maandag 27 juni 2011

Het land van angst



Ieder mens heeft bepaalde angsten en in de roman het land van angst van Isaac Rosa passeren ze allemaal de revue.
Vorige week kreeg ik deze roman toegestuurd om te recenseren. Isaac Rosa is een succesvolle Spaanse auteur. Het land van de angst werd door de Fundación José Manuel Lara Hernández verkozen tot Beste Roman van 2008 en is in meer dan 7 landen verschenen. Daarnaast heeft hij vele bekroonde romans, verhalen en toneelstukken op zijn naam staan.

Carlos leidt een beschermd leven met zijn vrouw en zoon, maar zijn leven wordt beheerst door angsten. Angsten die voor veel mensen herkenbaar zijn. Als één van Carlos zijn angsten werkelijkheid wordt, doordat hij merkt dat zijn zoon gepest, mishandeld en afgeperst wordt, reageert hij op een manier die de situatie alleen maar verergert. De angst krijgt steeds meer de overhand en resultaat is dat hij vervolgens zelf wordt afgeperst, de greep op de situatie verliest en afkoerst op een tragisch einde.
Indringende roman over hoe angst steeds meer iemands leven gaat beheersen en ervoor zorgt dat deze angsten ook nog eens werkelijkheid worden.

dinsdag 7 juni 2011

Jeugd GGZ wel of niet naar de gemeente?


Met de decentralisatie van de jeugdzorg worden alle taken op het gebied van jeugdzorg overgeheveld naar de gemeenten. Er komt één financieringssysteem voor de gehele jeugdzorg en alle taken op het gebied van jeugdzorg (incl. jeugd-LVG en jeugd-ggz) worden naar de gemeenten overgeheveld.

De overheveling van jeugd-ggz naar gemeenten roept bij GGZ Nederland veel vragen op. Zij stellen dat daardoor schotten dreigen te ontstaan in de bekostiging van de ggz voor volwassenen en ggz voor jeugd enerzijds en tussen de ggz en somatiek anderzijds. Zij vinden dit is zowel zorginhoudelijk als financieringstechnisch ongewenst. GGZ Nederland zet ook grote vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van de bekostiging van curatieve zorg door gemeenten.

Dat GGZ Nederland zich zorgen maakt over de financiering is logisch. De decentralisatie gaat gepaard met een met een efficiencykorting (80 mln in 2015, oplopend tot 300 mln in de jaren daarna).
Zorginhoudelijk is er veel meer over te zeggen en zijn er naast de genoemde zorgen zeker ook veel voordelen te benoemen. Samenwerking tussen de jeugd-ggz en de jeugdzorg heeft onmiskenbaar voordelen. Het bieden van één integraal behandeltraject, indien nodig met de inzet van verschillende disciplines heeft een meerwaarde voor cliënten. De kennis en vaardigheden van de jeugdzorg in het behandelen van gedragsproblemen gecombineerd met de kennis en aanpak van de jeugd-ggz in het behandelen van stoornissen en trauma’s resulteert in betere hulp voor de cliënt. Nu zijn het vaak gescheiden trajecten, waarbij lager opgeleide cliënten met minder geld vaker bij de jeugdzorg terechtkomen en beter opgeleide cliënten met een hoger inkomen bij de jeugd-ggz. Cliënten van de jeugdzorg krijgen dan over het algemeen een gezinsgerichte behandeling en cliënten in de jeugd-ggz een individuele behandeling gericht op stoornissen. En dat terwijl juist de combinatie van een gezinsgericht, gedragsmatige aanpak gecombineerd met behandeling van stoornissen en trauma’s ideaal is.

Maar zijn de aanmeldklachten bij de jeugd-ggz en de jeugdzorg dan zo verschillend?

Nee.

Volgens Tom van Yperen van het Nederlands Jeugdinstituut zijn de doelgroep, de aanmeldklachten en diagnoses van de jeugd-ggz en de jeugdzorg vergelijkbaar:
• 53% van cliënten in j-ggz is jeugdige, 47% volwassene
• 51% van aanmeldklachten is ‘Gedragsklachten’
• 40% diagnose ‘Stoornis in ontwikkeling / gedrag’
• 35% diagnose ‘Overig’

Dus reden genoeg voor de jeugd-ggz om mee te gaan in de decentralisatie en meer op te trekken met de jeugdzorg in de ontwikkeling van een integraal en optimaal aanbod op maat.

maandag 23 mei 2011

Decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten: een nieuwe kans of een bedreiging?


Op 19 mei was ik op de door de VNG georganiseerde conferentie Nieuwe kansen voor het CJG en de Jeugdzorg. De VNG organiseert conferenties in Nederland om de gemeenten voor te bereiden en te informeren over de decentralisatie van de jeugdzorg. Gemeenten moeten visie en beleid ontwikkelen om deze nieuwe taak goed uit te voeren.
Ligt er dan geen visie ten grondslag aan deze decentralisatie? Niet echt. Er wordt iets gezegd over de zorg dichter bij de klant brengen, maar in feite is het een bezuinigingsoperatie en de gemeenten worden opgezadeld met een taak waar ze niet op zijn voorbereid, (nog) niet voor zijn toegerust en waar ze ook nog eens minder geld voor krijgen dan de Provincie kreeg. Geen gemakkelijke opdracht.

