, methoden en technieken beschreven die behulpzaam zijn als je als professional met gezinnen werkt.

Eigen kracht
In het bijzonder de methodiek om 'de eigen kracht' en het probleemoplossend vermogen van cliënten te doen toenemen wordt uitgewerkt. Naast dat ze laten zien hoe de hulpvraag van het gezin centraal staat in de hulp, laten ze ook zien hoe je een gezin ondersteunt om de oplossing zelf te ontdekken. Daardoor is het iets van hen en een sleutel tot succesvolle hulp. Niet alleen bepalen de gezinsleden de doelen, maar vinden ook zelf de antwoorden op de hulpvragen die ze zelf gesteld hebben.

Aanrader
Dat lijkt misschien niet reëel of weggelegd voor gezinnen met lichte problematiek, maar dat is het niet. Aan de hand van voorbeelden uit de praktijk en buitengewoon concreet en praktisch wordt beschreven hoe je de samenwerking met multi-problem gezinnen vorm kunt geven. Hoe je mensen kunt activeren om zelf aan de slag te gaan. Niet door belerende praatjes, maar door je te verdiepen in de samenwerkingsrelatie. Het feit dat iemand geen hulpvraag formuleert wil niet zeggen dat iemand geen hulp wil. Het is aan de hulpverlener om op zoek te gaan naar de juiste benadering voor dit gezin.
Deze publicatie is een aanrader voor iedereen die met gezinnen werkt.

dinsdag 26 april 2016

Organiseren vanuit cliëntperspectief: terug naar de bedoeling


De client staat centraal, zeggen veel organisaties. Maar is dat ook werkelijk zo? En organiseren vanuit cliëntperspectief, hoe doe je dat? Een collega raadde me het boek Verdraaide organisaties. Terug naar de bedoeling van Wouter Hart aan.

Buurtzorg

Waardegestuurd werken, ruimte voor vakmanschap, zelfregie terug in het werk (zie mijn blog van 6 januari), de vernieuwing hangt in de lucht. Steeds meer wordt duidelijk dat de huidige manier van organiseren niet werkt. Dat al die regels en protocollen en sturing van bovenaf contra-productief werken. Een mooi voorbeeld van een organisatie die het anders heeft aangepakt is Buurtzorg van Jos de Blok http://www.buurtzorgnederland.com/ een organisatie die enorme successen boekt met een klanttevredenheid van een 9 en werkgever van het jaar werd in de categorie organisaties van meer dan 1000 medewerkers met de hoogste score. Wat doen zij dan anders?

Werken vanuit de bedoeling
Het interessante van succesvolle ondernemingen is dat ze vanuit de bedoeling werken. De bedoeling, de waarde voor de klant is het kompas en dat wordt vertaald in leidende principes voor de organisatie. De systeemwereld met zijn regels en protocollen is daaraan ondersteunend. Dat klinkt logisch, maar in steeds meer zorgorganisaties zijn de regels en protocollen leidend geworden in plaats van de bedoeling van de organisatie: het helpen van cliënten. Het volgen van regels geeft veiligheid en de cliënt wordt uit het oog verloren. Belangrijk is dat medewerkers zich eigenaar voelen van de organisatie en niet uitvoerder van regels. Dat ze zelf de verantwoordelijkheid kunnen nemen om te doen wat de bedoeling is en denken vanuit de cliënt. De enige manier om dat te realiseren is de regie vanuit het cliëntenperspectief te laten plaatsvinden. Door de cliënt zelf, of door er - als de cliënt daartoe niet in staat is of dat niet wil - een professional aan te koppelen.

Leefwereld
Belangrijk is interesse in de leefwereld van de cliënt. Echt luisteren, echt kijken (vraaggericht werken) wat nodig is. M.a.w. het vergroten van interesse van de professional in de bedoeling en dus de cliënt. Hoe meer een medewerker zich laat leiden door de bedoeling van de organisatie - en zich betrokken voelt op de cliënt - hoe groter de kans dat hij de cliënt echt ziet zoals hij/zij is en daardoor goed kan helpen.

De professional
Belangrijk is dat de professional helder heeft wat de bedoeling van de organisatie is; zich kan vinden in de kaders en de kaders bekend zijn; en voldoende vrije ruimte heeft om dat te benutten. Dat betekent minder controle en meer sturing op hoofdlijnen. Dat betekent eigenaarschap, het werken aan een goede leerstrategie, het organiseren van onmiddellijke feedback, vertrouwen, afschaffen van tal van regels en overhouden van drie tot vijf afspraken waar iedereen zich echt aan moet houden. De rol van de leidinggevende wordt dan ook anders van controle naar beschermen van de professional tegen belemmerende factoren van buitenaf.

