maandag 23 mei 2011

Decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten: een nieuwe kans of een bedreiging?


Op 19 mei was ik op de door de VNG georganiseerde conferentie Nieuwe kansen voor het CJG en de Jeugdzorg. De VNG organiseert conferenties in Nederland om de gemeenten voor te bereiden en te informeren over de decentralisatie van de jeugdzorg. Gemeenten moeten visie en beleid ontwikkelen om deze nieuwe taak goed uit te voeren.
Ligt er dan geen visie ten grondslag aan deze decentralisatie? Niet echt. Er wordt iets gezegd over de zorg dichter bij de klant brengen, maar in feite is het een bezuinigingsoperatie en de gemeenten worden opgezadeld met een taak waar ze niet op zijn voorbereid, (nog) niet voor zijn toegerust en waar ze ook nog eens minder geld voor krijgen dan de Provincie kreeg. Geen gemakkelijke opdracht.

Op deze conferentie werd nog eens helder uitgelegd wat de decentralisatie precies inhoudt. Alle taken op het gebied van jeugdzorg zullen worden overgeheveld naar de gemeenten. Het betreft hier: jeugd-GGZ (zowel AWBZ als Zorgverzekeringswet), provinciale jeugdzorg, gesloten jeugdzorg, jeugdreclassering, jeugdbescherming en de zorg voor de licht verstandelijk gehandicapte jeugd. Preventie en vrijwillige hulpverlening wordt in goede afstemming met gedwongen hulpverlening georganiseerd door (samenwerkende) gemeenten. De Centra voor Jeugd en Gezin zullen bij de overheveling naar de (samenwerkende) gemeenten gaan dienen als front office voor alle jeugdzorg van de gemeenten.

Tom van Yperen van het Nederlands Jeugdinstituut vertelde op de conferentie dat de meeste jeugdigen in Nederland gelukkig zijn en ook in vergelijking tot de omringende landen onze jeugdigen weinig gedragsproblemen hebben, maar dat de behoefte aan zorg toch stijgt. Hoe komt dat dan? Kinderen krijgen sneller een label (ADHD, autisme, PDD-NOS enz.) en mensen doen sneller een beroep op professionals. Dat hebben we eerder gehoord, maar wat kunnen we er aan doen? Hoe kun je de vraag naar zorg terugdringen zonder dat kinderen die het echt nodig hebben daar de dupe van worden? Volgens van Yperen gaat het om twee zaken:
- goede kwaliteit van de pedagogische leefomgeving (gezin, buurt, school) de zogenaamde civil society zoals we die kennen van prof. Micha de Winter
- samenhangende zorgstructuur die gericht is op herstel van het gewone leven, eigen kracht van het gezin, het netwerk herstelt, effectief en efficiënt is en werkt met het principe van één gezin één plan.

Effectief en efficiënt, maar hoe werkt dat in de praktijk? Want wat je nu ziet is dat soms 20 hulpverleners betrokken zijn bij één gezin zonder dat het gezin daar daadwerkelijk iets mee opschiet. Belangrijk is verschillende taken te combineren in één centrale persoon. Zinvol is het principe van de zogenaamde wrap around care waarbij een professionele coördinator, een generalist, op basis van één plan - dat is opgesteld in samenwerking met de cliënt - werkt aan heldere concrete doelen.
Waarom wordt deze aanpak dan niet ingezet in meerdere gemeenten, kun je je afvragen. Het blijkt dat samenwerking tussen instellingen lastiger is dan gedacht. In de workshop 's middags over regionale samenwerkingsverbanden rondom jeugd en gezin werd duidelijk hoe dat komt. Uit onderzoek blijkt dat er 5 redenen zijn voor organisaties om samen te werken (Prof.dr. Patrick Kenis)
1. Versterken van de eigen machtspositie
2. Reduceren van onzekerheid
3. Legitimiteitsoverwegingen
4. Efficientie overwegingen
5. Effectiviteitsoverwegingen

Geen wonder dat al deze samenwerkingsverbanden van hulpverleningsinstellingen niet goed lopen en dat het absoluut noodzaak is samenwerkingsverbanden rondom probleemgezinnen te laten begeleiden door een onafhankelijke projectleider die er bovenop zit en met een backup van de gemeente er voor zorgt dat de focus steeds opnieuw teruggaat naar de client en het gezin, naar het versterken van de eigen kracht, het beperken van de hulpverleners betrokken bij het gezin en het neerzetten van een samenhangende zorgstructuur. Het is aan gemeenten om hier het voortouw in te nemen, want zoals ik al eerder heb gezegd: het organiseren van jeugdzorg gaat van onderaf, de vraag van de client moet het organiserende principe zijn op basis waarvan de zorg voor de jeugd georganiseerd wordt. Een nieuwe kans?