Op deze conferentie werd nog eens helder uitgelegd wat de decentralisatie precies inhoudt. Alle taken op het gebied van jeugdzorg zullen worden overgeheveld naar de gemeenten. Het betreft hier: jeugd-GGZ (zowel AWBZ als Zorgverzekeringswet), provinciale jeugdzorg, gesloten jeugdzorg, jeugdreclassering, jeugdbescherming en de zorg voor de licht verstandelijk gehandicapte jeugd. Preventie en vrijwillige hulpverlening wordt in goede afstemming met gedwongen hulpverlening georganiseerd door (samenwerkende) gemeenten. De Centra voor Jeugd en Gezin zullen bij de overheveling naar de (samenwerkende) gemeenten gaan dienen als front office voor alle jeugdzorg van de gemeenten.

Tom van Yperen van het Nederlands Jeugdinstituut vertelde op de conferentie dat de meeste jeugdigen in Nederland gelukkig zijn en ook in vergelijking tot de omringende landen onze jeugdigen weinig gedragsproblemen hebben, maar dat de behoefte aan zorg toch stijgt. Hoe komt dat dan? Kinderen krijgen sneller een label (ADHD, autisme, PDD-NOS enz.) en mensen doen sneller een beroep op professionals. Dat hebben we eerder gehoord, maar wat kunnen we er aan doen? Hoe kun je de vraag naar zorg terugdringen zonder dat kinderen die het echt nodig hebben daar de dupe van worden? Volgens van Yperen gaat het om twee zaken:
- goede kwaliteit van de pedagogische leefomgeving (gezin, buurt, school) de zogenaamde civil society zoals we die kennen van prof. Micha de Winter
- samenhangende zorgstructuur die gericht is op herstel van het gewone leven, eigen kracht van het gezin, het netwerk herstelt, effectief en efficiënt is en werkt met het principe van één gezin één plan.

Effectief en efficiënt, maar hoe werkt dat in de praktijk? Want wat je nu ziet is dat soms 20 hulpverleners betrokken zijn bij één gezin zonder dat het gezin daar daadwerkelijk iets mee opschiet. Belangrijk is verschillende taken te combineren in één centrale persoon. Zinvol is het principe van de zogenaamde wrap around care waarbij een professionele coördinator, een generalist, op basis van één plan - dat is opgesteld in samenwerking met de cliënt - werkt aan heldere concrete doelen.
Waarom wordt deze aanpak dan niet ingezet in meerdere gemeenten, kun je je afvragen. Het blijkt dat samenwerking tussen instellingen lastiger is dan gedacht. In de workshop 's middags over regionale samenwerkingsverbanden rondom jeugd en gezin werd duidelijk hoe dat komt. Uit onderzoek blijkt dat er 5 redenen zijn voor organisaties om samen te werken (Prof.dr. Patrick Kenis)
1. Versterken van de eigen machtspositie
2. Reduceren van onzekerheid
3. Legitimiteitsoverwegingen
4. Efficientie overwegingen
5. Effectiviteitsoverwegingen

Geen wonder dat al deze samenwerkingsverbanden van hulpverleningsinstellingen niet goed lopen en dat het absoluut noodzaak is samenwerkingsverbanden rondom probleemgezinnen te laten begeleiden door een onafhankelijke projectleider die er bovenop zit en met een backup van de gemeente er voor zorgt dat de focus steeds opnieuw teruggaat naar de client en het gezin, naar het versterken van de eigen kracht, het beperken van de hulpverleners betrokken bij het gezin en het neerzetten van een samenhangende zorgstructuur. Het is aan gemeenten om hier het voortouw in te nemen, want zoals ik al eerder heb gezegd: het organiseren van jeugdzorg gaat van onderaf, de vraag van de client moet het organiserende principe zijn op basis waarvan de zorg voor de jeugd georganiseerd wordt. Een nieuwe kans?