Wat is nu eigenlijk de bedoeling van onze organisatie?
Dat is de vraag die keer op keer gesteld moet worden. Is dit nuttig voor ons doel? Nee, dan schaffen we het af. Verdraaide organisaties is interessante publicatie die gebaseerd is op een eenvoudig en duidelijk principe. Iets wat eigenlijk heel logisch is, maar in de praktijk vaak met voeten getreden wordt. Dus stel die vraag als professional, als manager als bestuurder zodat we met elkaar ervoor zorgen dat we doen wat de bedoeling is: cliënten helpen op een manier die aansluit op wat deze ene unieke cliënt nodig heeft en dat organiseren op een manier die daar op aansluit.

donderdag 14 april 2016

Jong beginnen voor effectieve jeugdhulp


Op 5 april ben ik naar Assen afgereisd voor het symposium Onderzoek de jeugdhulp! georganiseerd door Accare. Op dit symposium werden inzichten uit onderzoek gepresenteerd die een bijdrage moeten leveren aan de effectieve jeugdhulp. Ik was benieuwd en werd niet teleurgesteld.

Braafheidsbevorderende medicatie
De inleiding van de dag werd gedaan door Pieter Hoekstra, kinderpsychiater en hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, die ons in vogelvlucht meenam door het onderzoeksprogramma dat Accare uitvoert. Zo vertelde hij bijvoorbeeld over de resultaten van ADHD onderzoek. Uit een dubbelblind onderzoek blijkt dat na 2 jaar medicatie voor ADHD niet meer effectief is. En dat terwijl veel kinderen langer dan 2 jaar medicatie krijgen en je je kunt afvragen of al die kinderen die de diagnose ADHD krijgen dat ook wel terecht krijgen. Volkskrant 11 april: ouders die door school onder druk gezet worden hun kind, lastpak in de klas, ritalin of andere braafheidsbevorderende medicatie te geven.
Pieter Hoekstra pleit dan ook bij ADHD naast -indien nodig- medicatie oudertraining te geven zodat ouders leren omgaan met het gedrag van hun kind.

Ouders en kinderen veranderen elkaar

Een heel interessant verhaal kwam van Maaike Nauta, GZ psychologg en cognitief gedragstherapeut, over hulp aan kinderen met angststoornissen. 10 - 15% van de kinderen heeft daar op zo'n manier last van dat het beperkingen geeft in het functioneren. Niet behandelen/negeren is een slechte keuze, want het leidt dit op de langere termijn tot depressies, sociale angst en/of middelengebruik. Bovendien zijn er programma's die effectief zijn bij 70% van de kinderen. Een voorbeeld van zo'n programma is de dappere kat (zie http://www.dapperekat-online.nl/ ) geschikt voor kinderen en jongeren van 8 tot 18 jaar. Verder doen ze onderzoek in hoeverre de behandeling wel of niet effectiever wordt als ouders betrokken worden bij de behandeling. Want idee is dat overbeschermende ouders misschien angstige kinderen krijgen. Wat blijkt: gezinsbehandeling is niet effectiever. Kindgerichte therapie is effectief , maar ouder therapie is net zo effectief. M.a.w. cognitieve therapie is effectief en het maakt niet uit of je de ouders of het kind behandeld, want ze veranderen elkaar.

Jeugdzorg is geen kostenpost, maar een opbrengstenpost

Een andere invalshoek werd belicht door Jochem Mierau, universitair hoofddocent aan de faculteit Economie en bedrijfskunde in Groningen. De vraag die voorlag was of zorg een goede investering is. Jochem doet onderzoek naar de economische gevolgen van gezondheid en andersom naar hoe gezondheid invloed heeft op de omgeving. Zo vertelde hij bijvoorbeeld dat als je succesvolle interventies wil doen, je dat bij voorkeur bij kinderen tussen de 0 en 6 jaar moet doen, dat heeft zeer positieve effecten en dat interventies bij 16+ weinig effectief zijn. Investeren in hulp aan gezinnen. Zoals bekend maakt armoede dat ouders minder gezonde keuzes maken. Dat is weer van invloed op de gezondheid van de kinderen op latere leeftijd. En bijvoorbeeld tienermoeders zijn vaak meisjes uit multi-problem gezinnen met lagere opleidingskansen. Door een interventie kan het levenslange traject veranderen. Als je vroeg begint en dat goed doet, beïnvloedt het het hele leven. Daarmee is de jeugdzorg geen kostenpost, maar een opbrengstenpost met grote maatschappelijke baten.

