donderdag 13 juni 2019

Cliëntenparticipatie, hoe regel je dat en waar moet je op letten?

Afbeelding van engin akyurt via Pixabay


Veel organisaties in de zorg worstelen met het goed organiseren van clientenparticipatie. Want hoe pak je dat nou aan? En waar moet je op letten als je het goed wil organiseren?

CLEAR model

Van een promovenda die onderzoek doet naar participatie kreeg ik het artikel vanDiagnosing and Remedying the Failings of Official Participation Schemes: The CLEAR Framework (Lowndes, L., Pratchett, L. & Stoker, G. (2006) Policy and Society, 5, p. 281-291) een op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd diagnostisch hulpmiddel om cliëntenparticipatie te beoordelen en maatregelen op het spoor te komen die kunnen worden genomen om problemen aan te pakken: het zogenaamde CLEAR model. Uit onderzoek blijkt dat participatie het effectiefst is als ze voldoet aan aantal voorwaarden.

Voorwaarden voor effectieve participatie
C Can do: Kunnen – dat wil zeggen dat ouders en jongeren de middelen en kennis hebben om deel te nemen. Of dat de mogelijkheid wordt geboden om vaardigheden om te participeren (vergaderen, spreken in het openbaar, schrijven enz.) te verwerven.
L Like to: Houden van – dat wil zeggen dat als ouders en jongeren een gevoel van betrokkenheid bij het onderwerp en de organisatie ervaren, ze zich onderdeel voelen van iets groters en eerder zullen participeren;
E Enabled to: Mogelijk gemaakt – dat wil zeggen dat ouders en jongeren de kans krijgen om deel te nemen, dat er voorzieningen zijn die participatie mogelijk maken en dat deelname wordt ondersteund;
A Asked to: Gevraagd om – dat wil zeggen dat ouders en jongeren worden uitgenodigd door de jeugdhulporganisatie, de gemeente of andere cliënten om te participeren;
R Responded to: Gereageerd op – dat wil zeggen dat er naar ouders en jongeren geluisterd wordt en op hen gereageerd wordt. Daarbij hoeft men het niet altijd eens te zijn met ouders en jongeren. Het gaat erom dat duidelijk is dat hun mening serieus wordt genomen en hun standpunten in overweging genomen.

Het CLEAR-model biedt jeugdhulporganisaties en gemeenten een snelle onderzoeksmethode waarmee de sterke en de zwakke punten van de bestaande participatie- infrastructuur in kaart gebracht kunnen worden en verbeterpunten geïdentificeerd.

Meer lezen?
Welling, M. (2018) Cliënt centraal in de jeugdhulp, BOOM Amsterdam
Inkijkexemplaar: https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-7395_Client-centraal-in-de-jeugdhulp

dinsdag 28 mei 2019

Wat helpt het jou? Over zelfbeschadiging van jongeren

Afbeelding van Free-Photos via Pixabay

Op 23 mei nam ik deel aan de Van Krevelenlezing en woonde daar een presentatie bij over zelfbeschadiging van jongeren. De prestatie werd gegeven door Nicky Verduyn en Kirsten Hauber, een ervaringswerker en een behandelaar/ onderzoeker bij Youz.

Het komt vaak voor, maar niet meer dan vroeger
Zelfbeschadiging komt regelmatig voor bij jongeren in de jeugdhulp. In de lezing ging het specifiek over zelfbeschadiging zonder de intentie om suïcide te plegen. Hoewel het meer onder de aandacht is de afgelopen jaren, komt zelfbeschadiging niet vaker voor dan vroeger. Dat wil niet zeggen dat het weinig voorkomt. In 2011 werden de directe medische kosten ervan geschat op 60 miljoen euro.

Aandachttrekkerij?
Het idee bestaat dat jongeren zichzelf vooral beschadigen om aandacht te trekken. Uit onderzoek blijkt dat het anders ligt. Zelfbeschadiging kent 6 doelen in volgorde van voorkomen:
1. Emotieregulatie
2. Zelfbestraffing
3. Anderen beïnvloeden
4. Anti dissociatie
5. Anti suïcide
6. Spanning zoeken

Negatieve copingstijl
Met name emotieregulatie is een belangrijke reden voor jongeren om zichzelf te beschadigen. Het beschadigen helpt om de emoties die hen overspoelen te dempen. Ervaringsdeskundige Nicky zag zelfbeschadiging als een vorm van verslaving. Het hielp haar haar boosheid te reguleren. Uit onderzoek blijkt dat jongeren die zichzelf beschadigen een negatieve copingsstijl hebben en zichzelf overal de schuld van geven.

Het cliëntenperspectief
Zelfbeschadiging is een onderwerp dat boosheid en machteloosheid op kan roepen bij professionals. Afkeuren of bestraffen van jongeren die dit gedrag vertonen gaat echter niet helpen. Het gaat erom om het perspectief van de jongeren op het probleem en op de oplossing te achterhalen. Als je jongeren die zichzelf beschadigen wilt helpen is het van belang erachter te komen wat de functie ervan is. Het is belangrijk het gesprek aan te gaan en open vragen te stellen met een niet veroordelende en neutrale houding. Als je met de jongeren kunt uitzoeken welk functie dat heeft in zijn/ haar leven, wat het effect is op zijn of haar leven, de voor- en nadelen, dan kun je samen kijken wat zou helpen om er mee te stoppen.

Mentaliseren
Belangrijk is dat deze jongeren leren mentaliseren, het gedrag van zichzelf en anderen leren begrijpen en verklaren vanuit achterliggende gevoelens, gedachten en motivatie. En daarnaast leren positief te herlabelen van gebeurtenissen en te focussen op andere zaken. Voor ervaringsdeskundige Nicky werkt het goed om haar emoties te reguleren door te schrijven, door zichzelf toe te staan ongenuanceerd alle boosheid op papier te zetten en daardoor letterlijk van zich af te schrijven.


Meer lezen?
Welling, M. (2018) Cliënt centraal in de jeugdhulp, BOOM Amsterdam
Inkijkexemplaar: https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-7395_Client-centraal-in-de-jeugdhulp

donderdag 16 mei 2019

Wat weten we over Jeugdzorg plus?


In 2017 werden 2710 jongeren opgenomen in een JeugdzorgPlus voorziening / gesloten jeugdzorg, de meest intensieve vorm van jeugdhulp. Het gaat om jongeren met ernstige gedragsproblemen die zonder behandeling een risico voor zichzelf of de omgeving vormen. Om hulp te kunnen bieden en onttrekking aan de zorg te voorkomen mag JeugdzorgPlus beperkende maatregelen toepassen. Maar wat weten we eigenlijk van de effectiviteit van deze vorm van hulp?

Jeugdzorg met een plus
Door Biblion kreeg ik de publicatie Jeugdzorg met een plus toegestuurd om te recenseren. De publicatie is geschreven door Coen Dresen en Lieke van Domburgh, beiden betrokken bij de jeugdzorg plus. Zij geven een overzicht van de kenmerken van jongeren die worden opgenomen, de werkzame factoren en de inbedding van JeugdzorgPlus in het zorglandschap. Ook wordt beschreven op welke terreinen er nog kennis ontbreekt om deze jongeren effectief te helpen. De tekst is geïllustreerd met casuïstiek.

Wat we wel en nog niet weten over de meest intensieve vorm van jeugdhulp
In de publicatie wordt duidelijk dat de effectiviteit van opname afhankelijk is van een aantal factoren: zorgvuldige besluitvorming bij opname; een veilig en positief leefklimaat op de leefgroep; individuele interventies gericht op de jeugdige èn op het gezin; methodisch groepswerk waarbij de nadruk ligt op fasering, positieve bekrachtiging en shared-decision making; onderwijs en zeker ook vervolgzorg.
Van deze effectieve factoren is zeker niet altijd sprake volgens ervaringsdeskundigen en ook separatie komt regelmatig voor in de jeugdzorg plus. Separatie is schadelijk en traumatisch blijkt uit onderzoek, en het maakt jongeren vaak zieker in plaats van beter. Hoe vaak het voorkomt weten we niet, want dat wordt niet bijgehouden en daardoor heeft de inspectie er ook geen zicht op.

Sluit depressieve kinderen niet op maar geef ze liefde
Dit zegt Jason Bhugwandass (21) ervaringsdeskundige in een artikel in de Volkskrant van 8 februari jl. die zelf ook te maken heeft gehad met de gesloten jeugdzorg. Hij wordt hierbij ondersteund door onderzoek. ‘Repressie veroorzaakt stress bij zowel jongeren als medewerkers, leidt vaak tot meer probleemgedrag en belemmert de effectiviteit van de behandeling’, stelt Sophie de Valk in haar proefschrift Under Pressure – Repression in Residential Youth Care.

Actieplan voor betere zorg kwetsbare jongeren
De oproep van Bhugwandass kreeg gehoor en inmiddels is er een actieplan met als doel: geen gedwongen afzondering meer, een preventieplan tegen zelfdoding en minder onnodige verplaatsingen van kwetsbare jongeren. Met deze en andere maatregelen moet de gesloten jeugdhulp flink verbeteren, stellen de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in een actieplan.

Ervaringsdeskundigen
Een nieuw plan, oké, maar wat opvalt in positieve zin, is dat niet alleen professionals maar ook ervaringsdeskundigen aan de slag gaan om voor 1 oktober 2019 een gezamenlijk beeld van een positief leef-, leer- en werkklimaat formuleren. Dat is nog eens een goede actie, want wie weet beter dan jongeren die het zelf hebben meegemaakt wat goed gaat werken? Wat hen heeft geholpen hun leven op de rit te krijgen en wat niet? Ik kijk er naar uit, want zeker zo'n ingrijpende vorm van hulp moet toch een beter effect hebben dan niets doen.


Meer lezen?
Welling, M. (2018) Cliënt centraal in de jeugdhulp, BOOM Amsterdam
Inkijkexemplaar: https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-7395_Client-centraal-in-de-jeugdhulp

donderdag 2 mei 2019

Waar gaat het goed gaat in de jeugdhulp?


Problemen in de jeugdzorg zijn onverminderd groot
Er is nauwelijks verbetering in de zorg voor kinderen. Ze staan lang op wachtlijsten als ze acute zorg nodig hebben en zitten onverminderd thuis omdat er geen goede plek op school is. Dat constateert kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer (AD 26 maart 2019). Met de decentralisatie van de jeugdhulp is de zorg voor ouders en kinderen ingrijpend veranderd. Nu - bijna 3 ½ jaar na de transitie - is het stof nog niet neergedaald en lijken de problemen zich op te stapelen.

Ouders en kinderen steeds meer uit beeld
Het idee dat met de decentralisatie van de jeugdhulp alles beter zou gaan, blijkt niet te kloppen. En eigenlijk wist iedereen dat ook van te voren. Zo'n grote verandering gaat niet vanzelf en het kost tijd en geld om dat goed te organiseren. Geld dat er niet was, de transitie ging gepaard met forse bezuinigingen. Alle aandacht is gegaan naar de inrichting van het systeem en ouders en kinderen steeds meer uit beeld zijn geraakt.

Een nieuwe visie
Wat nu? Hoe transformeer je de jeugdhulp naar effectieve hulp voor ouders en kinderen die dat nodig hebben? De neiging is om te roepen om een nieuwe visie. Maar het probleem is niet de visie. De visie in de Jeugdwet: 1 gezin, 1 plan; ruimte voor de professional, hulp op maat etc. Prima visie, niks aan doen. Het gaat om de uitvoering van de hulp. Daar gaat het mis. Er zijn regels en protocollen, verantwoordingssystemen en dat alles maakt dat hulpverleners en cliënten niet de mogelijkheid hebben om samen te kijken wat er aan de hand is en wat nodig. Want voor goede hulp draait het daar om. We moeten op zoek naar goede voorbeelden. Voorbeelden van waar het wel goed gaat.