dinsdag 17 mei 2011

Begeleiding van zwerfjongeren met een lichte verstandelijke beperking


Vandaag, 17 mei, was ik bij de presentatie van het onderzoek naar de begeleiding van zwerfjongeren met een lichte verstandelijke beperking door de Binnenvest, maatschappelijke opvang en de Haardstee, organisatie voor begeleiding van mensen met een verstandelijk beperking in Leiden en omgeving. Samenwerking tussen de maatschappelijke opvang en de LVG sector is zinvol omdat naar schatting 1/3 van de daklozen licht verstandelijk gehandicapt is en dat de percentages bij zwerfjongeren hoger liggen. Men gaat uit van meer dan 9000 zwerfjongeren met een verstandelijke handicap in Nederland.
Begin 2010 was ik betrokken bij de start van het samenwerkingsproject tussen de Binnenvest en de Haardstee en ik was benieuwd naar de resultaten. De Binnenvest zag veel zwerfjongeren in de opvang en de Haardstee zag veel cliënten die een zwervend bestaan gingen leiden. Tijd dus om de handen in elkaar te slaan en de expertise te bundelen om deze moeilijke doelgroep de begeleiding te bieden die ze nodig heeft, waarbij de outreachende benadering van de Binnenvest geintegreerd werd met de kennis en vaardigheden van de LVG sector. Simpel gezegd, maar een hele opgave om twee organisatieculturen ineen te smelten. Toch de moeite waard, want het betreft een bijzonder moeilijke doelgroep van jongeren tussen de 18 en 27 jaar, met een verstandelijke handicap, dakloos en met meervoudige problemen zoals verslaving, schulden, agressie, werkloosheid, psychiatrische problematiek, contacten met politie/justitie en vaak ook nog de zorg voor jonge kinderen.
Uiteindelijk zijn in het project 31 jongeren begeleidt en daarvan bevinden 25 jongeren zich nu in een stabiele situatie. Het was zeker niet eenvoudig geweest, zo bleek op de presentatie, maar het is toch zonder meer een geweldig resultaat. Wat maakte dat het gelukt is, wat was anders?
De gouden tips:
- beginnen met opbouwen van de relatie voordat aan doelen gewerkt wordt
- naast de cliënt staan (gelijkwaardig) en ze aan de hand nemen als dat nodig is
- een lange adem hebben, op zoek gaan naar nieuwe mogelijkheden, steeds opnieuw vastgrijpen
- niet uit gaan van de (negatieve) voorgeschiedenis maar een nieuwe start maken

Aan het samenwerkingsproject was een actieonderzoek gekoppeld. In dit onderzoek is gekeken naar de meerwaarde die de samenwerking tussen een organisatie voor mensen met een verstandelijke beperking, en een organisatie voor maatschappelijke ondersteuning, kan hebben bij het begeleiden van deze jongeren. Op basis van dit onderzoek zijn bouwstenen voor de methodiek die ontwikkeld wordt, geselecteerd.
Hier een greep uit de bouwstenen:
1. De inhoud van de hulpverlening
- korte termijn doelen voor cliënten stellen
- hulpverleningsstijl: geduld en zakelijkheid
- voor motivatie bij de cliënt: blijven zoeken naar een ingang, bijvoorbeeld het netwerk inzetten
- met betrekking tot de communicatie: op een laag niveau insteken, zo nodig opschalen, vragen herhalen
- als er kinderen zijn: meer aandacht, strakke regels en duidelijkheid over inschakelen externen
2. De organisatie van de hulpverlening
- versnellen intakeprocedure
- ketenpartners goed informeren over cliënten die vaak wel willen maar niet kunnen
- goede scholing waaronder in gesprekstechnieken
3. Het welbevinden van de hulpverlener
- grenzen hulpverleners bewaken
- ondersteuning en begeleiding team
Al met al heel wat tips en bouwstenen en duidelijk een zaak van lange adem maar een zinvolle investering omdat hoe langer deze jongeren op straat verblijven, hoe groter de problematiek. En als de samenwerking tussen de Binnenvest en de Haardstee goed loopt is het zaak uit te breiden naar andere ketenpartners om gezamenlijk een sluitende begeleidingsaanbod te bieden en een supersnelle gecombineerde intake. Toekomstmuziek, maar vandaag is de eerste (hei)paal geslagen.