Depressie heeft een sterk erfelijke component
Tenslotte hield Robert Schoevers, hoogleraar en hoofd afdeling psychiatrie in het UMCG, een verhaal over depressie. 24% van de vrouwen en 13% van de mannen heeft er last van en als je het eenmaal gehad hebt is er 50% kans op terugval. Depressie heeft een heel sterke relatie met allerlei lichamelijke ziektes. Er is een sterke erfelijke component. Kinderen van ouders met angststoornissen en depressie krijgen hebben op hun 20e in 38% van de gevallen ook ook last van angsten en depressies en op hun 35e zelfs in 65% van de gevallen. 23 % van de jongeren meldt zich bij de GGZ met klachten. Risicofactoren zijn: vermoeidheid, hoog BMI, vrouw, moeder met depressie en (psychisch) afwezig ouders. Wanneer we in preventieve zin iets willen doen moeten we jong beginnen, klachten serieus nemen en risicofactoren kennen.


maandag 21 maart 2016

Het heeft invloed op alles. Lange termijngevolgen van een onveilige jeugd


Ieder kind heeft het recht om zijn mening te geven over alle zaken die het kind aangaan. Dit geldt ook voor kinderen die slachtoffer zijn geworden van kindermishandeling. Er moet serieus geluisterd worden naar de mening van het kind en hieraan dient passend belang te worden gehecht (artikel 12 Internationaal Verdrag Rechten van het Kind)

Langetermijngevolgen
Jaarlijks worden 119.000 kinderen mishandeld. Kinderen die mishandeld, misbruikt, verwaarloosd worden of getuige zijn van huiselijk geweld binnen het gezin kunnen daar op allerlei manieren last van krijgen. De stress verstoort de hersenontwikkeling wat kan leiden tot gedragsproblemen een vergrootte kans op gezondheidsproblemen zoals zelfmoordpogingen, alcohol- en drugsmisbruik, hartziektes etc. Ook herhaald slachtofferschap, dader worden en/of intergenerationele overdracht liggen op de loer. Alles bij elkaar voldoende reden voor een gedegen aanpak.

Verhalen van kinderen
In deze publicatie van het Kinderrechtencollectief, een coalitie die zich inzet voor betere naleving van de rechten van het kind in Nederland, vinden we verhalen van mishandelde, misbruikte en verwaarloosde kinderen met daarbij reacties van burgemeesters, wethouders en professionals . Dit boek geeft blijk van het feit dat niets krachtiger is dan het persoonlijke verhaal. Dat komt door de lessen die deze verhalen opleveren voor de praktijk.

Lessen voor de praktijk

De mishandelde kinderen zijn nu tussen de 17 en 26 jaar en vertellen:
- Kinderen onthouden en beseffen meer dan je denkt;
- Het meest pijnlijke is de omgeving die blind en doof is;
- Dat een uithuisplaatsing heel traumatisch kan zijn voor een kind, dat een kind loyaal is naar zijn ouders en dat je op zo’n moment moet uitleggen wat er gebeurt;
- Praten met het kind en niet over het kind;
- Het duurde jaren en vele meldingen van kindermishandeling voordat ik eindelijk gehoord ben en uit huis geplaatst werd.

Inspiratiebron
Naast de verhalen van kinderen reacties daarop, zijn foto’s opgenomen die de kinderen zelf hebben uitgezocht bij hun verhaal. Ook is informatie opgenomen over de langetermijngevolgen van kindermishandeling opgenomen en de rechten van kinderen zoals die zijn verwoord in het internationaal verdrag inzake de rechten van het kind. Er is nog veel werk te verzetten en dit boek kan een inspiratiebron zijn voor ambtenaren en bestuurders die jeugdbeleid vormgeven.

donderdag 10 maart 2016

Trauma-georiënteerd werken in de residentiële jeugdzorg


Veel kinderen en jongeren die in leefgroepen, pleeggezinnen en gezinshuizen wonen hebben gedragsproblemen ontwikkeld als gevolg van traumatische ervaringen. Herstellen van het trauma moet plaatsvinden in de directe leefomgeving van het kind. Belangrijk is dat de mensen die met getraumatiseerde kinderen werken de impact van het trauma en de tekenen van traumatische stress kennen en weten hoe ze daar op een goede manier op kunnen reageren. De publicatie trauma-georiënteerde hulp voor kinderen met complex trauma in gezinsvervangende woonsituaties biedt handvatten.


Complex trauma

Kinderen die verwaarloosd of mishandeld worden door hun eigen ouders kunnen getraumatiseerd worden. Met de stress die ze oplopen kunnen zij niet bij hen terecht. De ouders zijn immers de bron van stress. De problematiek waar deze kinderen mee te maken hebben wordt complex trauma genoemd. Kinderen die kampen met complex trauma kunnen vaak niet thuis blijven wonen. Dit kan te maken hebben met de situatie thuis, maar ook door de gedragsproblemen die kinderen hebben ontwikkeld.