dinsdag 17 mei 2011

Begeleiding van zwerfjongeren met een lichte verstandelijke beperking


Vandaag, 17 mei, was ik bij de presentatie van het onderzoek naar de begeleiding van zwerfjongeren met een lichte verstandelijke beperking door de Binnenvest, maatschappelijke opvang en de Haardstee, organisatie voor begeleiding van mensen met een verstandelijk beperking in Leiden en omgeving. Samenwerking tussen de maatschappelijke opvang en de LVG sector is zinvol omdat naar schatting 1/3 van de daklozen licht verstandelijk gehandicapt is en dat de percentages bij zwerfjongeren hoger liggen. Men gaat uit van meer dan 9000 zwerfjongeren met een verstandelijke handicap in Nederland.
Begin 2010 was ik betrokken bij de start van het samenwerkingsproject tussen de Binnenvest en de Haardstee en ik was benieuwd naar de resultaten. De Binnenvest zag veel zwerfjongeren in de opvang en de Haardstee zag veel cliënten die een zwervend bestaan gingen leiden. Tijd dus om de handen in elkaar te slaan en de expertise te bundelen om deze moeilijke doelgroep de begeleiding te bieden die ze nodig heeft, waarbij de outreachende benadering van de Binnenvest geintegreerd werd met de kennis en vaardigheden van de LVG sector. Simpel gezegd, maar een hele opgave om twee organisatieculturen ineen te smelten. Toch de moeite waard, want het betreft een bijzonder moeilijke doelgroep van jongeren tussen de 18 en 27 jaar, met een verstandelijke handicap, dakloos en met meervoudige problemen zoals verslaving, schulden, agressie, werkloosheid, psychiatrische problematiek, contacten met politie/justitie en vaak ook nog de zorg voor jonge kinderen.
Uiteindelijk zijn in het project 31 jongeren begeleidt en daarvan bevinden 25 jongeren zich nu in een stabiele situatie. Het was zeker niet eenvoudig geweest, zo bleek op de presentatie, maar het is toch zonder meer een geweldig resultaat. Wat maakte dat het gelukt is, wat was anders?
De gouden tips:
- beginnen met opbouwen van de relatie voordat aan doelen gewerkt wordt
- naast de cliënt staan (gelijkwaardig) en ze aan de hand nemen als dat nodig is
- een lange adem hebben, op zoek gaan naar nieuwe mogelijkheden, steeds opnieuw vastgrijpen
- niet uit gaan van de (negatieve) voorgeschiedenis maar een nieuwe start maken

Aan het samenwerkingsproject was een actieonderzoek gekoppeld. In dit onderzoek is gekeken naar de meerwaarde die de samenwerking tussen een organisatie voor mensen met een verstandelijke beperking, en een organisatie voor maatschappelijke ondersteuning, kan hebben bij het begeleiden van deze jongeren. Op basis van dit onderzoek zijn bouwstenen voor de methodiek die ontwikkeld wordt, geselecteerd.
Hier een greep uit de bouwstenen:
1. De inhoud van de hulpverlening
- korte termijn doelen voor cliënten stellen
- hulpverleningsstijl: geduld en zakelijkheid
- voor motivatie bij de cliënt: blijven zoeken naar een ingang, bijvoorbeeld het netwerk inzetten
- met betrekking tot de communicatie: op een laag niveau insteken, zo nodig opschalen, vragen herhalen
- als er kinderen zijn: meer aandacht, strakke regels en duidelijkheid over inschakelen externen
2. De organisatie van de hulpverlening
- versnellen intakeprocedure
- ketenpartners goed informeren over cliënten die vaak wel willen maar niet kunnen
- goede scholing waaronder in gesprekstechnieken
3. Het welbevinden van de hulpverlener
- grenzen hulpverleners bewaken
- ondersteuning en begeleiding team
Al met al heel wat tips en bouwstenen en duidelijk een zaak van lange adem maar een zinvolle investering omdat hoe langer deze jongeren op straat verblijven, hoe groter de problematiek. En als de samenwerking tussen de Binnenvest en de Haardstee goed loopt is het zaak uit te breiden naar andere ketenpartners om gezamenlijk een sluitende begeleidingsaanbod te bieden en een supersnelle gecombineerde intake. Toekomstmuziek, maar vandaag is de eerste (hei)paal geslagen.

maandag 9 mei 2011

Ambassadeursmoeders CJG



In april heb ik een training gegeven over positief opvoeden aan ambassadeursmoeders van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Breda. Ambassadeursmoeders zijn moeders die een brug vormen tussen het CJG en de doelgroep van het CJG. Ze hebben veelal ervaring met hulpverlening en behoren tot de doelgroep die het CJG wil bereiken. Ambassadeursmoeders leggen de verbinding en gaan de dialoog aan over positief opvoeden op het schoolplein en in de buurt. Zij maken de vertaalslag tussen het aanbod van het CJG en de wensen en behoeften van ouders en opvoeders.
Projectleider en initiatiefnemer van het project ambassadeursmoeders is Yvonne de Gouw van Surplus Welzijn, één van de samenwerkende organisaties in het CJG Breda. Voor zover mij bekend is dit het eerste CJG dat met ambassadeursmoeders werkt. En van wat ik ervan heb gezien in Breda is het een initiatief dat navolging verdiend. Ambassadeursmoeders kunnen de drempel van het CJG verlagen en ouders kunnen bereikt worden die nu nog niet bereikt worden. De moeders kunnen herkenning bieden en laten zien dat hulp vragen over opvoeding geen taboe is en goed kan helpen. Ook kunnen de ambassadeursmoeders worden ingezet bij voorlichting over het CJG en de boodschap van het CJG. Zelf heb ik de moeders een keer gevraagd bij een introductiebijeenkomst voor hulpverleners over Triple P om wat te vertellen wat een hulpverlener nou juist wel en niet moet doen. "Maar dat weten de hulpverleners toch?" vroegen de moeders me. Dat is zeker zo maar toch vonden de hulpverleners het de moeite waard om uit de mond van cliënten zelf te horen wat zij belangrijk vinden in de hulp. Geen schokkend nieuws, maar toch zette het hen weer aan het denken en daarnaast hadden ze de mogelijkheid vragen te stellen over hulpverlening in het algemeen die je aan eigen cliënten niet zo snel stelt.
De ambassadeursmoeders worden uitgebreid getraind om voorbereid te zijn op hun taak. Zo krijgen ze een training in empowerment en zoals gezegd in positief opvoeden. Doel is dat ze hun rol zo invullen dat ze geen bemoeial zijn, maar ondersteunend naar andere ouders. En het mes snijdt ook nog eens aan twee kanten, want wat de moeders leren op de training kunnen ze meteen in de praktijk op hun eigen kinderen toepassen.
Foto: fotografie DUNA