Transformeren kun je leren
Mooi werk ontstaat niet in beleidsplannen, maar in het werk zelf, zei Hans Vermaak op de bijeenkomst Transformeren kun je leren op 8 april jl. Veranderen gaan meestal formeel en van bovenaf, maar als je echt wil transformeren is het belangrijker om voorwaarden te scheppen. Want als je professionals spreekt die goed resultaat hebben geboekt in complexe casussen hoor je termen als 'gewoon'. Luisteren naar cliënten, aanpakken wat als eerste nodig is, collega's bellen om zaken te regelen en je niet gek laten maken dor regels protocollen en procedures. Dus wat volgens Vermaak nodig is dat we niet van ‘bovenaf’ doelstellingen bedenken en dicht timmeren, maar beginnen vanuit het werk en nieuwsgierig samen met professionals ontdekken waar het goed gaat, waar het beter kan en welke doelstellingen en acties daarbij horen. Waarbij de volgende vragen steeds centraal staan: ‘Doen we de dingen goed’ en ‘doen we de ‘goede’ dingen’?



Meer lezen?
Welling, M. (2018) Cliënt centraal in de jeugdhulp, BOOM Amsterdam
Inkijkexemplaar: https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-7395_Client-centraal-in-de-jeugdhulp

woensdag 10 april 2019

Wat is er met je gebeurd?



Deze vraag moeten we veel vaker stellen aan jongeren die met jeugdzorg te maken hebben. Op 4 april was ik op het symposium Vanuit samenwerking naar nieuwe perspectieven, georganiseerd door Ambiq en nam ik deel aan een aantal interessante masterclasses.

Het is geen gebroken been
De problemen van jongeren die met jeugdzorg mee te maken krijgen, zijn niet te vergelijken met een gebroken been. We kunnen die problemen niet oplossen, we kunnen alleen jongeren leren omgaan met hun problemen, zegt Peer van der Helm, lector residentiële jeugdzorg bij de Hogeschool Leiden.
Hij doet onderzoek naar het leef- en leerklimaat van jongeren in de jeugdzorg, het speciaal onderwijs en gezinshuizen. Daarbij onderzoekt hij hoe jongeren het leefklimaat ervaren en gaat met jongeren en professionals in gesprek hoe dat te verbeteren.
Wat wil jij? is een vraag die weinig aan deze jongeren wordt gesteld. En het antwoord daarop is 'gewoon'. Jongeren hebben volgens van der Helm behoefte aan verbondenheid, competentie en autonomie. In de jeugdhulp ligt teveel de nadruk op moeten en is te weinig aandacht voor pijn en trauma's waar jongeren mee worstelen.
Jaarlijks zitten 1500 kinderen langer dan een uur in de separeer. Als we geen vragen stellen kunnen we deze kinderen niet helpen.
Vragen zoals
- wat is er met je gebeurd?
- wat is je kwetsbaarheid en weerbaarheid?
- Waar wil je naar toe?
- Wat heb je nodig?
We moet vragen stellen i.p.v. diagnosticeren. Veel DSM diagnoses kloppen niet voor kinderen en daardoor kunnen we kinderen niet helpen. Als we niet weten wat er aan de hand is kunnen we geen traumatherapie (EMDR, Cognitieve gedragstherapie) bieden en dat is juist hetgeen waarvan we weten dat het effectief is.

In twee weken van je trauma's af
Een andere masterclass die ik volgde ging over traumatherapie. De zeer intensieve traumabehandeling (ZIT) is voor kinderen die ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt. Dat kan leiden tot allerlei traumaklachten. Kinderen worden van zondagavond tot donderdagmiddag opgenomen en krijgen binnen een trauma sensitief klimaat een programma van imaginaire exposure, EMDR, psycho-educatie en een activiteitenprogramma. De behandeling is voor jongeren met LVB in de leeftijd tussen de 0 en 21 jaar. De groep bestaat uit maximaal 4 kinderen en de meeste kinderen komen twee keer een week. Bij jonge kinderen komt een ouder of verzorger mee. Uit de eerste resultaten blijkt het programma effectief.

Moeilijk gedrag
Veel jongeren in de jeugdzorg vertonen 'moeilijk' gedrag. Als we alleen kijken naar dat gedrag en niet vragen wat er gebeurd is, kunnen we kinderen niet de juiste behandeling bieden. Traumabehandeling is alleen mogelijk als kinderen gestimuleerd worden te praten over wat ze hebben meegemaakt. Daarvoor is het belangrijk 'echt' te luisteren in plaats van in te vullen, aan te sluiten op wat kinderen nodig hebben en je te verplaatsen in hun belevingswereld en perspectief. Een positief opvoedingsklimaat gaat verder dan grenzen stellen, en het helpt als professionals zich realiseren dat het moeilijke gedrag en de conflicten hun oorzaak hebben in pijn uit het verleden.

Meer lezen?
Welling, M. (2018) Cliënt centraal in de jeugdhulp, BOOM Amsterdam
Inkijkexemplaar: https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-7395_Client-centraal-in-de-jeugdhulp

donderdag 28 maart 2019

Door administratie minder tijd voor ouders en kinderen in de jeugdhulp



Zorgaanbieders en gemeenten blijven worstelen met administratieve lasten in de jeugdhulp. De maatregelen die gemeenten nemen tegen de oplopende kosten voor de jeugdhulp gaan ten koste van jeugdigen (SKIPR 30 januari 2019)

Toename administratie door professionals
Met de transitie van de jeugdhulp naar de gemeenten is de administratieve druk enorm toegenomen. Professionals in de wijkteams, jeugd GGZ, jeugd met een beperking en gespecialiseerde jeugdhulp besteden 21% van de tijd aan administratie. Professionals werkzaam in de jeugdbescherming besteden zelfs meer tijd aan administratie dan tijd aan direct cliënten contact (zie Verkenning arbeidsmarkt jeugdsector, Prismant 2018).

Verantwoording naar de gemeenten
Bij die toegenomen administratie gaat het niet om cliëntgebonden administratie ter ondersteuning van de hulp aan de cliënt, maar om administratie in het kader van de verantwoording aan de gemeente hoe de tijd besteed wordt. Ieder mailtje en telefoontje - ook al duurt dat maar 3 minuten - moet in sommige gemeenten vastgelegd worden in 'het systeem'. Daarbij komt dat gemeenten met verschillende registratie systemen werken die vaak weinig klantvriendelijk zijn en allemaal verschillende inlogprocedures hebben en een eigen systematiek. Ook als gevolg van de aanbestedingen in de jeugdhulp hebben jeugdhulpaanbieders extra administratieve krachten moeten inhuren. Geld wat niet besteed kan worden aan ouders en kinderen.

Klacht en tuchtrecht
Ook de invoering van het tuchtrecht heeft de administratieve druk verhoogd. Professionals zijn bang voor klachten en bezweren die angst door alles te registreren wat ze doen. En dat is niet terecht want maar een beperkt aantal klachten wordt gegrond verklaard door de tuchtrechter. Een tuchtklacht heeft een grote impact op professionals en als er inderdaad een klacht wordt ingediend wordt veel tijd om samen met een advocaat het verweer op te stellen. Tijd en geld dat niet meer besteed kan worden aan hulp voor ouders en kinderen. Wat de kans op een klacht eerder vergroot dan verkleint. Beter is samen met de cliënt af te stemmen welke hulp nodig is en te bespreken of wat in het dossier hebt vastgelegd ook klopt, m.a.w. samenwerken aan goede hulp.

Cliëntenperspectief niet centraal
Met de transitie van de jeugdwet naar de gemeenten en de invoering van het klacht en tuchtrecht is het doel goede en voldoende hulp voor ouders en kinderen minder in beeld. Er wordt te weinig mèt ouders en kinderen gekeken wat goede hulp is, niet de ouders en kinderen maar de verantwoording van de hulp staat centraal. De tijd achter de computer gaat ten koste van het directe contact met ouders en kinderen, de basis voor effectieve jeugdhulp.



Meer lezen?
Welling, M. (2018) Cliënt centraal in de jeugdhulp. Van visie naar aanpak. BOOM Amsterdam
Inkijkexemplaar: https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-7395_Client-centraal-in-de-jeugdhulp



donderdag 14 maart 2019

Ouders in de jeugdhulp




Praten over wat er niet lukt in de opvoeding van je kinderen is lastig. Overal is weleens wat, maar meestal hoor je alleen succesverhalen. Toch gaat het wel eens mis en soms komt jeugdzorg erbij.

Angst
De neiging van de meeste ouders is om niet het achterste van hun tong te laten zien, want de hulpverlener heeft de mogelijkheid in te grijpen en je kind uit huis te plaatsen. En hulpverleners zijn gefocust op de veiligheid van het kind en willen zelf ook niet het risico lopen te weinig te doen met alle gevolgen van dien. Zowel de hulpverlener als de ouder reageren vanuit angst en dat is geen goede basis voor een effectieve hulpverleningsrelatie die gebaseerd moet zijn op betrokkenheid, vertrouwen, openheid, begrip, duidelijkheid en eerlijkheid.

Tweeëntwintig verhalen
We kennen veel verhalen van kinderen die als ze volwassen zijn vertellen over de ellende thuis. Over de andere kant van het verhaal, dat van de ouders weten we weinig. Hoe het voor hen was om niet de ouder te zijn die ze hadden willen zijn, dat ze ondanks goede bedoelingen niet de zorg en veiligheid konden bieden die hun kind nodig had, hoe ze het hebben ervaren dat er ingegrepen werd door jeugdzorg. In het boek Als het misgaat thuis van Pauline Blom en Herman Baartman zijn tweeëntwintig verhalen van ouders beschreven, ouders die de moed hebben opgebracht om aan hen hun verhaal te vertellen. Het verhaal wat ze meestal niet aan hun hulpverlener verteld hebben.

Perspectief van ouders

Voor effectieve hulp aan ouders moeten we meer weten wat het perspectief van ouders is. Want alle ouders - dus ook de ouders die hun kinderen mishandelen of verwaarlozen - willen het beste voor hun kind. En het is van belang om - naast te onderzoeken hoe het met het kind gaat - het verhaal van de ouder te horen en te begrijpen waarom het misging en te kijken wat er mogelijk is. Om goede hulp te kunnen bieden is het nodig ouders niet af te schrijven en met hen in gesprek te gaan. Ouders blijven ouders en op die manier altijd een rol spelen in het leven van het kind, nu en/of in de toekomst. Als je wil dat er echt iets verandert voor dit kind en voor de kinderen van dit kind is het van belang te investeren in de samenwerking met de ouders.


Meer lezen over hoe je de jeugdige en zijn ouders centraal kunt stellen en wat het betekent om het cliëntenperspectief leidend te laten zijn in de jeugdhulp?
Welling, M. (2018) Cliënt centraal in de jeugdhulp, BOOM Amsterdam
Inkijkexemplaar: https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-7395_Client-centraal-in-de-jeugdhulp

dinsdag 18 december 2018

Wat is een goede jeugdhulpverlener?


Laatst was ik op een afscheidsbijeenkomst van een collega in de jeugdhulp en zij vroeg aan haar ervaren collega's wat volgens hen een goede hulpverlener is en wat succesfactoren zijn voor effectieve hulp. Een interessante vraag, want aan hulpverlener wordt bijna nooit gevraagd wat zij een goede hulpverlener vinden. Kijken hulpverleners anders naar effectieve hulp dan cliënten en wetenschappers?