Veiligheid
Juist in de dagelijkse leefomgeving kunnen jeugdzorgprofessionals veel betekenen voor het herstel en de ontwikkeling kinderen met complex trauma. Een belangrijke voorwaarde voor getraumatiseerde kinderen is om zo veel mogelijk invloed en controle uit te oefenen op hun omstandigheden. Het helpt als de betrokken jeugdzorgprofessional dit proces begrijpt en zich steeds realiseert dat het niet over hem of haar persoonlijk gaat, maar dat de conflicten te maken hebben met pijn uit het verleden. Het lastige daarbij is dat getraumatiseerde kinderen door hun gedragsproblemen vaak juist het tegenovergestelde oproepen, namelijk meer controle door mensen uit hun omgeving en vaak zelfs een bestraffende houding. Deze kinderen zijn vaak wantrouwend tegenover volwassenen en hun relatie bestaat uit aantrekken en afstoten. En dat terwijl juist meer controle geven aan het kind belangrijk is voor zijn of haar gevoel van veiligheid.

Trauma-georiënteerd werken
Trauma-georiënteerd werken betekent dat de jeugdzorgprofessional weet wat de gevolgen van complex trauma kunnen zijn; tekenen van traumatische stress bij kinderen kan herkennen; weet hoe hij of zij een leefklimaat kan scheppen ter ondersteuning van de verwerking van het trauma (trauma-sensitief opvoeden)en weet welke behandeling of begeleiding hij of zij zelf kan uitvoeren om het kind voor te bereiden op of te ondersteunen bij verwerken van het trauma.

Kennisdocument
In mijn vorige blog schreef ik over de Behandeling van getraumatiseerde kinderen: de jongen die opgroeide als hond*, een publicatie van kinderpsychiater Bruce Perry en zijn ervaringen in de behandeling van getraumatiseerde kinderen. Dat gaf al veel inzichten. Het kennisdocument trauma-georiënteerde hulp voor kinderen met complex trauma in gezinsvervangende woonsituaties* sluit hier op aan. Het biedt onmisbare informatie voor professionals en opvoeders die direct betrokken zijn bij de dagelijkse opvoeding van kinderen met gedragsproblemen die in een gezinsvervangende situatie wonen.


*http://www.nji.nl/nl/Trauma-georienteerde-hulp-voor-kinderen-met-complex-trauma-in-gezinsvervangende-woonsituaties
*http://marionwelling.blogspot.nl/2016/02/behandeling-van-getraumatiseerde.html

woensdag 24 februari 2016

Behandeling van getraumatiseerde kinderen: de jongen die opgroeide als hond


Via een collega hoorde ik over een nieuwe methode in het werken met getraumatiseerde kinderen het Neurosequential Model of Therapeutics ontwikkeld door Bruce Perry. Bruce Perry is zowel neuroloog als kinderpsychiater en combineerde beide perspectieven in zijn behandelaanpak. In het boek De jongen die opgroeide als hond en andere verhalen uit het dagboek van een kinderpsychiater beschrijft hij aan de hand van casuïstiek op toegankelijke wijze hoe hij deze aanpak ontwikkelde. Hoewel het boek al in 2007 in Nederland gepubliceerd is, had ik er nog niet van gehoord. Een gemis, want het boek is zo meeslepend geschreven dat je het in één keer uitleest en de inzichten van Perry zijn zeer de moeite waard om kennis van te nemen.

Lastig, onbegrijpelijk gedrag

Zo schrijft Perry over de behandeling van de 6-jarige Justin die als baby in het hok bij de honden werd gestopt, de 7-jarige Tina die seksueel misbruikt werd, de kinderen van de Branch Davidians sekte en tal van andere kinderen met heftige trauma’s. De kinderen vertonen stuk voor stuk lastig, onbegrijpelijk gedrag. Perry laat zien hoe trauma's de ontwikkeling van de hersenen beïnvloeden en welke consequenties dat heeft voor her gedrag dat kinderen vertonen. Hoewel niet alle gevallen van ADHD, hyperactiviteit en oppositioneel opstandige stoornissen trauma gerelateerd zijn, zijn volgens Perry de symptomen die tot deze diagnoses leiden vaker trauma gerelateerd dan we tot nog toe hebben durven vermoeden.

Indrukken in de hersenen
Verwaarlozing, mishandeling, misbruik laat sporen na in de hersenen. Kinderen hebben gezonde aanrakingen nodig hebben en baby’s kunnen zelfs doodgaan als ze niet worden aangeraakt. Trauma’s maken letterlijk indrukken op de hersenen die een leven lang blijven zitten.
Maar het brein kan in positieve zin veranderen door herhaalde stimulering van hersengebieden. Slachtoffers hebben behoefte aan ervaringen - zoals gewiegd en vastgehouden worden - die horen bij de leeftijd waarop de schade is ontstaan en niet bij hun chronologische leeftijd. Deze op ontwikkeling toegespitste verrijking en therapeutische ervaringen (=neuro sequentiële benadering) moet op vaste momenten herhaald worden op een respectvolle en zorgzame manier. Dwang, straf en hardhandigheid zou dingen maar erger maken. Ook muziek, dans en massage kan de lagere hersengebieden stimuleren en organiseren.