dinsdag 3 mei 2011

De jongen die niet kan dromen


Deze maand stuurde Biblion me de roman De jongen die niet kan dromen van Vauro Senesie toe om te recenseren. Het was de eerste keer dat ik een literaire roman toegestuurd kreeg, tot op dat moment waren het steeds theoretische boeken en non-fictie geweest. Maar de schrijver van deze roman zegt: 'Dit verhaal is waar gebeurd, ook al is het verzonnen.'
De auteur was oorlogscorrespondent in o.a. Afghanistan, Palestina en is behalve journalist een in Italië populaire tekenaar van satirische cartoons. In 1996 won hij de Forte dei Marmi, een prijs voor politieke satire. In dit boek beschrijft hij het dagelijks leven van de tienjarige Kualid die met zijn moeder en opa aan de rand van Kabul woont in een gebied dat geregeerd wordt door de Taliban en in oorlog is met de moedjahedien. We zien hoe hij zijn dagen doorbrengt met het vullen van gaten in de weg in de hoop een zakcentje bij te verdienen voor het gezin. Ook zien we de armoede en de invloed van de oorlog en van deTaliban op het dagelijkse leven van Kualid, zijn familie en zijn vrienden. Kualid is een jongen die ondanks de gevaren van de oorlog en de restricties van de Taliban er alles aan probeert te doen zijn gezin te helpen. Maar Kualid heeft ook zijn eigen dromen en verlangens. Wat Kualid dwars zit is dat hij nooit droomt en hij probeert hier oplossingen voor te vinden. Voor wie de Vliegeraar van Khaled Hosseini gelezen heeft zal het een en ander bekend voorkomen want het speelt deels in de zelfde periode op dezelfde locatie, maar het schept (wederom) een beeld van het moeilijke leven van kinderen in Afghanistan ten tijden van de Taliban.

maandag 18 april 2011

Ruimte voor de professional


Op dinsdag 12 april was ik op de conferentie Ruimte voor de professional want er stonden een aantal interessante sprekers op het programma.
In het onderwijs is de boodschap dat docenten meer gebruik moeten maken van hun professionele ruimte en hiertoe ook in gelegenheid gesteld moeten worden. Binnen jeugdzorg spelen gelijksoortige processen. Maar door de verantwoordingsplicht en de bureaucratisering zijn jeugdzorgwerkers meer met administratieve handelingen bezig zijn dan met de cliënt. Op deze conferentie is gekeken naar de rol van de professional zelf, het management en het bestuur/ de overheid binnen dit proces.
Na de opening door Karin Kleine, organisator van het congres, werd de bijeenkomst ingeleid door Doekle Terpstra, momenteel collegevoorzitter bij de Hogeschool INHOLLAND met als taak daar orde op zaken te stellen. Doekle vertelde dat hij aan docenten had gevraagd hoe hij de professionalisering vorm zou moeten geven, maar daarop geen antwoord heeft gekregen. Dat verbaasde me, maar misschien had hij deze vraag ook beter aan de studenten kunnen stellen, zij weten vast hoe zij willen dat het onderwijs eruit ziet en wat ze willen bereiken. Of aan de toekomstige werkgevers, de werkgevers in de jeugdzorg weten heel goed wat ze van aankomend professionals verwachten. Doekle is ook te rade gegaan bij de Raad van toezicht en heeft daar het advies gekregen om de wet op hoger onderwijs als voertuig te gebruiken om de professionalisering vorm te geven. Daar zag hij wel wat in. Ik kan me er niet zoveel bij voorstellen en ben benieuwd naar het resultaat.
De volgende spreker was Evelien Tonkens, hoogleraar actief burgerschap bij de Universiteit van Amsterdam. Evelien hield een buitengewoon interessante lezing. Zo maakte zij onderscheid in 4 soorten ondernemingen in de zorg. Ondernemingen gedreven door:
1. professionaliteit
2. bureaucratie
3. markt
4. populisme
Bij al deze ondernemingen horen andere waarden, ze hebben verschillende manieren van sturen en van verantwoorden. Zo kun je bij waarden denken aan
1.Dienstbaar aan de gezondheid
2.Dienstbaar aan procedures
3.Max. productie/ perverse prikkels
4.Gehoorzaam aan belastingbetaler
Evelien pleitte voor democratisch professionaliteit als oplossing tegenover de populistische uitdaging. En dit opbouwen vanuit ambachtelijkheid. Basis hiervoor is de menselijke neiging om een taak goed te doen omwille van de taak zelf. Daarbij gaat het om vertrouwen en geen volledige transparantie, om kwalitatieve verantwoording door intervisie en visitatie en de zg. breinaald in de cake methode: 2 weken per jaar gedetailleerd registreren en daarbuiten alleen globaal. Voor wie meer wil weten werd haar boek mondige burgers, getemde professionals aan te bevelen.
Als laatste spreker kwam Paul Frissen, hoogleraar Bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg aan het woord. Paul hield een verfrissende lezing. Als je meer professionele ruimte wil betekent dat losmaken en kiezen voor autonomie. Professionals moeten zelf een nieuw beeld van professionaliteit ontwikkelen. Ze moeten opnieuw hun identiteit opzoeken en hun waarde als groep.
's Middags waren er nog workshops waarin verder is gediscussieerd over de lezingen en de dag werd afgesloten met een paneldiscussie.
Eén ding is zeker de professional heeft nog een hele weg te gaan en zowel de professional zelf, als het management en het bestuur hebben daarin een rol te spelen.