Wat vinden ouders en jongeren een goede hulpverlener?
Cliënten weten heel goed wat ze belangrijk vinden. De ideale hulpverlener is volgens jongeren van het Jeugdwelzijnsberaad (organisatie van jongerenraden in de jeugdhulp) respectvol, betrokken, eerlijk, voorbereid op het werk, heeft levenservaring, is op tijd, serieus, aardig, positief, motiverend, enthousiast, kan goed luisteren, kijkt ‘om het dossier heen’, ziet en benoemt kwaliteiten, is complimenteus, laat me in mijn waarde, ziet iedereen als individu, maakt ruimte voor uitzonderingen, heeft geen negen-tot- vijf-mentaliteit, heeft voorbeeldfunctie, doet wat-ie zegt, durft in te grijpen bij agressie, is goed geschoold, ervaringsdeskundig, neemt initiatief, is mentaal sterk, kindvriendelijk, checkt of je goed geplaatst bent, staat stevig in de schoenen, is rustig.
Ouders zitten op de zelfde lijn. Soms zeggen ouders dat de ideale hulpverlener ook van dezelfde cultuur moet zijn, wat ouder moet zijn en/of zelf kinderen moet hebben. Toch is er dan altijd wel een ouder die vertelt over die ene hulpverlener, die wit en jong was, geen kinderen had en de cliënt toch goed begreep. ‘Zij luisterde tenminste en oordeelde niet meteen, daar had ik echt wat aan.’
Het gaat om het contact, de mate waarin het de hulpverlener lukt om zich in te leven in de situatie van de ander, en of de hulpverlener ‘er is’ voor de ander.

Wat zegt de wetenschap ervan?
De wetenschap is het eens met cliënten dat het belangrijkste het contact, de relatie tussen cliënt en hulpverlener is. Op basis van literatuurstudie zijn tien aspecten onderscheiden van de ideale hulpverlener met betrekking tot de relatie. Het gaat om de volgende aspecten: deskundigheid aandacht, betrokkenheid, begrip, steun, acceptatie, echtheid, empathie, warmte. Wat dat betreft zitten wetenschappers op dezelfde lijn als cliënten.

En de hulpverleners?
Ook ervaren hulpverleners weten wat belangrijk is en ook zij leggen daarbij de nadruk op de relatie: contact, aansluiten, respect, betrouwbaar, echt zijn, veilig, goed luisteren, ruimte voor het verhaal, niet oordelen, oprechte complimenten, een vast persoon die er voor jou is en je ziet en hoort, aansluiten op de belevingswereld, en daarnaast benadrukken ze ook het belang van niet loslaten, contact houden, volhouden, betrekken van het netwerk en dat er ook ruimte moet zijn voor gezelligheid en humor.(zie plaatje)

En als we er het dan allemaal over eens zijn, hoe komt het dan dat het toch niet altijd lukt om effectieve hulp te bieden? Eén van de doelen van de Jeugdwet die in 2015 inging is meer ruimte voor de professional. Krijgen en nemen hulpverleners wel voldoende ruimte om samen met cliënten te doen wat nodig is?

Meer lezen?
Welling, M. (2018) Cliënt centraal in de jeugdhulp. Van visie naar aanpak. BOOM Amsterdam
Inkijkexemplaar: https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-7395_Client-centraal-in-de-jeugdhulp

woensdag 23 mei 2018

Seksueel misbruik in de sport


Seksuele intimidatie komt overal voor: na de Rooms-Katholieke kerk en de jeugdzorg is er sinds kort ook aandacht voor seksueel misbruik in de sport. Dat is niet voor niks. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 1 op de 8 sporters aangeeft slachtoffer te zijn geweest van matig tot ernstig misbruik.


Zwemster
Kort geleden kreeg ik de publicatie Onderwater van Ela Hutten toegestuurd om te recenseren. In deze vlot geschreven publicatie vertelt Ela, een talentvolle zwemster, hoe ze vanaf haar elfde jaar wordt ingepalmd door haar trainer, seksueel misbruikt en zo gemanipuleerd dat ze het met niemand - zelfs niet met haar ouders - durft te bespreken.

Op haar 14e komt het uit en doet ze aangifte. De pleger weet de zaak jarenlang te vertragen en krijgt uiteindelijk een taakstraf. In deze publicatie wordt duidelijk hoe door de afhankelijkheid van de trainer kinderen kwetsbaar zijn voor misbruik en hoe belangrijk het is dat sportclubs hier aandacht voor hebben. Ook wordt duidelijk dat een juridische procedure niet altijd het gewenste resultaat oplevert omdat daar de rechten van de pleger centraal staan en niet het psychische leed van het slachtoffer.

Onderzoekscommissie
Uit het rapport van de Onderzoekscommissie Seksuele intimidatie en misbruik (NRC 12 december 2017) blijkt hetzelfde: slachtoffers het soms moeilijker wordt gemaakt dan daders. Niet alleen door obstakels in het vervolgproces, capaciteitsgebrek bij de politie, rechterlijke instanties en het OM, maar ook door onduidelijkheid en laksheid bij sportclubs. Meldingen van wangedrag leiden zelden tot effectieve vervolgstappen en als er al strafrechtelijke of tuchtrechtelijke procedures worden ingezet, dan zijn de maatregelen en sancties in de meeste gevallen mild.

Preventie
Sportclubs in Nederland moeten veel actiever worden bij de bestrijding van misbruik. En gemeentes zijn niet alleen verantwoordelijk voor accommodaties, maar moeten sportclubs daar ook op aanspreken.

vrijdag 12 mei 2017

Cliëntenraden en jongerenraden: meer dan medezeggenschap


In de jeugdwet staat dat cliënten moeten worden betrokken bij de ontwikkeling van de jeugdhulp. Jeugdhulporganisaties en gecertificeerde instellingen zijn verplicht een cliëntenraad te organiseren. Veel organisaties hebben daarnaast ook een jongerenraad. Het organiseren van een jongerenraad en een cliëntenraad is zeker niet altijd makkelijk. Toch zie ik duidelijke voordelen zowel voor jeugdhulporganisaties en gecertificeerde instellingen als voor ouders en jongeren zelf.

Voordelen voor jeugdhulporganisaties en gecertificeerde instellingen
Door behoeften en verwachtingen van cliënten in kaart te brengen en mee te nemen in besluitvorming, zal de dienstverlening beter aansluiten bij de wensen van gebruikers. Dat verhoogt de kwaliteit van de hulp. Instellingen kunnen door ervaringen van cliënten leren hoe hulpverleningstrajecten verbeterd worden. Bovendien ontstaat er meer draagvlak voor het beleid en wordt de klanttevredenheid vergroot.
Voor het organiseren van een aparte jongerenraad zie ik als voordeel dat de jongeren de mogelijkheid hebben met elkaar van gedachten te wisselen over zaken die jongeren aangaan zonder daarbij overvleugeld te worden door volwassenen. De belangen van ouders en kinderen zijn immers niet altijd dezelfde.

Voordelen voor ouders en jongeren
Naast inspraak en belangbehartiging van ouders en jongeren hebben deze raden nog een meerwaarde. Voor velen is het een manier om betekenis te geven aan hun ervaringen met de jeugdhulp. Om niet alleen hulpvrager te zijn, maar ook die ervaringen te gebruiken om de jeugdzorg beter te maken voor andere ouders en jongeren. Het versterkt het zelfgevoel van cliënten (self-efficacy), het vertrouwen in de eigen bekwaamheid om met succes invloed uit te oefenen op de omgeving. Je bent niet alleen cliënt, maar geeft levert ook een waardevolle bijdrage aan de verbetering van de jeugdhulp.

Door de cliëntenraad kan ik wat voor een ander betekenen en van een moeilijke situatie iets positiefs maken. Ik vindt het ook interessant en fijn om wat om handen te hebben (ouder, voorzitter cliëntenraad)

Jongerenraden
Micha de Winter is al jaren een warm pleitbezorger van jeugdparticipatie. Kinderen en jongeren als participerende burgers actief betrekken bij hun leefomgeving heeft volgens De Winter een heilzame preventieve en curatieve werking. Een tekort aan mogelijkheden om zinvolle sociale ervaringen op te doen, is op zichzelf een bron van psychosociale problemen en gedragsproblemen. De uitbreiding van zulke ervaringsmogelijkheden blijkt de kans op dergelijke problemen te verminderen. Wat Micha de Winter volgens mij bedoelt is dat het voor jongeren van belang is te ervaren dat ze invloed kunnen hebben op hun omgeving en dat hen dat helpt om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven. In plaats van ‘Ik heb ook altijd pech’ en bij de pakken neer te gaan zitten.
Daarnaast is een jongerenraad positief voor de persoonlijke ontwikkeling van de leden (informeel leren) en sociale contacten die jongeren opdoen. Door deelname aan een jongerenraad krijgen jongeren meer zelfvertrouwen en leren vaardigheden op het gebied van communicatie, samenwerken, vergaderen, organiseren, spreken in het openbaar, hoe jezelf te presenteren. Vaardigheden die ze nu en later goed kunnen gebruiken

Ik durf nu meer te praten, mijn mening te vertellen, ik ben socialer geworden, leer over de jeugdzorg (meisje 16 jaar, lid jongerenraad)

Het is echt een misvatting dat ouders en jongeren in cliëntenraden alleen maar willen schoppen. De voordelen cliëntenraden èn jongerenraden zijn groot en het is belangrijk om te investeren in de ontwikkeling ervan.

Deze blog verscheen eerder op KennisnetJeugd.nl

maandag 20 maart 2017

Een vragenlijst is onvoldoende om kindermishandeling te signaleren


Volkskrant 20 maart 2017
Ouders die met een kind bij de huisarts of de spoedeisende hulp komen, worden verplicht gescreend. Dat leidt tot veel valse verdenkingen van mishandeling, terwijl echte gevallen soms toch worden gemist. Op elke 100 verdenkingen waren er 92 onterecht. Bij 1 op de 100 kinderen gaf de screening aan dat er niets aan de hand was terwijl later toch een melding volgde. Utrechts onderzoek maakte eerder al duidelijk dat de vragenlijsten ook op de afdelingen spoedeisende eerste hulp vaak tot onterechte verdenkingen leiden (97 op de 100).


Verkeerde vragenlijst leidt tot veel onterechte verdenkingen van kindermishandeling

De titel van het artikel in de Volkskrant suggereert dat het probleem de vragenlijst is, maar dat is het niet. Met alleen een vragenlijst kun je geen kindermishandeling vaststellen of uitsluiten. Daarvoor heb je meer kennis en vaardigheden nodig, zoals kennis van signalen en de vaardigheid om een gesprek te voeren met ouders en kinderen over de zorgen (Bonnet 2013). De stappen van de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling helpen daarbij.

Stap 1. In kaart brengen van signalen

De professional die kindermishandeling vermoedt of vaststelt, verzamelt alle aanwijzingen die zijn vermoeden kunnen onderbouwen of ontkrachten en legt deze vast. Er zijn goede medische signalenlijsten beschikbaar voor (kinder)artsen. Sommige lichamelijke verwondingen wijzen sterk op kindermishandeling, maar meestal is meer informatie nodig om dat te kunnen vaststellen. Zo zijn blauwe plekken kinderen bij kinderen die niet mobiel zijn zeer verdacht omdat die kinderen zichzelf niet kunnen stoten en is het ook zeer verdacht als een brandwond sterk begrensd is (strijkijzer), er geen spatletsel is en de brandwond overal even diep is. Meestal zijn de signalen echter niet zo duidelijk en is het van belang goed in kaart te brengen hoe de verwondingen eruit zien, om wat voor soort verwonding het gaat, op welke plek de verwonding zit en na te gaan of er eerder soortgelijke verwondingen geweest zijn. Ook kan het zinvol zijn een forensisch kinderarts te raadplegen voor letselduiding.

Stap 2. Overleg met collega en raadpleeg eventueel Veilig Thuis

Overleg bij vermoedens met een collega of vraagt advies aan Veilig thuis. De casus kan daarbij anoniem worden besproken.

Stap 3. Gesprek met ouders en/of het kind, de jongere

Voor het achterhalen van de oorzaak van de verwondingen moet bij het kind, de ouders of anderen geïnformeerd worden hoe de verwonding is opgelopen. Praat zo mogelijk met het kind en leg de zorgen voor aan de ouders. Belangrijk is dat zonder vooroordelen te doen en goed te kijken naar de toedracht van het ongeval. Hoe is de verwonding ontstaan? Wie is de veroorzaker? Waren er anderen bij aanwezig? Wanneer is de verwonding ontstaan? Heeft er iemand maatregelen genomen? Het is bijvoorbeeld opvallend als ouders lang wachten met het inroepen van hulp. Deze stap kan alleen worden overgslagen uit vrees voor de veiligheid of gezondheid van het kind of andere kinderen uit het gezin en gevreesd moet worden dat de arts het kind en/of de ouder(s) daardoor uit het oog zal verliezen of als de arts vreest voor zijn eigen veiligheid. Wel moet dan een ander moment gekozen worden waarop de ouders en/of kind alsnog ingelicht worden over de vermoedens en over een eventueel gedane melding.