Gezonde relaties
Hoe gezonder de relaties van het kind, hoe groter de kans dat hij van het trauma kan genezen en gedijen. Relaties zijn instrumenten van verandering en volgens Perry is de beste therapie de menselijke liefde. (Pleeg)ouders kunnen – naast professionals - een belangrijke rol spelen in de behandeling. Beschadigde en getraumatiseerde kinderen hebben positieve gezonde menselijke ervaringen nodig om te kunnen herstellen. Als professional kun je voor ieder kind en iedere volwassene die in zijn of haar jeugd verwaarloosd of mishandeld is, iets betekenen.

Luisteren naar het kind
Verder hebben getraumatiseerde kinderen - naast stabiele relaties die hen steunen - behoefte aan voorspelbaarheid, routine, een gevoel van controle. Ook is het niet zo dat trauma's moeten worden besproken om te genezen. Alleen wanneer ze zich opdringen kan het volgens Perry enorm helpen om ze te bespreken en te begrijpen hoe ze ons gedrag beïnvloeden zonder dat we het weten. Voor kinderen die in het heden geen last hebben van hun herinneringen kan het schadelijk zijn om onder druk gezet te worden om zich op hun herinneringen te concentreren. Tenslotte adviseert Perry professionals toch vooral hun intuïtie volgen en altijd blijven luisteren naar het kind. Wat andere therapeuten en officiële verslagen ook over het kind zeggen.

maandag 8 februari 2016

Advies van cliënten over dossiers in de jeugdhulp


Van ieder kind dat jeugdhulp krijgt wordt een dossier gemaakt waarin gegevens worden vastgelegd. Jongeren en ouders met ervaring in de jeugdhulp – leden van de cliëntentafel jeugd van LOC en van het JeugdWelzijnsBeraad - vinden dat er nog veel te verbeteren valt.

Recht op inzage
Veel cliënten - zowel ouders als jongeren- weten niet dat ze recht hebben op inzage in het dossier en dat ze er iets aan toe kunnen voegen als ze het er niet mee eens zijn. Professionals reageren soms terughoudend als cliënten hun dossier willen zien en kennen de regels over inzage in de dossiers niet. (Zie: Stelselwijziging Jeugd Factsheet. De gegevens van uw kind vastgelegd: het dossier)

Afschermen informatie
Het feit dat ouders of kinderen het recht hebben op inzage in het dossier, wil niet zeggen dat ze alle gegevens mogen inzien. De instelling die het dossier beheert moet er voor zorgen dat privacy gevoelige informatie (over bijvoorbeeld de ex-partner) wordt afgeschermd. Toch wordt dat vaak vergeten. Cliënten vinden het belangrijk dat beter opgelet wordt welke informatie gedeeld wordt. Zo vertelt een vader dat zijn zoon van 13 inzage kreeg in het dossier en daar ook alles over de problemen van de ouders kon lezen of een meisje van 15 jaar dat problemen kreeg met haar ouders nadat die in het dossier hadden gelezen dat ze ‘aan de pil ‘ was.

Hulpverleningsplan
Het belangrijkste document in het dossier is het hulpverleningsplan. Het hulpverleningsplan is ter ondersteuning van de hulpverlening en een belangrijk middel voor de samenwerking tussen hulpverlener en cliënt. Toch zijn veel cliënten ontevreden over de inhoud van de hulpverleningsplannen.

Ellendige voorgeschiedenis
Waar cliënten vooral moeite mee hebben is dat veel hulpverleningsplannen beginnen met de voorgeschiedenis. En dat dat in elk nieuw plan weer herhaald wordt. Cliënten willen niet keer op keer mee geconfronteerd worden met die ellendige scheiding van 10 jaar geleden of die moeilijke geboorte. Ze willen aandacht voor de toekomst. Hoe is de situatie nu en hoe gaan we er voor zorgen dat het beter gaat? Zorgen mogen wel beschreven worden, maar dan liefst concreet en hoe we er aan gaan werken om dat te veranderen.

Fouten in het dossier
Ook staan er soms fouten in het dossier en het blijkt in praktijk bijzonder lastig als iets niet klopt om dat eruit te krijgen. Cliënten wordt meestal wel gevraagd om het hulpverleningsplan te ondertekenen. Als ik het er niet mee eens ben, teken ik alleen voor gezien, zegt een cliënt. Maar cliënten hebben het recht om schriftelijk om een aanpassing te vragen als feiten niet kloppen en de mogelijkheid om het eigen standpunt te laten toevoegen als ze het er niet mee eens zijn. Iets wat veel cliënten niet weten.