woensdag 13 april 2011

De mannen die mij hebben vermoord



Sommige dingen wil je niet weten, niet horen en niet lezen. Een paar weken terug kreeg ik het boek De mannen die mij hebben vermoord. Rwandese overlevenden van seksueel geweld van Anne-Marie de Brouwer & Sandra a Hon Chu toegestuurd om te recenseren. Hoe afschuwelijk het ook is, toch mogen we onze ogen niet sluiten voor de ervaringen waarover deze vrouwen en één man vertellen. Dit omdat we niet afzijdig kunnen blijven als (we vermoeden dat) zich weer zoiets voordoet.
In de honderd dagen van de genocide in Rwanda in 1994 zijn ongeveer een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s vermoord en 250.000 tot 500.000 vrouwen en meisjes verkracht. Bijna 70% van de overlevenden is hiv-positief. Seksueel geweld is een strategie in de moderne oorlogsvoering. Waar het voor kort werd afgedaan als een privé kwestie is het nu erkend als misdrijf tegen de menselijkheid en een vorm van genocide. In deze publicatie vertellen zestien vrouwen en één man hun ervaringen met seksueel geweld tijdens de genocide. De verhalen zijn onvoorstelbaar gruwelijk en het is haast ondenkbaar dat deze mensen de kracht hebben te overleven met deze afschuwelijke ervaringen. Vaak hebben ze te kampen met ernstige gezondheidsproblemen, uitstoting wegens verkrachting en hiv, armoede en dragen de zorg voor kinderen en andere familieleden. De steun van lotgenoten is vaak het enige houvast. De aangrijpende verhalen zijn geïllustreerd met prachtige zwart-wit foto’s en maken een onuitwisbare indruk.
We kunnen het nu niet meer af doen als iets waar we niets mee te maken hebben, problemen die het land zelf maar op moet lossen, een privézaak of iets dat er nou eenmaal bijhoort in een oorlog. Verkrachting is een oorlogsmisdaad.

maandag 4 april 2011

Signs of safety: integrale behandeling bij kindermishandeling binnen het gezin en de ketensamenwerking


Signs of Safety is 'in'. Op 24 maart was ik op de studiedag, S.o.S. Signs of Safety, Solistisch of Systemisch georganiseerd door de sectie forensische systeemtherapie van de Nederlandse Vereniging van Relatie en Gezinstherapeuten (NVRG). Het was de tweede keer dat de NVRG deze studiedag organiseerde en ook nu hadden ze mensen moeten teleurstellen. In mijn blog van 18 januari 2010 schreef ik al over het boek veilig opgroeien van Turnell (2009) waarin de signs of safety aanpak beschreven staat. Deze studiedag ging over het gebruik van de principes van signs of safety bij de behandeling van kindermishandeling binnen het gezin en bij de ketensamenwerking . De aftrap werd gedaan door een groep patiënten/acteurs die in een aantal korte sketches lieten zien waar patiënten tegen aanlopen als instellingen niet samenwerken en hoe ze van het kastje naar de muur werden gestuurd omdat hun probleem niet precies in een bepaald vakje paste. Bij een goede ketensamenwerking moet in principe niemand buiten de boot vallen en zijn instellingen gezamenlijk verantwoordelijk voor de oplossing van het probleem of beter nog de problemen in het gezin. Signs of safety kan worden ingezet om de veiligheid in het gezin en dus het risico van kindermishandeling samen met het gezin in kaart te brengen (één gezin, één plan). Sander van Arum die in kort bestek helder en duidelijk de principes van signs of safety op een rijtje zette,had positieve ervaringen opgedaan met het organiseren van een gezamenlijke studiedag over signs of safety voor ketenpartners. Het gebruik maken van dezelfde taal en instrumenten kan de kloof tussen instellingen (psychiaters, thuiszorg, jeugdzorg, reclassering enz.) overbruggen en een bijdrage leveren aan de bestrijding van kindermishandeling. Later op de dag kregen we nog een uitgebreide toelichting op de zogenaamde veiligheidskaart, een middel om de signalen van veiligheid en onveiligheid in het gezin in kaart te brengen. En als laatste onderdeel van de dag konden we er daadwerkelijk mee oefenen in een rollenspel waar we als deelnemers een casus bespraken in een multidisciplinair team en verdeeld werden over de instellingen (thuiszorg, Bureau jeugdzorg, consultatiebureau, psychiater e.d.)
Signs of Safety staat momenteel erg in de belangstelling en dat is niet voor niets. Het is een niet beschuldigende aanpak die ouders betrekt in het opstellen van een veiligheidsplan voor het gezin. Ook bij ontkennende ouders kan het worden ingezet. 'Hoe gaan we er voor zorgen dat u niet meer vals beschuldigd kunt worden?' Het is een concrete manier om met gezinnen te werken en we zullen moeten ervaren hoe Signs of Safety een middel kan zijn om ook de ketensamenwerking te verbeteren. De eerste ervaringen zijn positief.