Stap 4. Wegen van het geweld of de kindermishandeling, bij twijfel altijd Veilig Thuis raadplegen
De professional kan – eventueel ook zonder de toestemming van ouders en/of kind– overleggen met andere bij het gezin betrokken hulpverleners of beroepskrachten en/of een melding aan de verwijsindex risicojongeren doen, voor zover dat nodig is om een vermoeden van kindermishandeling te verifiëren of om hulp onderling af te stemmen.

Stap 5. Beslissen: hulp organiseren of melden

Als de professional ervan overtuigd is dat hulpverlening op vrijwillige basis het risico voor het kind voldoende kan afwenden, dan kan hij besluiten (nog) niet te melden bij Veilig Thuis en zelf hulp verlenen of deze elders in gang zetten. Wordt het vermoeden bevestigd of in elk geval niet weggenomen en is er een reële kans op schade door (het voortduren van de) kindermishandeling die niet (meer) met hulpverlening kan worden afgewend, dan doet de professional zo spoedig mogelijk een melding bij Veilig Thuis. De professional informeert kind en/of ouders tevoren over zijn melding, tenzij dit niet mogelijk is in verband met de veiligheid.

Dit is een korte samenvatting van de meldcode en belangrijk is dat artsen, maar ook verpleegkundigen en jeugdwerkers weten welke stappen ze moeten zetten en hoe je een gesprek met ouders en kinderen voert.
Dus alleen een vragenlijstje is onvoldoende.

Meer informatie
Bonnet, R. (2013) De Kleine Gids Kindermishandeling. Achtergronden, signaleren en de meldcode. Kluwer

woensdag 1 maart 2017

Laten we niet naïef zijn


Op 16 februari was ik op de conferentie loverboyproblematiek LVB/GGZ. Mensenhandelaren herkennen de kwetsbaarheid van meisjes en jongens vaak eerder dan professionals. Eén van de risicofactoren van seksueel misbruik is seksueel misbruik in het verleden. De kwetsbaarste kinderen lopen het grootste risico op seksueel misbruik en uit onderzoek blijkt dat mensen met een verstandelijke beperking extra risico lopen op seksueel geweld en slachtoffer te worden van loverboys of seksuele grensoverschrijding via sociale media. Maar liefst 61 % van de vrouwen met een verstandelijke beperking wordt misbruikt.

Preventie
We moeten er alles aan doen om te zorgen dat niemand slachtoffer wordt. Het gaat dan enerzijds om preventie, voorkomen dat iemand slachtoffer wordt, blokkades opwerpen om het moeilijker maken slachtoffers te maken, voorlichting aan kinderen en jongeren. Grensoverschrijdende seksuele ervaringen zijn geen uitzondering. Uit onderzoek blijkt dat 41% van de meisjes en 21 % van de jongens ja zeggen op de vraag Heb je wel eens seks tegen je zin gehad?

Hoe kun je seksueel misbruik verwerken?

Het duurt gemiddeld 21 weken (Iva Bicanic*) voordat een slachtoffer van seksueel geweld erover vertelt wat hij of zij meegemaakt heeft. En dat terwijl juist de eerste momenten na het misbruik belangrijk zijn voor de best mogelijke hulp. Slachtoffers vertellen het meestal als eerste tegen een vriend of vriendin en de eerste reactie is heel belangrijk. Victim blaming (schuld in de schoenen schuiven, dan had je maar niet...)is zeer schadelijk voor slachtoffers en social support- luisteren en er zijn is voldoende - ondersteunt de verwerking Victim blaming vergroot de kans op een post traumatische stressstoornis (PTSS). Behandeling van PTSS is belangrijk want PTSS vergroot de kans op revictimisatie (herhaling) en er zijn goede behandelmethoden voor PTSS zoals EMDR en cognitieve therapie.

Aanbevelingen
Het congres werd afgesloten met 10 aanbevelingen, waarvan de volgende vier voor professionals werkzaam met kinderen en jongeren in zorg, strafrecht, onderwijs en gemeenten
1. bieden voorlichting aan alle jongeren over seks en sociale media
De voorlichting is ontwikkeld in samenspraak met jongeren, is leeftijdsadequaat en
afgestemd op de aanwezige verstandelijke beperking.

2. stellen de veiligheid van jongeren in hulp centraal
Elke jongere in zorg heeft een veiligheidsplan. Dit plan maakt onderdeel uit van het zorg/behandelplan en van het toekomstplan dat met elke jongeren in zorg opgemaakt is/wordt. In het veiligheidsplan wordt rekening gehouden met risico’s in de instelling, het gezin en andere pedagogische milieus. Het plan gaat ook in op risico’s met betrekking tot vervoer, onderwijs, social media, vermissing en onttrekking. Als de veiligheid van een jongere is geschonden, dan wordt deze jongere bijgestaan en/of behandeld door ter zake kundige specialisten. Denk daarbij ook aan forensische zorg zoals wordt geboden door de Centra Seksueel Geweld (CSG’s).

3. bieden (gezamenlijk) de best mogelijke (trauma)behandeling op basis van de huidige kennis.
Nieuwe kennis, methodieken en technologieën worden systematisch geïncorporeerd in de behandeling. Deze behandeling wordt adequaat afgestemd op de aanwezige verstandelijke beperking en/ of psychische problemen van de betreffende jongeren.

4. sluiten in de bejegening van mogelijke slachtoffers aan op de aanwezige verstandelijke beperking en/of psychische problematiek.
Politie- en justitiefunctionarissen zijn hier extra alert op en schakelen voor verhoor getrainde rechercheurs in die aansluiten bij de aanwezige verstandelijke beperking

*https://www.youtube.com/watch?v=AkyjuE98kyo

maandag 13 februari 2017

Effectiever samenwerken in de aanpak van kindermishandeling


Jaarlijks worden 119.000 kinderen slachtoffer van kindermishandeling. Veel professionals werken samen om dat te voorkomen. Maar ondanks de goede wil, loopt het nogal eens mis in de samenwerking. Op 10 januari was een bijeenkomst jeugd van het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid met als thema: Effectiever samenwerken in de aanpak van kindermishandeling.

Vertrouwen en luisteren
De middag startte met een interview met een meisje dat slachtoffer was geweest van kindermishandeling. Ze praatte er eerst met niemand over, maar vertoonde wel lastig gedrag. Dit gedrag werd geduid als pubergedrag en niemand die zich afvroeg waar dat vandaan kwam. Uiteindelijk vertelde ze een vriendin wat er thuis gebeurde en kwam het toch uit. Dat was het begin van een reeks hulpverleners. Bij de vraag wat een goede hulpverlener is gaf ze aan dat 'luisteren' en 'vertrouwen' een stuk belangrijker zijn dan direct handelen. Dat sluit aan op wat Kim Laar, slachtoffer van kindermishandeling deze week in een interview met de Volkskrant* zegt: Er zijn geen simpele antwoorden. Maar ik denk wel dat je het altijd eerst met het kind moet bespreken voor je een volgende stap zet. Luister naar hen, zij kennen hun eigen situatie het beste.

Wij geloven niemand

Daarna kwam Bertine Spoor, forensisch arts bij de Forensische Polikliniek Kindermishandeling aan het woord. Spoor hield een interessant verhaal over hun werkwijze en de manier waarop ze onderzoek doen. Wij geloven niemand, moeder niet, vader niet, het kind niet. Wij gaan op zoek naar feiten, beschrijven en meten letsel op, maken foto's en geluidsopnames. Ze pleitte er voor zeker bij vermoedens van seksueel misbruik, breuken bij jonge kinderen, niet te aarzelen en altijd forensisch onderzoek te laten doen.

Forensische expertise noodzakelijk
Jammer is om te horen dat de polikliniek per 1 maart gaat sluiten, terwijl er toch juist meer behoefte is aan deze expertise (Volkskrant 15 februari). Het wordt overgenomen door het Nederlands Forensisch Instituut. De ervaring van advocaat Richard Korver is dat het daar een stuk trager gaat. In sommige regio's werken nog wel forensische kinderartsen. Bijvoorbeeld bij het multidisciplinair centrum kindermishandeling Kennemerland die later op de middag hun verhaal deden over de samenwerking met andere partijen. Want na het onderzoek blijft er nog genoeg werk aan de winkel voor de hulpverlening omdat de forensisch arts kan niet zien wie het letsel heeft veroorzaakt en ook de hulpverlening niet regelt.
Ook volgens Jan de Jong van de nationale politie is forensische expertise belangrijk om vast te stellen of het om kindermishandeling of seksueel misbruik of 'ongelukkig gevallen'. Alleen een forensisch arts kan aan het soort letsel beoordelen of het verhaal klopt of niet. De Jong vertelde een aangrijpend verhaal van een 3 jarig meisje dat op basis van het onderzoek van een gewone arts uithuisgeplaatst was en haar vader opgepakt, terwijl achteraf na onderzoek door een forensisch arts bleek dat het 'onwaarschijnlijk klinkende verhaal' toch klopte.

Samenwerking

De samenwerking tussen politie, forensisch arts en hulpverlening is soms lastig, maar zeker belangrijk voor (vermeende) slachtoffers van kindermishandeling. De forensisch arts kijkt naar letsel, de hulpverlening moet op basis van die informatie beoordelen hoe veilig de situatie is, luisteren naar het verhaal en de wensen van het slachtoffer, de hulp opstarten en de politie inschakelen voor het doen van onderzoek en de bescherming van het kind.



*http://www.volkskrant.nl/binnenland/lessen-uit-het-leven-van-kim-van-laar-slachtoffer-kindermisbruik~a4460252/

maandag 16 januari 2017

Webcamkindersekstoerisme


750.000 mannen online
Volgens Terre des Hommes zijn er op elk moment van de dag minstens 750.000 mannen online op zoek naar kinderporno. Het aantal meldingen van kinderporno in Nederland was in oktober 2016 met 12.000 al bijna verdubbeld ten opzichte van 2015 (5549). De toename wordt volgens het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voornamelijk verklaard door het aantal meldingen over kinderpornografisch beeldmateriaal op internet.

Kinderen van het web
Peter Dupont schreef de publicatie Kinderen van het web. Undercover als pedofiel (2016) Hij is een Belgische onderzoeksjournalist die in de zomer 2013 stuit op het bestaan van webcamkindersekstoerisme (WCSC) en besluit undercover te gaan als pedofiel. In zijn publicatie doet hij verslag van zijn persoonlijke ervaringen als onderzoeksjournalist en later als burgerinfiltrant van de Philippine National Police. Het blijkt dat dit soort misbruik - een mengeling van kinderprostitutie en kinderporno - erg frequent voorkomt op de Filipijnen. Hij legt contact met aanbieders, slachtoffers en klanten. Onder die klanten waren 150 blanke mannen uit West- en Noord- Europa, de Verenigde Staten en Australië. De aanbieders waren in hoofdzaak (alleenstaande ) moeders, tantes en zussen, ooms, broers en vaders. De armoede, nog eens versterkt door de tyfoon in 2013, drijft hen ertoe de kinderen hiervoor te misbruiken. Het gaat regelmatig om zeer jonge kinderen die achter de webcam en soms ook in hotels seksuele diensten moeten leveren. Voor de trauma’s van de kinderen is geen aandacht. Dupont doet niet alleen onderzoek van achter zijn computer maar reist ook naar de Filipijnen en bezoekt daar cybersekshuizen en ook een opvanghuis voor slachtoffers. Resultaat van het onderzoek is een inval in een cybersekshuis in 2015 waar elf meisjes worden bevrijdt en vijf pooiers opgepakt, later worden meer 'aanbieders’ opgepakt en kinderen bevrijd.