Begrijpelijk plan
Cliënten vinden het belangrijk dat er geen moeilijke woorden in het hulpverleningsplan staan, dat ze begrijpen waar het over gaat. Het beste werkt het als de hulpverlener samen met de ouder of de jongere het plan opstelt. Dat de cliënt en de hulpverlener samen kijken hoe is de situatie? Wat is er aan de hand? Wat speelt er op dit moment? De hulpverleningsgeschiedenis is niet belangrijk. Kijken naar positieve en beschermende factoren wel. Wat is de hulpvraag en wat is het perspectief waar naar toe gewerkt wordt? Wat zijn haalbare en realistische doelen, op welke manier gaan we daar aan werken en wie is verantwoordelijk voor wat? Welke afspraken maken we en hoe houden we contact over hoe het gaat?
Of zoals een ouder zegt: Dat je samen met de hulpverlener kijkt: wat is er aan de hand ? Dat je kunt zeggen wat goed gaat en wat beter kan. Dat je kunt vertellen wat de hulp is die je voor je kind wil. Dat je het gevoel hebt dat je samen met de neus de zelfde kant op staat.

Gedwongen hulp
Soms wordt gedacht dat je bij gedwongen hulp niet hoeft samen te werken met ouders en jongeren. Maar ook bij dan is het belangrijk dat je hetzelfde doel hebt . Dat de hulpverlener het - als het nodig is - nog een keer uitlegt waarom die maatregel nodig is. Dat het niet anders kon. Dat de hulpverlener ook oog heeft voor de moeilijke situatie van de jongere en de pijn van de ouder. Want alleen door samen te werken met cliënten, samen doelen te stellen van de hulp en de manier waarop je daar aan gaat werken, kan de hulp effectief zijn. Want als je de ouders of die jongere niet meekrijgt gaat het niet werken.

Wie heeft goede voorbeelden van organisaties in de jeugdhulp die samen met ouders en/of jongeren hulpverleningsplannen opstellen?

dinsdag 26 januari 2016

Liefde zonder vlinders



Vanaf vandaag is er een hulplijn voor slachtoffers van seksueel geweld die 24 uur per dag bereikbaar is. Op 0800-0188 neemt de meldkamer van het Centrum Seksueel Geweld de telefoon op en brengt het slachtoffer in contact met het dichtstbijzijnde centrum (Volkskrant 26 januari 2016). Een stap vooruit bij de aanpak van seksueel geweld.

21 weken
In het boek liefde zonder vlinders pleit Merel van Groningen er voor contact op te nemen met een Centrum voor Seksueel Geweld als je verkracht of aangerand bent. Uit onderzoek onder 323 meisjes tussen de 12 en 25 jaar die zich na een eenmalige verkrachting bij het UMC Utrecht meldde, blijkt dat het gemiddeld 21 weken duurt voor ze voor het eerst over deze ervaring praten. Het vaakst doen ze dat met een vriend(in). Slachtoffers die binnen een week er over durven te praten (59% van het totaal) gaan twee tot 3 keer vaker naar de politie of de dokter. Degenen die langer dan een week nodig hebben, bleken vaak jonge pubers die door een bekende waren verkracht.

Liefde zonder vlinders
Merel weet waar ze het over heeft, zelf was ze slachtoffer van een loverboy. Nu geeft ze voorlichting op scholen en hoort daar talloze schrijnende verhalen. In haar boek lees je de verhalen van slachtoffers van seksueel misbruik, eerwraak, loverboys, ruilseks om pesten te voorkomen, sexting, jongensprostitutie, verkrachtingen door foute vriendjes enz. Overeenkomst in alle verhalen is de schaamte, het schuldgevoel van slachtoffers en het idee dat alleen 'domme' meisjes zoiets overkomt. Ook zie je hoe ouders vaak niet in staat zijn bescherming te bieden omdat slachtoffers uit angst of schaamte liegen, ouders uit wanhoop strenger worden, niet in gesprek gaan, daardoor meer afstand creëren, het slachtoffer zich niet begrepen voelt en precies doet waar ouders zo bang voor zijn.

Voor ouders en jongeren

Door de toegankelijke manier waarop het boek is geschreven is het een aanrader voor ouders en voor jongeren. Want naast de verhalen en de visie van Merel, komen ook de politie, hulpverlening, school, voorzitter van de commissie aanpak meisjesslachtoffers/ mensenhandel en een kamerlid aan het woord.