maandag 28 maart 2011

Vroeg en snel ingrijpen bij zwerfjongeren


Op 22 maart was ik aanwezig op de slotbijeenkomst Combating Youth Homelessness georganiseerd door Movisie. Op deze bijeenkomst werd verslag gedaan van onderzoek naar zwerfjongeren in Nederland, Tsjechië, Portugal en Engeland. Peter Rensen, projectleider, deed verslag van de bevindingen uit het onderzoek. In al deze landen zijn zwerfjongeren getraind om andere zwerfjongeren te interviewen. Dit vanuit het idee dat jongeren daar meer tegen vertellen dan tegen een volwassen interviewer. Deze aanpak heeft goed gewerkt. In totaal zijn in deze landen 54 zwerfjongeren geïnterviewd en is de problematiek in kaart gebracht. Het zal niemand verbazen dat zwerfjongeren in Nederland en Engeland relatief het beste af zijn omdat maar een klein deel feitelijk dakloos is en opvang heeft en gebruik maakt van voorzieningen. In Tsjechië en Portugal zie je weer meer (gedwongen) opvang bij familie. De oorzaak van dakloosheid is een moeilijke gezinssituatie, geweld en miscommunicatie in het gezin en het ontbreken van een stabiele veilige situatie. Dakloosheid is een oorzaak van dakloosheid en leidt tot psycho-sociale problematiek. Als jongeren geen veilige plek hebben,veroorzaakt dat veel stress (90%), angst (70%), depressie (70%) en slaapproblemen (80%). Ook heeft 40% van de jongeren gedachten over suïcide of een poging gedaan. Signalen voor dreigende dakloosheid zijn gedachten over suïcide, een overleden ouder en geweld thuis. Rensen pleit ervoor bij dergelijke signalen met de jongere te gaan kijken naar een veilige woonplek. Vroegtijdig ingrijpen is noodzakelijk om afglijden en verergering van de problematiek te voorkomen.
In Engeland is het early intervention model ontwikkeld (EIM) dat ook voor Nederland een interessant model is.
Het houdt in:
- start op het moment dat de jongere weg wil
- snel en praktisch, maakt gebruik van een eenvoudige risico-monitor
- vrijwillige opvang bij gewone gezinnen voor 2 tot 3 weken
- familie mediation
- zoeken naar vervolgopvang
Kortom: om het aantal zwerfjongeren terug te dringen is de beste aanpak vroegtijdig signaleren en ingrijpen. Het onderwijs kan daar een belangrijke rol in spelen en daarnaast is het noodzakelijk nazorg te bieden aan jongeren uit de jeugdzorg zodat zij niet in een gat vallen als ze van de ene op de andere dag op eigen benen moeten staan. Iedere zwerfjongere heeft een eigenlijk een persoonlijke coach nodig om de jongere te ondersteunen om de problemen op te lossen. Want hoe langer op straat hoe groter de problemen.

maandag 7 maart 2011

Jongeren tegen geweld in opvoeding en relaties


Stuk is een groep jongeren die ontstaan is in 2005. Zij wilden iets doen tegen kindermishandeling en maakten een theaterstuk. Daarmee traden ze op voor schoolklassen, voor instellingen en op congressen. Voor gesprekken met het publiek maakten ze een quiz en ze maakten filmpjes over kindermishandeling voor Youtube. Nu geven ze workshops met filmpjes en forumtheater waar het publiek een actieve rol heeft.Vorige week kreeg ik het Stukboek door Biblion toegestuurd om te recenseren. Dit boek is door jongeren zelf gemaakt om met elkaar te discussiëren over geweld in opvoeding en relaties. Het is aantrekkelijk vormgegeven met veel foto’s, kleuren, tekeningen en teksten van jongeren over hun ervaringen met geweld. De verhalen die door de jongeren worden verteld zijn aangrijpend en herkenbaar. Afgesloten wordt met cijfers en discussiepunten over kindermishandeling en huiselijk geweld. Het is een prettig leesbaar en toegankelijk boek dat goed bruikbaar is om met jongeren te praten over hun opvoeding en ervaringen met huiselijk geweld en kindermishandeling. Je ziet foto's van jongeren die het lef hebben hun mond open te doen, en laten zien dat een opvoeding met geweld niet per definitie een mislukt leven betekent. Hoe je ondanks alle ellende je leven zelf in de hand kunt nemen en een voorbeeld kunt zijn voor andere jongeren in dezelfde situatie.

maandag 28 februari 2011

Kind centraal of kind van de rekening?