Documentaire

Samen maakte met Jacco Groen maakt hij de documentaire Grenzeloos misbruikt https://www.youtube.com/watch?v=rY7zG2KgkA0 waarin hij verslag doet van zijn onderzoek en bevindingen. in de documentaire zie je o.a. de inval in het cybersekshuis.

Sweety

Tegelijkertijd met het onderzoek van Dupont was ook Terre des Hommes actief in de aanpak van webcamkindersekstoerisme. Terre des Hommes heeft met het digitale meisje Sweetie in relatief korte tijd duizend pedoseksuelen ontmaskerd, van wie er inmiddels een aantal is veroordeeld. De Nederlandse politie mag deze methode niet toepassen en mag ook niet undercover gaan. Er wordt voor gepleit de politie meer mogelijkheden te geven om klanten aan aanbieders op te sporen. Dat lijkt me zeker de moeite waard gezien de omvang van de problematiek en de consequenties die het heeft voor het leven van de slachtoffers. Want hopelijk is inmiddels wel duidelijk dat 'alleen maar kijken' in dit geval wel kwaad kan.


woensdag 4 januari 2017

Kinderen met negatieve jeugdervaringen voelen zich minder gezond


Het jongerentaskforce deed onderzoek naar ingrijpende jeugdervaringen bij kinderen. Ze legde 680 kinderen in groep 7 en 8 van het reguliere basisonderwijs een uitgebreide vragenlijst voor. Uit dit onderzoek blijkt dat bijna de helft van de kinderen één of meerdere ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt.

Ingrijpende jeugdervaringen
Gekeken is naar het aantal ingrijpende jeugdervaringen die kinderen hebben meegemaakt. Het gaat dan om :
• Ouder(s) ernstig/ongeneeslijk ziek of overleden;
• Kindermishandeling of -verwaarlozing;
• Seksueel misbruik;
• Geweld tussen de ouders (of van ex-partner bij bijv. vechtscheiding);
• Alcoholmisbruik van de ouder(s);
• Drugsgebruik van de ouder(s);
• Psychiatrische aandoening ouder(s);
• Ouder(s) in gevangenis gezeten;
• Depressie of zelfmoord(poging(en)) van huisgenoot;
• Bedreiging met een mes of vuurwapen
Uit onderzoek van het Jongerentaskforce blijkt dat 45,4% van de kinderen in groep 7 en 8 van het regulier basisonderwijs al één of meerdere ingrijpende gebeurtenissen te hebben meegemaakt.
Bijna de helft van de kinderen (45,4%) in groep 7 en 8 van het regulier basisonderwijs geeft aan al één of meerdere ingrijpende gebeurtenissen te hebben meegemaakt. Bijna één op de negen kinderen heeft drie of meer gebeurtenissen te hebben meegemaakt. Ruim een kwart van de kinderen geeft aan dat hun ouders zijn gescheiden (25,8%), terwijl ongeveer één achtste aangeeft dat zij emotioneel zijn verwaarloosd (12,9%), of dat zij emotioneel zijn mishandeld (12,2%). In totaal heeft 26,7% van de kinderen aan één of meerdere vormen van kindermishandeling meegemaakt

Gezondheid
Er blijkt een duidelijke relatie te zijn tussen élke ingrijpende jeugdervaring en hoe fit en gezond kinderen zich voelen. Deze relatie blijkt het sterkste te zijn bij kinderen die emotioneel zijn verwaarloosd, emotioneel zijn mishandeld en lichamelijk zijn mishandeld. Kinderen die dit meemaken, voelen zich minder fit, minder gezond. En hoe hoger het aantal ingrijpende jeugdervaringen dat zij aangeven te hebben ervaren, hoe minder fit en gezond zij zich voelen. Dit verband wordt ook gevonden wanneer specifiek wordt gekeken naar kinderen die aangeven een echtscheiding te hebben ervaren, in combinatie met één of meerdere ingrijpende jeugdervaringen. Eenzelfde duidelijke invloed op de kwaliteit van leven is gevonden bij kinderen die aangeven één of meerdere vormen van kindermishandeling te hebben ervaren.

Leerkrachten schatten het te laag in
Leerkrachten denken dat gemiddeld maar drie kinderen bij hen in de klas, één of meerdere ingrijpende jeugdervaringen hebben meegemaakt terwijl 45,4% van de kinderen tenminste één van deze ervaringen heeft meegemaakt.

Aanbevelingen jongerentaskforce
De Jongerentaskforce denkt dat leerkrachten en docenten een belangrijke rol kunnen spelen voor kinderen die ingrijpende jeugdervaringen meemaken. Het is belangrijk dat de juffen en meesters van nu wéten dat kinderen bij hem of haar in de klas en op school al veel kunnen hebben meegemaakt. Dat zij wéten wat deze ingrijpende jeugdervaringen voor invloed kunnen hebben op kinderen. Leerkrachten kunnen bijvoorbeeld over deze ingrijpende jeugdervaringen praten met kinderen, zij kunnen in hun lessen aandacht besteden aan specifieke thema’s zoals kindermishandeling, of ‘als je ouders gaan scheiden’

En hopelijk gaat nu een lichtje branden als kinderen zeggen dat ze zich niet lekker, niet fit of moe voelen om door te vragen hoe het gaat en samen met het kind te kijken wat je als volwassene kunt doen.


*Jongerentaskforce (2016). Ik heb al veel meegemaakt. Ingrijpende jeugdervaringen in groep 7 en 8 https://www.augeo.nl/~/media/Files/Jongerentaskforce/161026-Jongerenrapport-ik-heb-al-veel-meegemaakt.ashx

maandag 14 november 2016

Cliëntroutes in de jeugdhulp nu online



Waar kunnen ouders terecht die hulp bij de opvoeding nodig hebben? En hoe werkt het als gespecialiseerde hulp nodig is? Wat als er nu al hulp is, hoe gaat het dan verder? Sommige gezinnen en jongeren krijgen hulp in het kader van de jeugdbescherming, wat houdt dat in en welke maatregelen zijn er dan mogelijk? Wat als anderen zich zorgen maken en een melding doen bij Veilig Thuis?

Deze en nog meer vragen hebben cliënten die te maken hebben met jeugdhulp. Op verzoek van de cliëntentafel jeugd van LOC is een toegankelijke website gemaakt waar al deze informatie te vinden is. Deze informatie is samengesteld in samenwerking met cliënten en deskundigen en is vanaf heden te vinden op de website www.clientroutesjeugdhulp.nl. De cliëntroutes zijn te bekijken op computer, telefoon en tablet.

Informatie over jeugdhulp
De gemeente organiseert ondersteuning, hulp en zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders. Ze is verantwoordelijk voor hulp bij alle denkbare opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Dus zowel voor de jeugdzorg, de jeugd-GGZ als de jeugd-LVB. Dat kan vrijwillige hulp zijn of hulp in een gedwongen kader. Iedere gemeente heeft dat op zijn eigen manier georganiseerd, maar er zijn veel overeenkomsten in de routes die ouders en jongeren doorlopen vanaf de aanmelding tot de afronding van de hulp.

Op de website vindt u
- een helder overzicht van de routes die cliënten kunnen volgen van aanmelding tot afsluiting van de jeugdhulp ;
- informatie over de kinderbeschermingsmaatregelen die de kinderrechter kan opleggen zoals de ondertoezichtstelling (OTS), uithuisplaatsing;
- de taak en rol van (nieuwe) organisaties in de jeugdhulp zoals wijkteams, gecertificeerde instelling, Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming;
- tips om de eigen regie te versterken. Zodat de hulp aansluit op wat volgens ouders nodig is.

Gebruik door cliënten en professionals
Cliënten en professionals kunnen ook gezamenlijk de cliëntroutes doornemen. En samen kijken naar de stappen die gezet kunnen worden. Instellingen die de informatie toegankelijk willen maken voor cliënten kunnen een link naar de cliëntroutes jeugdhulp op hun eigen website zetten.

vrijdag 11 november 2016

Cliënttevredenheidsonderzoek: 1gezin1plan1lijst


In 2003 ontwikkelde ik op verzoek van Stichting Alexander de C-toets, de eerste landelijke cliënttevredenheidstoets* voor de jeugdzorg gebaseerd op het cliëntenfeedbacksysteem dat ik in Zuid-Holland in het kader van het Project Vraaggericht werken* ontwikkelde. Op 22 september j.l. was ik op een bijeenkomst van het kennisnetwerk jeugdmonitoring. Ik was benieuwd wat er in al die jaren was ontwikkeld op het gebied van de tevredenheidsonderzoeken.

1gezin1plan1lijst
Cliëntenfeedback is in iedere geval een item wat nu overal op de agenda staat. Gemeenten zijn vanuit de jeugdwet verplicht ouders/en/of jongeren naar hun ervaringen met de jeugdhulp te vragen en jeugdhulpaanbieders zijn ook verplicht hun eigen aanbod te evalueren. Inmiddels wemelt het van de vragenlijsten die de tevredenheid van cliënten moeten meten en gezinnen met meerdere hulpverleners krijgen soms wel 8 (!) verschillende lijsten om in te vullen. Dat komt de motivatie om de lijsten in te vullen niet ten goede. Zeker omdat voor cliënten vaak niet duidelijk is wat met de resultaten gedaan wordt. En verder is het voor de gemeenten ook niet handig als ze van ieder jeugdhulpaanbieder andere informatie krijgen en voor jeugdhulpaanbieder als ze voor iedere gemeente andere informatie moeten aanleveren (administratieve druk!) Om het aantal verschillende lijsten binnen de perken te houden loopt er een landelijk traject dat er voor moet zorgen dat iedere aanbieder en gemeente dat op dezelfde manier gaat doen. 1 gezin1plan1lijst zou ik zeggen.

Interne en externe verantwoording
Op 22 september was Dolf de Boer, van het Nivel uitgenodigd.Hij heeft veel ervaring met de ontwikkeling van vragenlijsten voor patiënten. Dolf maakt onderscheid tussen twee soorten cliënttevredenheidsonderzoeken. Onderzoek bedoeld voor externe verantwoording en onderzoek voor interne verbetering. Als voorbeeld noemde hij Zorgkaart Nederland* waar patiënten hun ervaringen met de zorg kunnen achterlaten. Een soort Tripadvisor voor de zorg, met de zelfde voor- en nadelen als Tripadvisor. De resultaten zijn positief beïnvloedbaar als zorgaanbieders actief tevreden klanten vraagt een reactie achter te laten. Toch geeft het wel een beeld en kan worden gezien als een vorm van externe verantwoording. Positief is dat het om inhoudelijke feedback gaat en niet alleen een cijfer,. Dat geeft inzicht geeft hoe het beter kan en ook gebruikt worden voor interne verbetering.

Gebruik van resultaten
Gebruik van de resultaten is ook meteen het probleem van cliëntenfeedbacksystemen. Dat speelde al in 2003 en nu nog steeds. Als het cijfer voldoende is kan dat voor sommige organisaties of gemeenten aanleiding zijn om niets te doen. En dat terwijl cijfers alleen niets zeggen. Het moet juist gebruikt worden voor kwaliteitsverbetering door ze met cliënten te bespreken, met cliënten de resultaten te duiden en verbeterplannen te maken. En vervolgens aan cliënten te laten zien dat ze niet voor niks de lijst hebben ingevuld, maar dat er ook wat mee gedaan wordt. Gebruik van de resultaten is één van de belangrijkste aandachtspunten van het cliënttevredenheidsonderzoek.
Ook kun je de resultaten van één organisatie niet met de resultaten van andere organisaties vergelijken. Sommige organisaties hebben een moeilijkere doelgroepen, bieden meer gedwongen hulp. Wat wel kan is met organisaties in gesprek gaan over de resultaten en dan is het aan te bevelen dat met meerdere organisaties tegelijkertijd te doen. Want waar één organisatie kan zeggen dat bepaalde groep cliënten altijd negatief zijn/nooit vragenlisten invullen enzovoorts heeft een andere organisatie daar misschien wel creatieve oplossingen voor gevonden.