Communicatie
Het belangrijkste advies uit het boek is communicatie. Voor slachtoffers: praat erover, zoek contact met iemand die je kan helpen. Voor ouders geldt hetzelfde, maar praat ook met je kinderen over seks, waar zijn ze mee bezig, wat doen ze op internet? En dan niet alleen verbieden, want dan eindigt het gesprek, toon interesse, laat zien dat je er ook bent als het moeilijk is of als ze iets doms gedaan hebben. Want wie heeft er nog nooit iets doms gedaan? En dan is het fijn als je ouders er toch voor je zijn.


woensdag 6 januari 2016

Zelfregie van cliënten en van professionals



Met de transitie van de Awbz naar Wmo, de Participatiewet en de transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten zijn organisaties op zoek naar nieuwe manieren van werken. Het gaat niet alleen om de transitie, maar vooral om de transformatie van de zorg.

Doel transitie
De stelselwijzigingen zijn erop gericht dat (www.Movisie.nl)
- mensen sneller geholpen worden bij hun zorg- of ondersteuningsvragen;
- mensen zorg en ondersteuning krijgen die zo nauw mogelijk aansluit op hun persoonlijke (thuis)situatie, mogelijkheden en netwerk;
- mensen die anderen zorg of hulp (willen) bieden, daarvoor alle ruimte en steun krijgen;
- de omvang en de kosten van de verzorgingsstaat beperkt worden.
Dat vraagt om een andere manier van organiseren. Geen hiërarchie, bureaucratie, strakke protocollering; maar anders denken over professionaliteit en aansturing van organisaties. Daarbij is zelfregie een belangrijk vernieuwend thema, zowel voor cliënten als professionals. Dat zien we bijvoorbeeld terug in zelfsturende teams, de Eigen Kracht Beweging, zelforganisaties van burgers en cliënten en initiatieven zoals als buurtzorg, broodfondsen.

Zelfregie terug in het werk
Op 15 oktober nam ik deel aan het ochtendsymposium Verandering en bezieling in tijden van transities dat georganiseerd werd in het kader van de publicatie Zelfregie terug in het werk. geschreven door Gerard Donkers in samenwerking met Ineke Gualthérie van Weezel, Nelly Labrie en Ans Spexgoor. Ik was benieuwd naar de publicatie en wat zij te vertellen hadden.
De maatschappelijke ontwikkelingen en de toegenomen complexiteit van de samenleving stellen ons voor nieuwe opgaven. Wat nodig is, is een andere opvatting van professionaliteit: vraaggericht, activerend, ondersteunen en faciliteren van het vermogen van cliënten om te veranderen, verleiden tot zelfsturen, participatie en co-creatie.
Maar in de praktijk zien we onteigening van zelfregie door uniforme systemen, standaard procedures en de nadruk op evidence based werken, terwijl tegelijkertijd wel meer zelfredzaamheid en actieve inzet van cliënten verwacht.

De professional en de cliënt als veranderkundige

We moeten op zoek naar een benadering die recht doet aan de zelfregie van mensen en aan de complexiteit van mens en samenleving. Donkers pleit voor een model van organiseren waarin rekening wordt gehouden met gedrag, persoon en omgeving. Dit is in de publicatie uitgewerkt in de 9 basiscompetenties en basiscondities van zelforganiseren (voor zowel professionals als cliënten). Belangrijk punt daarin is dat veranderen niet alleen top-down gaat maar ook van onderop op een manier van samen denken en samen ontwikkelen. De professional en de cliënt als veranderkundige. Zelfregie vraagt daarom om een vraaggerichte, dialogische benadering.

Zelfsturende teams

Met ontslaan van het management en gaan werken met zelfsturende teams ben je er nog niet. Teams hebben niet zozeer behoefte aan hiërarchische aansturing, iemand die het beter weet, maar wel aan ondersteuning, facilitering, coaching,iemand die kritische vragen stelt, dialoog en reflectie.
Daarbij is het van belang doel georiënteerd te werk te gaan, maar niet via een vooraf sterk gestructureerde en gefaseerde aanpak. Zorg ervoor dat het algemene hoofddoel duidelijk is maar wees soepel in de weg hoe je het wil bereiken. Doelgericht werken is dus geen lineair en blind op je doel afgaan, maar een persoon en context gerelateerd handelen dat zich via omwegen voltrekt in goede afstemming met personen en omgeving.

Wijkteams
Denk bijvoorbeeld aan de wijkteams. Toetsing van de doelmatigheid van het handelen van de wijkteams vraagt om een evaluatie waar gekeken wordt naar gedrag en de persoon van professionals, cliënten, de context van het wijkteam en de wijksituatie in relatie tot de activiteiten van het wijkteam. Kwalitatief onderzoek is daarvoor nodig.