Op 17 februari was ik aanwezig op de Atriumlezing georganiseerd door de VNG over de stelselwijziging in de jeugdzorg.
Aanleiding voor deze bijeenkomst was dat de gemeenten verantwoordelijk worden voor de jeugdzorg en een stevig inhoudelijk concept nog ontbreekt. Deze bijeenkomst moest daar een bijdrage aan leveren.
De VNG voorzitter Ralph Pans stelde ons gerust dat de Nederlandse kinderen tot de gelukkigste kinderen van de wereld behoren, maar voegde daar onmiddelijk aan toe dat in Nederland 1 op de 7 kinderen gebruik maken van een vorm van speciale zorg. De vraag aan zorg neemt alleen maar toe.
Volgens Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek, heeft dat te maken met de interactie tussen ouders en scholen. Als de communicatie tussen ouders en scholen slecht is, is dat volgens de Winter een voorspeller voor problemen en diagnoses zoals ADHD, Asperger en dergelijke. Problemen worden geproduceerd in plaats van opgelost door ouders en scholen samen. De Winter pleit al sinds jaar en dag voor een 'Civil Society' waar problemen niet worden weg georganiseerd naar meldpunten jeugdoverlast, maar waar de betrokkenheid van ouders, burgers en scholen versterkt wordt en met elkaar wordt gesproken over de aanpak van problemen. De expertise van de jeugdzorg moet naar de buurt, de school en de ouders toekomen.
Nou zou je zeggen dat met de stelselwijziging waarbij de gemeenten de verantwoordelijkheid krijgen voor de jeugdzorg een stap in de goede richting wordt gezet. Alleen is het zo dat de gemeenten geen zicht heeft op wat er op hen af komt, de deskundigheid ontbreekt en de hele stelselwijziging is ook niet gebaseerd op een heldere visie.
De volgende spreker Erik Gerritsen, voorzitter agglomeratie jeugdzorg Amsterdam pleitte er dan ook voor te investeren in deskundig opdrachtgeverschap. En gaf daarbij een aantal basisprincipes mee: gebruik de kracht van het netwerk, benoem één vaste gezinsmanager en werk gezinsgericht.
Tenslotte sloot Wethouder Erik Dannenberg af met een verhaal om het doorverwijzen te beperken, lokale netwerken te gebruiken en een stelsel te bouwen dat hulpverleners niet belemmert maar faciliteert, maar clienten hulp biedt.
Er is nog veel werk aan de winkel. Hopelijk heeft deze bijeenkomst de gemeenten wakker geschud om aan de slag te gaan deskundigheid op te bouwen en een visie te ontwikkelen zodat niet de problematiek van de instellingen maar van het het kind centraal staat en het kind geen kind van de rekening wordt.

maandag 21 februari 2011

De voordelen van gemengde buurtscholen


Het bestrijden van segregatie in het onderwijs is niet langer rijksbeleid. 'Zwarte scholen zijn een feit', zegt CDA-minister Marja van Bijsterveldt in een vraaggesprek met de Volkskrant op 7 februari. 'Het gaat om kwaliteit van het onderwijs. Wit of zwart is minder belangrijk.'

Bijsterveldt heeft wel een heel beperkte kijk op kwaliteit en op wat kinderen moeten leren. Veel scholen zijn alleen gefocust op het aanleren van rekenen en taal en het halen van een hoge CITO score. Daardoor kiezen veel scholen in de strijd naar een hogere CITO score ervoor kinderen van allochtone of laagopgeleide ouders te weren. Maar een hoge CITO score is niet het enige criterium is om te beoordelen of de school goed of slecht is. Om een succesvol en gelukkig leven te leiden is meer nodig dan het aanleren van reken- en taalvaardigheden. Met name het aanleren van sociale vaardigheden is een onderbelicht aspect. Of je nou later dokter wordt of een groentewinkel begint, de omgang met anderen is onmiskenbaar een factor voor succes. Kinderen hoef je niet te stimuleren om die vaardigheden te leren. De belangrijkste reden voor kinderen om naar school te gaan zijn de andere kinderen in de klas. Nog leuker voor kinderen is als er kinderen uit de buurt op school zitten, waar ze na school mee kunnen afspreken om te spelen en zelfstandig naar toe kunnen gaan. Veel witte ouders kiezen er nu voor hun kinderen met de auto naar een school buiten het centrum te brengen, waardoor afspraken om te spelen alleen nog met de agenda erbij gepland kunnen worden. Zowel minister Bijsterveldt als deze ouders ontnemen hun kinderen de kans op ervaringen die verder gaan dan hun eigen werkelijkheid. Gemengde scholen hebben onmiskenbaar voordelen. Ik denk dat mijn nichtje Molly en haar vriendinnetjes (op de foto boven dit stukje) het helemaal met me eens zijn.

maandag 14 februari 2011

Pedagogische tik?