Het meten van cliënttevredenheid is niet genoeg. Er over in gesprek gaan is net zo belangrijk.




Jumelet, H., Welling, M., Jurrius, K., & Havinga, L. (2003). Verantwoording C-toets. Utrecht: Landelijk Programma Kwaliteitszorg.
Welling, M. Een cliëntenfeedbacksysteem voor de jeugdzorg.Nederlands Tijdschrift voor de jeugdzorg, nummer 2, 2002
www.zorgkaartnederland.nl

woensdag 26 oktober 2016

Hulp voor kinderen in de vrouwenopvang is investeren in de toekomst


De meeste vrouwen die een beroep doen op de vrouwenopvang nemen kinderen mee. In 2012 verbleven er ruim 3.100 kinderen tot en met 17 jaar in een instelling voor vrouwenopvang. Ruim 45% van hen is vier jaar of jonger, 30% is tussen 5 en 11 jaar oud en 25% is 12 jaar of ouder. Deze kinderen zijn vaak getuige geweest van huiselijk geweld, zelf mishandeld en niet zelden getraumatiseerd. De heftige gebeurtenissen in het gezin hebben een grote invloed op de ontwikkeling van kinderen en kunnen doorspelen in hun latere leven met als risico overdracht van de problematiek naar de volgende generatie. Uit onderzoek bij vrouwen in de vrouwenopvang blijkt dat 46 % zelf vroeger ook geweld heeft meegemaakt in het gezin.

Het kinderbrein als spons
Tot voor kort was er weinig aandacht voor kinderen in de vrouwenopvang. Er werd zelfs gedacht dat kinderen een 'plastisch brein' hebben en daardoor ervaringen makkelijker verwerken en dat baby's er al helemaal niks van merken. Niets is minder waar. Uit onderzoek blijkt dat hoe jonger, hoe groter de impact van huiselijk geweld op de ontwikkeling van kinderen. Je moet je als hulpverlener zwaar zorgen maken als je bij een situatie van huiselijk geweld wordt geroepen en een baby in de box zit te spelen alsof er niets aan de hand is. Bruce Perry, neuroloog en kinderpsychiater, deed er veel onderzoek naar en in een filmpje op YouTube https://www.youtube.com/watch?v=O4zP50tEad0 legt hij uit dat de hersenen van jonge kinderen juist zeer kwetsbaar zijn. Ze lijken een beetje op een spons en dat betekent dat ze enerzijds in staat zijn binnen korte tijd ingewikkelde taken te leren zoals taal, maar anderzijds meer kwetsbaar voor trauma.

Elf risicofactoren per kind
Kinderen in de opvang hebben ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Het is pas sinds kort dat we weten dat het getuige zijn van huiselijk geweld zeer ingrijpend is en moet worden gezien als een vorm van kindermishandeling. In 2009 is onderzoek gedaan naar de kinderen in de maatschappelijke en vrouwenopvang. De resultaten zijn schokkend. Gemiddeld werden 11 risicofactoren op kindermishandeling per kind gevonden; onder meer relationeel geweld, echtscheiding en een psychische stoornis bij de ouder. En verder werden gemiddeld ook bij elk kind 7 ingrijpende levensgebeurtenissen gescoord, zoals verbaal en fysiek geweld, mishandeling, misbruik, de boel in huis in elkaar slaan of aanwezig zijn bij de arrestatie van een ouder.

Sobere opvang
Voor kinderen is het plotselinge vertrek uit de gewelddadige - maar wel vertrouwde - omgeving ingrijpend. Weg van school, vriendjes, familie, huisdieren, komen kinderen in een onbekende stad, op een nieuwe school en in een huis waar ook andere kinderen en moeders wonen die het ook niet makkelijk hebben. Tot voor kort was er nauwelijks individuele begeleiding en vrijwel geen behandeling beschikbaar voor kinderen. Ook de opvang is sober en meestal niet ingericht op de specifieke behoeften van kinderen en jongeren. Er zijn soms weinig speelmogelijkheden voor kinderen of plekken om rustig huiswerk te maken. Ongeveer 50 procent van de kinderen in de opvang heeft problemen in het psychosociaal functioneren, zoals gedragsproblemen, problemen met leeftijdgenoten en emotionele problemen. Een derde heeft last van een posttraumatische stressstoornis. Ongeveer 20 procent voldoet aan de criteria om als depressief gediagnosticeerd te worden. Het in zo'n situatie moeten delen van woonkamers en doucheruimtes en gebrek aan privacy geeft veel stress en conflicten tussen moeders en/of kinderen.

Veilige Toekomst
Dit was voor Kinderpostzegels, de federatie Opvang en de Adessium Foundation aanleiding om in januari 2015 de krachten te bundelen en samen te werken aan het Plan Veilige Toekomst. Doel is de leefomstandigheden en ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen in de vrouwenopvang te verbeteren en waar mogelijk het aanbod uit te breiden tot de maatschappelijke opvang. Er is financiering beschikbaar gesteld voor verbetering van de huisvesting, begeleiding en behandeling van kinderen, natuurpilots waar kinderen positieve ervaringen kunnen opdoen in contact met natuur en dieren, een boekje met de belangrijkste punten waar de zorg voor kinderen in de opvang aan moet voldoen, een jongerenpanel om van kinderen en jongeren zelf te horen wat ze nodig hebben en belangbehartiging van kinderen in de opvang. Dat laatste is met name nodig omdat aandacht voor de belangen van kinderen in de opvang door de transitie en bezuinigingen in de zorg er niet beter op is geworden.
Het is eigenlijk geen keuze. Specifieke aandacht voor kinderen in de opvang is nodig en blijft nodig, als we niet willen dat de geschiedenis van huiselijk geweld zich herhaalt in de gezinnen van deze kinderen in de toekomst.

donderdag 29 september 2016

Is cliëntcentrale zorg commercieel interessant?


Bij de Volkskrant van 20 september zat een bijlage met als titel Cliëntcentrale zorg. Ik ben blij en verbaasd. Is het belang om de cliënt centraal te zetten in de zorg inmiddels zo ver doorgedrongen dat er zelfs een hele bijlage aan besteed wordt? En dan nog wel een commerciële bijlage. Is de cliënt centraal zetten niet alleen meer iets voor teerhartige hulpverleners, maar ook commercieel interessant?

Clientcentrale zorg is effectief
In die bijlage staat op pagina 13: ‘Uit diverse onderzoeken blijkt dat er een directe relatie is tussen gastvrije zorg en een beter en sneller herstel’. Maar niet alleen in de gezondheidszorg, ook in de jeugdhulp werkt cliëntcentrale zorg. Van Yperen en Van der Steege schreven in 2010 al in Methodiek en hulpverlener* tellen allebei dat verschillende factoren van invloed zijn op de effectiviteit van de hulp. Niet alleen de gebruikte methodiek is belangrijk, maar ook een goede relatie tussen de cliënt en de hulpverlener en aansluiten bij de motivatie van de cliënt. En de hulp goed afstemmen op de aard en de ernst van de problematiek. Daarvoor is het nodig dat de hulpvraag van het kind en de ouders het uitgangspunt is. En dat kan niet zonder ze actief te betrekken bij het hulpverleningsproces. Een positieve bejegening door de hulpverlener, betrokkenheid, warmte, empathie, acceptatie, aanmoediging en wederzijds respect zijn essentieel.

In de bijlage van de Volkskrant worden diverse bestuurders geciteerd die cliëntcentrale zorg op hun netvlies hebben. Hetty de Wit, bestuurder van de Zijlen zegt: ‘De behoeften van het individu en diens mogelijkheden moeten leidend zijn bij het geven van zorg en ondersteuning en niet protocollen of standaarden. Elke persoon is anders, evenals de situatie en voorkeuren’. En Arno Lelieveld, bestuurder bij TriviumLindenhof ‘merkt dat als jongeren uit de jeugdzorg wanneer hen gevraagd wordt wat voor hen het verschil heeft gemaakt, de namen noemen van professionals die hen het beste begrepen, gehoord en gezien hebben’.

Bij gemeenten staat de cliënt nog niet centraal

Bij gemeenten is dat besef nog niet doorgedrongen. ‘Geld voor jeugdpsychiatrie in veel gemeenten nu al op.’ meldt de NOS op 22 september jongstleden. In het artikel 'Staat de cliënt centraal in de jeugdhulp en in de toegang?'* dat ik deze maand publiceerde in het Tijdschrift voor Jeugdbeleid betoog ik dat cliënten nog steeds niet centraal staan en vaak wordt ‘vergeten’ om hen te informeren of naar hun mening te vragen. Niet het cliëntperspectief, maar het perspectief van de gemeente staat centraal in de organisatie van de jeugdhulp. De gemeente stuurt op budgetten, protocollen, zorgprogramma's, of klantcontacturen. ‘Ze stuurt niet op goede oplossingen’, zegt Jos de Blok van Buurtzorg zo treffend in een interview van Bram Bakker*. Belangrijk is om professionals de ruimte te geven samen met cliënten op zoek te gaan naar oplossingen.
Cliëntcentrale zorg is effectieve zorg en daarmee ook commercieel interessant. Het vermindert kosten en levert gezonde mensen op die kunnen participeren in de maatschappij. Dat is nog niet overal bekend, dus laten we daar vooral met regelmaat aandacht voor vragen.

*http://www.jeugdkennis.nl/jgk/Artikelen-Jeugdkennis/Methodiek-en-hulpverlener-tellen-allebei
*http://link.springer.com/article/10.1007/s12451-016-0118-6
*https://gaming.youtube.com/watch?v=A2H0vxRu8hQ&list=PLmd3IZRwXzwGR5pbRMm_FUvfIzYXW9SRt

Deze blog verscheen eerder op Kennisnet Jeugd.nl

maandag 29 augustus 2016

Groeiende hulpvraag als neveneffect van preventie


In 2007 maakten naar schatting 14% van alle minderjarigen gebruik van enige vorm van geïndiceerde zorg of speciaal onderwijs. De vraag blijft groeien. Het Volkskrant-artikel Waarom werd zij nooit behandeld? van 5 juli 2016 laat zien dat de jeugdzorg die vraag niet altijd aankan. Het NRC meldde op 18 juni 2016 in Vaker diagnose die niet klopt bij hoogbegaafden dat volgens sommigen sprake is van overbehandeling en overdiagnosticering in de geestelijke gezondheidszorg. Anderzijds blijkt uit onderzoek van Unicef dat Nederlandse kinderen de gelukkigste ter wereld zijn. Hoe kan dat?

Mechanismen achter de groei

Het lezen van de publicatie 'Kwetsbare kinderen. De groei van professionele zorg voor jeugd' van Nelleke Bakker gaf mij voor een deel antwoord op die vraag. Die publicatie geeft namelijk inzicht in de mechanismen achter de groei van de zorgconsumptie. Nelleke Bakker is hoofddocent historische pedagogiek aan de Rijksuniversiteit in Groningen en beschrijft de geschiedenis van de preventieve zorg voor kinderen vanaf de 19e eeuw.
Die preventieve zorg was aanvankelijk vooral medisch georiënteerd met de strijd tegen kinderpokken, het ontstaan van de schoolgezondheidszorg (schoolartsen), bestrijding van tuberculose (tbc) met gezonde buitenlucht en het ontstaan van vakantiekolonies. Na het uitroeien van pokken en tbc verschuift de aandacht naar de geestelijke gezondheid van kinderen in de 20e eeuw. De opkomst van het psychiatrisch perspectief in de opvoeding, de institutionalisering en professionalisering van kleuterzorg en de opkomst van het Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB) dragen hieraan bij.
Na de Tweede Wereldoorlog is er geen aandacht voor wat kinderen in die periode hebben meegemaakt. Wel is er meer specifieke aandacht voor het ‘zenuwachtige’ kind en zorg voor kinderen met leerproblemen. Dat is niet toevallig want de aandacht voor leerproblemen ging samen met de vestiging van de academische orthopedagogiek, speciaal onderwijs en onderzoek naar hersenziekten.