maandag 9 mei 2011

Ambassadeursmoeders CJG



In april heb ik een training gegeven over positief opvoeden aan ambassadeursmoeders van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Breda. Ambassadeursmoeders zijn moeders die een brug vormen tussen het CJG en de doelgroep van het CJG. Ze hebben veelal ervaring met hulpverlening en behoren tot de doelgroep die het CJG wil bereiken. Ambassadeursmoeders leggen de verbinding en gaan de dialoog aan over positief opvoeden op het schoolplein en in de buurt. Zij maken de vertaalslag tussen het aanbod van het CJG en de wensen en behoeften van ouders en opvoeders.
Projectleider en initiatiefnemer van het project ambassadeursmoeders is Yvonne de Gouw van Surplus Welzijn, één van de samenwerkende organisaties in het CJG Breda. Voor zover mij bekend is dit het eerste CJG dat met ambassadeursmoeders werkt. En van wat ik ervan heb gezien in Breda is het een initiatief dat navolging verdiend. Ambassadeursmoeders kunnen de drempel van het CJG verlagen en ouders kunnen bereikt worden die nu nog niet bereikt worden. De moeders kunnen herkenning bieden en laten zien dat hulp vragen over opvoeding geen taboe is en goed kan helpen. Ook kunnen de ambassadeursmoeders worden ingezet bij voorlichting over het CJG en de boodschap van het CJG. Zelf heb ik de moeders een keer gevraagd bij een introductiebijeenkomst voor hulpverleners over Triple P om wat te vertellen wat een hulpverlener nou juist wel en niet moet doen. "Maar dat weten de hulpverleners toch?" vroegen de moeders me. Dat is zeker zo maar toch vonden de hulpverleners het de moeite waard om uit de mond van cliënten zelf te horen wat zij belangrijk vinden in de hulp. Geen schokkend nieuws, maar toch zette het hen weer aan het denken en daarnaast hadden ze de mogelijkheid vragen te stellen over hulpverlening in het algemeen die je aan eigen cliënten niet zo snel stelt.
De ambassadeursmoeders worden uitgebreid getraind om voorbereid te zijn op hun taak. Zo krijgen ze een training in empowerment en zoals gezegd in positief opvoeden. Doel is dat ze hun rol zo invullen dat ze geen bemoeial zijn, maar ondersteunend naar andere ouders. En het mes snijdt ook nog eens aan twee kanten, want wat de moeders leren op de training kunnen ze meteen in de praktijk op hun eigen kinderen toepassen.
Foto: fotografie DUNA

dinsdag 3 mei 2011

De jongen die niet kan dromen


Deze maand stuurde Biblion me de roman De jongen die niet kan dromen van Vauro Senesie toe om te recenseren. Het was de eerste keer dat ik een literaire roman toegestuurd kreeg, tot op dat moment waren het steeds theoretische boeken en non-fictie geweest. Maar de schrijver van deze roman zegt: 'Dit verhaal is waar gebeurd, ook al is het verzonnen.'
De auteur was oorlogscorrespondent in o.a. Afghanistan, Palestina en is behalve journalist een in Italië populaire tekenaar van satirische cartoons. In 1996 won hij de Forte dei Marmi, een prijs voor politieke satire. In dit boek beschrijft hij het dagelijks leven van de tienjarige Kualid die met zijn moeder en opa aan de rand van Kabul woont in een gebied dat geregeerd wordt door de Taliban en in oorlog is met de moedjahedien. We zien hoe hij zijn dagen doorbrengt met het vullen van gaten in de weg in de hoop een zakcentje bij te verdienen voor het gezin. Ook zien we de armoede en de invloed van de oorlog en van deTaliban op het dagelijkse leven van Kualid, zijn familie en zijn vrienden. Kualid is een jongen die ondanks de gevaren van de oorlog en de restricties van de Taliban er alles aan probeert te doen zijn gezin te helpen. Maar Kualid heeft ook zijn eigen dromen en verlangens. Wat Kualid dwars zit is dat hij nooit droomt en hij probeert hier oplossingen voor te vinden. Voor wie de Vliegeraar van Khaled Hosseini gelezen heeft zal het een en ander bekend voorkomen want het speelt deels in de zelfde periode op dezelfde locatie, maar het schept (wederom) een beeld van het moeilijke leven van kinderen in Afghanistan ten tijden van de Taliban.