Vraaggerichte, dialogische benadering
De publicatie 'Zelfregie in het werk' is niet iets waar je makkelijk een recht toe rechtaan samenvatting kunt geven. Daarvoor is het te complex, Donkers snijdt zoveel verschillende aspecten van het thema zelfregie aan, bespreekt tal van theorieën en wetenschappelijk inzichten en haalt een veelheid aan deskundigen aan. Wat ik vooral sterk vind is dat het zowel over organiseren als over hulpverlenen gaat en dat hij die twee concepten met elkaar verbindt, dat hij duidelijk maakt dat cliënten en professionals ook sturen, dat zowel gedrag, persoon als omgeving van invloed zijn op veranderen en dat het belangrijk is doelgericht te werken, maar vooral flexibel te blijven in de weg daar naar toe en dat op een vraaggerichte dialogische manier met cliënten en professionals vorm te geven.
Dat geeft inspiratie voor de transformatie. Wie nog meer?

donderdag 10 december 2015

Jongeren en seksualiteit op sociale media: plezier of gevaar?


De afgelopen maanden nam ik deel aan een aantal bijeenkomsten waar het onderwerp jongeren en seksualiteit en sociale media aan de orde was. Het is een 'hot' item, want hoe moeten hulpverleners en ouders daar op reageren? Er zijn verschillende perspectieven.

Spannend en leuk
Op de studiemiddag die we organiseerden voor uitvoerders van de organisaties van Jeugd en Opvoedhulp en Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond op 13 oktober jl. gaf Marijke Naezer, promovendus bij het Institute for Gender Studies, een workshop over jongeren en seksualiteit op sociale media. Volwassenen maken zich daar zorgen over, maar weten eigenlijk niet goed wat jongeren precies doen- en waarom. Voor haar onderzoek sprak Marijke tal van jongeren tussen de 12 en 18 jaar. Marijke kwam tot de conclusie dat jongeren sociale media gebruiken om vorm te geven aan seksualiteit. Seksualiteit staat voor hen voor plezier en avontuur, liefde, leerprocessen, en het vormgeven aan een seksueel zelf. Dit alles wil niet zeggen dat jongeren geen gevaren zien, maar het is belangrijk dat we weten waar de gevaren zitten. Veel jongeren weten heel goed wat ze doen, zijn zich bewust van de gevaren, bouwen veiligheid in maar misschien is het ook wel leuker omdat het spannend is. Zoals in het voorbeeld dat Marijke aanhaalde over hoe een groep vriendinnen een 'pedo' uit de tent lokte, stiekem opnam en het filmpje op YouTube zette. Je hoort in het filmpje de meiden gieren van het lachen. En een ander voorbeeld dat Marijke gaf van twee jongeren die elkaar leerden kennen via een chatlokaal en na een langdurige kennismaking - waarbij ze steeds meer van zichzelf lieten zien en ook checkten of de ander was wie hij zei te zijn - nu een fijne relatie hebben.

Sexting
Maar er is ook een andere kant van het verhaal. Op de regiodag aanpak seksueel geweld in Rotterdam op 26 november jl. werd die kant belicht door Fier expertise- en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Zij gingen in op sexting, het online versturen van seksueel getinte filmpjes. Uit onderzoek blijkt dat 1 op de 5 jongeren wel eens een naaktfoto van zichzelf heeft gemaakt. Het past in het normale experimenteer gedrag van jongeren om dit soort dingen te doen, alleen de consequenties kunnen met name voor meisjes verregaand zijn, want van meisjes lekken de meeste filmpjes/foto's uit. Twee derde van de meisjes die zo’n filmpje of foto maken, delen dat met hun vriendje. Deze worden later als het uit is, doorgestuurd en kunnen overal terecht komen. Ook kunnen de beelden worden gebruikt om jongeren druk te zetten, afhankelijk te maken (grooming) of af te persen (sextorsion). Sexting heeft verregaande consequenties voor het slachtoffer, want de beelden gaan nooit meer weg. Nu ligt alle nadruk op hoe dom het is een naaktfilmpje of foto te maken en daarmee krijgt het slachtoffer de schuld. Maar het probleem ligt natuurlijk bij degene die de beelden verspreidt. Het bezitten en verspreiden van seksueel getint materiaal van minderjarigen is strafbaar en valt onder kinderporno.

Plezier en gevaar
De combinatie van seksualiteit en sociale media kan een hoop plezier opleveren, maar er is ook gevaar. Het is van belang dat we weten waar de gevaren zitten, te stoppen met het beschuldigen van de slachtoffers van sexting (eigen schuld, je weet toch dat je dat niet moet doen) en aan jongeren duidelijk maken dat het verspreiden van die beelden geen grapje is, immense consequenties heeft voor slachtoffers en bovendien strafbaar.
Maar daarnaast is het vooral belangrijk goed naar jongeren te luisteren, ze serieus te nemen, kritisch te blijven en in gesprek te gaan, zo dat we zicht hebben waar ze mee bezig zijn, ruimte bieden voor seksuele ontwikkeling en het gevaar beperken.