Diagnoses als neveneffect


Wat me echter vooral opviel, is dat Bakker laat zien hoe in de loop der tijd diagnoses veranderen van zenuwachtigheid, via minimal brain disfunction (MBD) naar ADHD; hoe het vullen van bedden van ‘vakantiekolonies’ voor ‘zwakke’ kinderen een doel op zich werd. En hoe het aanbod van speciaal onderwijs de vraag ernaar stimuleerde. Zo heeft de preventief bedoelde zorg dus als neveneffect dat sneller wordt ingegrepen of doorverwezen.
Je kunt toch niet tegen preventie zijn, zou je zeggen. Baat het niet, dan schaadt het niet. Maar oplettendheid hierbij is wel belangrijk. Het idee van preventie is dat het de groei van de geïndiceerde zorg tegen moet gaan. Maar door het preventiestreven zijn professionals een steeds grotere rol gaan spelen in het kinderleven en een groot deel van de kinderen heeft een diagnose. Preventie is prima en soms is snel ingrijpen nodig om erger te voorkomen. Maar we moeten ouders niet het gevoel geven dat kinderen zeer kwetsbare wezens zijn die bijna niet op te voeden zijn zonder professionele begeleiding.

Deze blog verscheen eerder op Kennisnet Jeugd

woensdag 29 juni 2016

Zie je (mij) wel? Over de (on)menselijke kanten van dakloosheid


Maandag was ik bij de theatervoorstelling Zie je (mij) wel? over de (on)menselijke kanten van dakloosheid, gemaakt en gespeeld door ervaringsdeskundigen.

Dakloze jongeren kennen hun BSN nummer uit hun hoofd. 'Je BSN - nummer wordt belangrijker dan je naam. Als je dakloos bent, dan raak je alles kwijt. Je uitkering, je spullen en tenslotte zagen ze ook nog aan de poten van je eigenwaarde'.

Het verhaal van Youri
Ervaringsdeskundigen spelen het verhaal van Youri die werkloos wordt. Hij gaat naar het UWV, daarna naar de sociale dienst, maar de instanties verwijzen naar elkaar en hij krijgt geen cent. De schulden stapelen zich op en het komt zover dat Youri dakloos wordt en naar de maatschappelijke opvang moet. De ramp is compleet als dan ook nog zijn rugzak met zijn identiteitskaart wordt gestolen. Voor een nieuwe ID kaart heeft hij geld nodig, dat heeft hij niet. Geen van de instanties kan dat hem voorschieten, zelfs niet als hij een baan kan krijgen. Geen ID, betekent geen baan, geen geld. Bij een uitzendbureau inschrijven lukt sowieso niet - zelfs met ID- Die willen geen mensen die bij de daklozenopvang verblijven.

Niet één pechvogel

Het is een indrukwekkende voorstelling en het verhaal van deze jongere is niet toevallig het verhaal van één pechvogel, maar iets wat regelmatig gebeurt. Instellingen die langs elkaar heen werken en cliënten die daar de dupe van worden. De voorstelling wordt gegeven aan medewerkers van de UWV, de sociale dienst, de gemeente, de Maatschappelijke Opvang. Na afloop van de voorstelling gaan de ervaringsdeskundigen in gesprek met de zaal. En iedereen is het er over eens dat het anders moet. Maar hoe is niet zo duidelijk.

Preventie
Van belang is voorkomen dat mensen uit huis worden gezet. Preventie is een taak voor de wijkteams, maar die zijn overbelast en komen niet aan preventie toe. Een verbod op huisuitzettingen? Dat lijkt idealistisch, maar dat is het niet als je de kosten van rechtszaken en maatschappelijke opvang meerekent. Ik hoorde vorig jaar over een jeugdzorgaanbieder die voor een gezin met jonge kinderen dat dakloos dreigde te worden de schuld van dat gezin betaalt heeft. De hoogte van de schuld stond in geen verhouding met de kosten van de opvang van het gezin. 'Ja, straks gaat iedereen dat doen', is de tegenreactie. 'Straks betaalt niemand meer de huur. We moeten één lijn trekken.'


Zie je mij wel?

Eén lijn trekken? Dat is nou precies wat we niet moeten doen. Instellingen zijn gevangen in regels en protocollen en kijken niet meer naar de mens die voor hen staat. Zie je mij wel? is niet voor niks de titel van het theaterstuk. De oplossing is maatwerk. Medewerkers van organisaties moeten de ruimte krijgen om te doen wat nodig is. Samenwerking met andere organisaties en creatief denken, doorbraakprojecten opzetten en een potje reserveren voor uitzonderlijke situaties. Doen wat nodig is om mensen te helpen en er voor te zorgen dat het niet van kwaad tot erger wordt.

woensdag 22 juni 2016

Opgroeien met kleerscheuren: levensverhalen als input voor beleid



Voor een effectief jeugdbeleid is het nodig de verhalen te kennen van de jongeren waar het beleid zich op richt. Daarvoor is het belangrijk dat beleidsmakers in gesprek gaan met kinderen en jongeren en kennis nemen van de lastige situatie waarin sommige jongeren opgroeien.

Eind mei was ik op een expertmeeting georganiseerd door het ministerie van VWS over jeugdparticipatie in gemeenten. Op deze expertmeeting deed een onderzoeker van het Verwey-Jonker instituut verslag van de resultaten van een enquête onder gemeenten over jeugdparticipatie. Uit dit onderzoek blijkt dat gemeenten jeugdparticipatie structureel willen verankeren en op zoek zijn naar handvatten om dat te realiseren.
Op deze middag zijn ook een aantal ‘best practices’ gepresenteerd. De succescriteria zijn:
• in gesprek gaan met jongeren
• echt luisteren
• samenwerken met jongeren bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid

Cool
Om in gesprek te gaan met jongeren hoef je echt niet ‘cool’ te zijn, vertellen jongeren. Zolang je maar jezelf bent en je niet ‘hoger’ opstelt.
Een jongere vertelde me over een rondetafelgesprek met wethouders waar hij laatst aan deelgenomen had. Ter voorbereiding van het gesprek hadden de jongeren een aantal casussen beschreven om te bespreken. In het rondetafelgesprek zei een van de wethouders: ‘Met deze casus hebben jullie wel erg overdreven, dit soort dingen gebeurt gewoon niet’. ‘Nou’, zei het meisje dat naast de wethouder zat, ‘deze dingen gebeuren wel, het is namelijk mijn levensverhaal.’

Overlastgevende jongeren

Veel wethouders, beleidsmedewerkers, docenten, weten niet wat jongeren daadwerkelijk meemaken. Soms zien ze alleen het moeilijke gedrag. Ze spreken over ‘overlastgevende jongeren’ en kennen het verhaal erachter niet. Dat wil niet zeggen dat we jongeren niet mogen aanspreken op hun gedrag. Maar het helpt wel als je begrijpt waar dat gedrag vandaan komt. Het geeft inzicht in wat kan helpen en welk beleid effectief kan zijn.
Ik kan daarvoor aanbevelen het boek ‘Opgroeien met kleerscheuren‘* eens te lezen. Het is geschreven door Janny van Heerbeek (gedragswetenschapper) en Paul Vreeken (jeugdhulpverlener), beide werkzaam bij Stek Jeugdhulp voor het programma Time-4-You, een programma waarbij ambulante hulpverleners onderdeel uitmaken van de zorgstructuur van Mbo-scholen. In deze publicatie vertellen 25 jongeren hun verhaal. Verhalen over geweld, misbruik, pesten, vluchten uit een vreemd land, ziektes van henzelf of hun ouders, adoptie, jong moeder worden, verslavingen enzovoorts. Maar ook wat hen deed besluiten de toekomst in eigen hand te nemen en weer naar school te gaan of door te zetten en een diploma te halen.

Input voor beleid
Het is van belang om in gesprek te gaan met jongeren omdat, zoals een van de jongeren in de publicatie zo treffend zegt, ‘mensen worden gevormd door wat ze meemaken. Kijk dus ook naar hun geschiedenis voordat je iemand beoordeelt’. De verhalen maken duidelijk waar beleid zich op moet focussen. Zo blijkt bijvoorbeeld hoe belangrijk onderwijs is. De ervaringen van de jongeren onderstrepen de noodzaak om hulp en onderwijs te combineren om daarmee jongeren weer op de rit te krijgen. Daardoor leren betrokkenen het hele verhaal van de jongere kennen en alleen dan kan goede en passende scholing en begeleiding plaatsvinden.
Beleid dat samen met cliënten wordt gemaakt, op basis van de levensverhalen van jongeren, komt de kwaliteit van dat beleid ten goede. Het sluit aan op wat nodig is en niet alleen op wat men denkt dat nodig is.
Heb jij een goed voorbeeld hoe verhalen van jongeren beleid hebben beïnvloed?

*Zie:http://www.stekjeugdhulp.nl/nl/nieuws/2016/05/boekpresentatie-opgroeien/233

Deze blog is eerder gepubliceerd op Kennisnet Jeugd

donderdag 26 mei 2016

Samenwerken met kind en gezin. Is dat een gedurfde ambitie?


De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) publiceerde deze week haar advies Een gedurfde ambitie. Veelzijdig samenwerken met kind en gezin. Ik ben geschokt. Is samenwerken met gezinnen en kinderen een gedurfde ambitie?

Samenwerken gedurfd?

Is samenwerken met ouders en jongeren niet de basis van alle hulpverlening? Hoezo gedurfde ambitie? Hoe denken ze dan over hulpverlening? Dat hulpverleners tegen cliënten zeggen wat ze moeten doen, advies geven en dan hopen dat het wel goed komt?

Dialoog
De aanbevelingen van de Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving zijn de volgende:
1. Professionals moeten de doelen van hulp altijd vaststellen in dialoog met ouders en kinderen, ook als het gaat om dwangmaatregelen. Professionals moeten zich steeds opnieuw afvragen hoe ver ze gaan in hun interventies in het gezin en hoe ondersteunend of dwingend zij zich opstellen.
2. Professionals horen niet alleen hun vakinhoudelijk competenties te ontwikkelen, maar ook relationele en normatieve competenties. Ze moeten kunnen reflecteren op hun relatie met het gezin en zich blijven afvragen of zij de juiste hulpverlener zijn. Daarnaast is kunnen omgaan met morele dilemma's belangrijk.
3.Bestuurders en beleidsmakers moeten terughoudend zijn in het inperken van de ruimte van professionals om te experimenteren met vormen van samenwerking. Voor gemeenten betekent dat bijvoorbeeld dat ze bij de inkoop van hulp financiële ruimte laten voor innovatie.

Wat is nieuw?
Prima aanbevelingen, daar niet van. Maar is dit nieuw? We weten toch al lang dat een goede relatie tussen hulpverlener en cliënt het meest effectieve onderdeel van de hulp is, veel meer dan alle evidence - based technieken. Iedere hulpverlener zou dat inderdaad moeten weten. En als ze dat nog niet weten, is het diep tragisch. Ook bij gedwongen hulp is het belangrijk samen te werken met ouders en jongeren en te investeren in de relatie. Om samen met kijken naar oplossingen voor de problemen in het gezin. En natuurlijk moeten hulpverleners de ruimte krijgen om samen met cliënten op zoek te gaan naar creatieve oplossingen voor dit kind en dit gezin.

Geen uitdaging maar noodzaak
Het zijn niet zozeer de adviezen die me storen, maar de titel van het rapport. Samenwerken een gedurfde ambitie? Hoezo? Samenwerken is niet altijd makkelijk. Daarom is hulpverlenen ook een vak. Anders konden we ouders en jongeren wel een folder geven met een goed advies en een uitdraai van de regels waar ze zich aan moeten houden. Investeren in de relatie en samenwerken met kind en gezin is noodzaak en basis voor effectieve hulp.

dinsdag 10 mei 2016

1Gezin1plan


Eén gezin, één plan is het uitgangspunt in de nieuwe jeugdwet. Maar hoe werkt dat in de praktijk en wat is het verschil met het familiegroepsplan? De publicatie 1 gezin 1 plan van Arjan Bolt en Quirien van der Zijden biedt inzicht.

Onderscheid familiegroepsplan en 1 gezin 1 plan

In de jeugdwet wordt zowel over het familie groepsplan als over één gezin één plan gesproken. Met één gezin één plan wordt bedoeld, dat waar hulpverleners samenwerken, één overkoepelend plan moet worden gemaakt en niet meerdere plannen naast elkaar. 'Wanneer gezinnen problemen hebben op meerdere vlakken, zoals opgroei- en opvoedproblematiek, financiële problemen en problemen met werk en huisvesting, moet de jeugdhulp integraal worden verleend, met veel speelruimte voor de professional om casusgericht te werken op basis van het principe van één gezin, één plan, één regisseur,’ staat in de toelichting op de jeugdwet.
Met het familiegroepsplan wordt bedoeld dat gezinnen het recht hebben om eerst zelf met familie en vrienden een plan op te stellen. Het familiegroepsplan is een belangrijk instrument in de nieuwe Jeugdwet en een goede manier om de regie van cliënten te versterken. Het familiegroepsplan is dus iets anders dan één gezin één plan. Maar wie de publicatie 1 gezin 1 plan leest zal zien dat - als je het zo aanpakt als in dit boek beschreven is - dat ook een manier kan zijn om de regie van ouders en kinderen te versterken.

Gelijkwaardige samenwerkingspartners
1 gezin1Plan is een uitgewerkte werkwijze die de positie van jeugdigen en hun ouders versterkt. Cliënten worden gezien als gelijkwaardige samenwerkingspartners. De hulp moet zo georganiseerd worden dat het aansluit op de behoeften en capaciteiten van clienten. Veel professionals formuleren de doelen voor de hulp niet vanuit het perspectief van de gezinsleden, maar vanuit hun eigen perspectief. In de publicatie 1Gezin1Plan wordt beschreven hoe de samenwerking van een team professionals rond een gezin vorm kan krijgen. Ook worden vaardigheden, methoden en technieken beschreven die behulpzaam zijn als je als professional met gezinnen werkt.

Eigen kracht
In het bijzonder de methodiek om 'de eigen kracht' en het probleemoplossend vermogen van cliënten te doen toenemen wordt uitgewerkt. Naast dat ze laten zien hoe de hulpvraag van het gezin centraal staat in de hulp, laten ze ook zien hoe je een gezin ondersteunt om de oplossing zelf te ontdekken. Daardoor is het iets van hen en een sleutel tot succesvolle hulp. Niet alleen bepalen de gezinsleden de doelen, maar vinden ook zelf de antwoorden op de hulpvragen die ze zelf gesteld hebben.

Aanrader
Dat lijkt misschien niet reëel of weggelegd voor gezinnen met lichte problematiek, maar dat is het niet. Aan de hand van voorbeelden uit de praktijk en buitengewoon concreet en praktisch wordt beschreven hoe je de samenwerking met multi-problem gezinnen vorm kunt geven. Hoe je mensen kunt activeren om zelf aan de slag te gaan. Niet door belerende praatjes, maar door je te verdiepen in de samenwerkingsrelatie. Het feit dat iemand geen hulpvraag formuleert wil niet zeggen dat iemand geen hulp wil. Het is aan de hulpverlener om op zoek te gaan naar de juiste benadering voor dit gezin.
Deze publicatie is een aanrader voor iedereen die met gezinnen werkt.

dinsdag 26 april 2016

Organiseren vanuit cliëntperspectief: terug naar de bedoeling


De client staat centraal, zeggen veel organisaties. Maar is dat ook werkelijk zo? En organiseren vanuit cliëntperspectief, hoe doe je dat? Een collega raadde me het boek Verdraaide organisaties. Terug naar de bedoeling van Wouter Hart aan.

Buurtzorg

Waardegestuurd werken, ruimte voor vakmanschap, zelfregie terug in het werk (zie mijn blog van 6 januari), de vernieuwing hangt in de lucht. Steeds meer wordt duidelijk dat de huidige manier van organiseren niet werkt. Dat al die regels en protocollen en sturing van bovenaf contra-productief werken. Een mooi voorbeeld van een organisatie die het anders heeft aangepakt is Buurtzorg van Jos de Blok http://www.buurtzorgnederland.com/ een organisatie die enorme successen boekt met een klanttevredenheid van een 9 en werkgever van het jaar werd in de categorie organisaties van meer dan 1000 medewerkers met de hoogste score. Wat doen zij dan anders?

Werken vanuit de bedoeling
Het interessante van succesvolle ondernemingen is dat ze vanuit de bedoeling werken. De bedoeling, de waarde voor de klant is het kompas en dat wordt vertaald in leidende principes voor de organisatie. De systeemwereld met zijn regels en protocollen is daaraan ondersteunend. Dat klinkt logisch, maar in steeds meer zorgorganisaties zijn de regels en protocollen leidend geworden in plaats van de bedoeling van de organisatie: het helpen van cliënten. Het volgen van regels geeft veiligheid en de cliënt wordt uit het oog verloren. Belangrijk is dat medewerkers zich eigenaar voelen van de organisatie en niet uitvoerder van regels. Dat ze zelf de verantwoordelijkheid kunnen nemen om te doen wat de bedoeling is en denken vanuit de cliënt. De enige manier om dat te realiseren is de regie vanuit het cliëntenperspectief te laten plaatsvinden. Door de cliënt zelf, of door er - als de cliënt daartoe niet in staat is of dat niet wil - een professional aan te koppelen.

Leefwereld
Belangrijk is interesse in de leefwereld van de cliënt. Echt luisteren, echt kijken (vraaggericht werken) wat nodig is. M.a.w. het vergroten van interesse van de professional in de bedoeling en dus de cliënt. Hoe meer een medewerker zich laat leiden door de bedoeling van de organisatie - en zich betrokken voelt op de cliënt - hoe groter de kans dat hij de cliënt echt ziet zoals hij/zij is en daardoor goed kan helpen.

De professional
Belangrijk is dat de professional helder heeft wat de bedoeling van de organisatie is; zich kan vinden in de kaders en de kaders bekend zijn; en voldoende vrije ruimte heeft om dat te benutten. Dat betekent minder controle en meer sturing op hoofdlijnen. Dat betekent eigenaarschap, het werken aan een goede leerstrategie, het organiseren van onmiddellijke feedback, vertrouwen, afschaffen van tal van regels en overhouden van drie tot vijf afspraken waar iedereen zich echt aan moet houden. De rol van de leidinggevende wordt dan ook anders van controle naar beschermen van de professional tegen belemmerende factoren van buitenaf.

Wat is nu eigenlijk de bedoeling van onze organisatie?
Dat is de vraag die keer op keer gesteld moet worden. Is dit nuttig voor ons doel? Nee, dan schaffen we het af. Verdraaide organisaties is interessante publicatie die gebaseerd is op een eenvoudig en duidelijk principe. Iets wat eigenlijk heel logisch is, maar in de praktijk vaak met voeten getreden wordt. Dus stel die vraag als professional, als manager als bestuurder zodat we met elkaar ervoor zorgen dat we doen wat de bedoeling is: cliënten helpen op een manier die aansluit op wat deze ene unieke cliënt nodig heeft en dat organiseren op een manier die daar op aansluit.

donderdag 14 april 2016

Jong beginnen voor effectieve jeugdhulp


Op 5 april ben ik naar Assen afgereisd voor het symposium Onderzoek de jeugdhulp! georganiseerd door Accare. Op dit symposium werden inzichten uit onderzoek gepresenteerd die een bijdrage moeten leveren aan de effectieve jeugdhulp. Ik was benieuwd en werd niet teleurgesteld.

Braafheidsbevorderende medicatie
De inleiding van de dag werd gedaan door Pieter Hoekstra, kinderpsychiater en hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, die ons in vogelvlucht meenam door het onderzoeksprogramma dat Accare uitvoert. Zo vertelde hij bijvoorbeeld over de resultaten van ADHD onderzoek. Uit een dubbelblind onderzoek blijkt dat na 2 jaar medicatie voor ADHD niet meer effectief is. En dat terwijl veel kinderen langer dan 2 jaar medicatie krijgen en je je kunt afvragen of al die kinderen die de diagnose ADHD krijgen dat ook wel terecht krijgen. Volkskrant 11 april: ouders die door school onder druk gezet worden hun kind, lastpak in de klas, ritalin of andere braafheidsbevorderende medicatie te geven.
Pieter Hoekstra pleit dan ook bij ADHD naast -indien nodig- medicatie oudertraining te geven zodat ouders leren omgaan met het gedrag van hun kind.

Ouders en kinderen veranderen elkaar

Een heel interessant verhaal kwam van Maaike Nauta, GZ psychologg en cognitief gedragstherapeut, over hulp aan kinderen met angststoornissen. 10 - 15% van de kinderen heeft daar op zo'n manier last van dat het beperkingen geeft in het functioneren. Niet behandelen/negeren is een slechte keuze, want het leidt dit op de langere termijn tot depressies, sociale angst en/of middelengebruik. Bovendien zijn er programma's die effectief zijn bij 70% van de kinderen. Een voorbeeld van zo'n programma is de dappere kat (zie http://www.dapperekat-online.nl/ ) geschikt voor kinderen en jongeren van 8 tot 18 jaar. Verder doen ze onderzoek in hoeverre de behandeling wel of niet effectiever wordt als ouders betrokken worden bij de behandeling. Want idee is dat overbeschermende ouders misschien angstige kinderen krijgen. Wat blijkt: gezinsbehandeling is niet effectiever. Kindgerichte therapie is effectief , maar ouder therapie is net zo effectief. M.a.w. cognitieve therapie is effectief en het maakt niet uit of je de ouders of het kind behandeld, want ze veranderen elkaar.

Jeugdzorg is geen kostenpost, maar een opbrengstenpost

Een andere invalshoek werd belicht door Jochem Mierau, universitair hoofddocent aan de faculteit Economie en bedrijfskunde in Groningen. De vraag die voorlag was of zorg een goede investering is. Jochem doet onderzoek naar de economische gevolgen van gezondheid en andersom naar hoe gezondheid invloed heeft op de omgeving. Zo vertelde hij bijvoorbeeld dat als je succesvolle interventies wil doen, je dat bij voorkeur bij kinderen tussen de 0 en 6 jaar moet doen, dat heeft zeer positieve effecten en dat interventies bij 16+ weinig effectief zijn. Investeren in hulp aan gezinnen. Zoals bekend maakt armoede dat ouders minder gezonde keuzes maken. Dat is weer van invloed op de gezondheid van de kinderen op latere leeftijd. En bijvoorbeeld tienermoeders zijn vaak meisjes uit multi-problem gezinnen met lagere opleidingskansen. Door een interventie kan het levenslange traject veranderen. Als je vroeg begint en dat goed doet, beïnvloedt het het hele leven. Daarmee is de jeugdzorg geen kostenpost, maar een opbrengstenpost met grote maatschappelijke baten.

Depressie heeft een sterk erfelijke component
Tenslotte hield Robert Schoevers, hoogleraar en hoofd afdeling psychiatrie in het UMCG, een verhaal over depressie. 24% van de vrouwen en 13% van de mannen heeft er last van en als je het eenmaal gehad hebt is er 50% kans op terugval. Depressie heeft een heel sterke relatie met allerlei lichamelijke ziektes. Er is een sterke erfelijke component. Kinderen van ouders met angststoornissen en depressie krijgen hebben op hun 20e in 38% van de gevallen ook ook last van angsten en depressies en op hun 35e zelfs in 65% van de gevallen. 23 % van de jongeren meldt zich bij de GGZ met klachten. Risicofactoren zijn: vermoeidheid, hoog BMI, vrouw, moeder met depressie en (psychisch) afwezig ouders. Wanneer we in preventieve zin iets willen doen moeten we jong beginnen, klachten serieus nemen en risicofactoren kennen.