De pedagogische tik is een term die nog regelmatig gebezigd wordt. Maar is een tik wel zo pedagogisch? Leert een kind er wat van of zijn er andere, betere manieren om grenzen te stellen?
Uit onderzoek blijkt dat een tik meestal niet pedagogisch is, een kind leert er niets van, een tik wordt gegeven uit frustratie en onmacht. De grens tussen 'een tik' en mishandeling is vaag. Prof. Baartman (hoogleraar preventie en behandeling kindermishandeling) vermoedt dat de meeste gevallen van kindermishandeling uit de hand gelopen pedagogische tikken zijn.
Onderzoeker Elisabeth Thompson Gershoff heeft een omvangrijke studie gedaan naar fysieke straffen. Daaruit is gebleken dat lijfstraffen in het algemeen, maar uitdrukkelijk ook de tikken die 'slechts regelmatig' gegeven werden negatieve gevolgen hebben op zowel korte als lange termijn. Hierbij geldt dat de effecten versterkt worden naarmate er vaker en intenser geslagen wordt. Ook als de ouder inconsequent is zijn de effecten sterker; een kind dat meestal een verbaal standje krijgt, maar op een dag een mep krijgt in eenzelfde situatie krijgt een groter gevoel van onveiligheid dan een kind dat weet dat hij een klap kan verwachten bij slecht gedrag. Met andere woorden slaan is een onwenselijk pedagogisch instrument. Het kind wordt er onzeker van en leert dat slaan toegestaan is, een oplossing in sommige gevallen. Het risico dat het slaan steeds erger wordt is ook aanzienlijk. Beter is kinderen op hun niveau te corrigeren en uit te leggen waarom iets niet mag. Heldere instructies geven en snel reageren als een kind zich niet goed gedraagt. Dat is effectiever en zonder risico's. De pedagogische tik bestaat niet.

maandag 31 januari 2011

Veiligheidsbeleid en risico-management in de jeugdzorg


De overheid is onder de huidige omstandigheden onvoldoende in staat om haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van jonge kinderen tussen 0 en 12 jaar binnen gezinnen waar te maken. Deze conclusie trekt de Onderzoeksraad voor Veiligheid, onder voorzitterschap van prof. mr. Pieter van Vollenhoven, na bestudering van 27 gevallen van kindermishandeling met fatale en bijna‐fatale afloop. (Januari 2011)

Achteraf kijken is natuurlijk altijd eenvoudiger dan vooraf risico's inschatten. De jeugdzorg bevindt zich in een duivels dilemma: het kind thuislaten met alle risico's van dien of ingrijpen wat een traumatische ervaring is voor zowel kinderen als ouders. Veel slachtoffers van kindermishandeling zeggen achteraf: waarom heeft er niemand ingegrepen? Maar ze zeggen daarmee niet dat ze uit huis willen, ze willen dat het geweld stopt. Samenwerking met ouders om het geweld te stoppen is de beste manier om dat te bewerkstelligen en een heldere inventarisatie van de risico's is daarvan een essentieel onderdeel. De 'Signs of Safety benadering' biedt aanknopingspunten voor beiden. Signs of Safety biedt een benaderingswijze voor de hulpverlening wanneer het gaat om onveiligheid van kinderen. Gebruik makend van het netwerk van het gezin wordt in kaart gebracht waar men zich zorgen over maakt, wat de mogelijkheden en krachten van het gezin zijn en hoe ze gaan laten zien dat de kinderen nu en in de toekomst veilig zijn en voorkomen wordt dat zij opnieuw het slachtoffer worden van kindermishandeling, misbruik, verwaarlozing of getuige zijn van huiselijk geweld.
Daarnaast is het ook goed de 27 gevallen met (een bijna) fatale afloop onder de loep te nemen en te analyseren hoe de zaak is verlopen, wie er bij betrokken waren, wat signalen waren, of de kinderen gezien zijn, hoe en welke de risico's geïnventariseerd zijn, wat de aanpak was en hoe geborgd is dat dat ook daadwerkelijk gebeurde. Veel blijkt mis te gaan als er teveel hulpverleners betrokken zijn bij een gezin en geen duidelijke afspraken zijn gemaakt wie verantwoordelijk is voor wat of het omgekeerde één gezinsvoogd die verantwoordelijk is voor teveel gezinnen met te weinig tijd om deze gezinnen te bezoeken, laat staan met collega's een gedegen risico-inventarisatie uit te voeren.
Organisaties voor de jeugdzorg moeten serieus werk maken van hun veiligheidsbeleid en risicomanagement op zo'n manier dat de veiligheid van het kind zo optimaal mogelijk wordt gegarandeerd.

Met een veiligheidsbril ben je er niet.

maandag 24 januari 2011

Schoolmaatschappelijk werk kan voortijdig schoolverlaten voorkomen


Het schoolmaatschappelijk werk kan een bijdrage leveren aan het voortijdig schoolverlaten en de daarmee samenhangende risicofactor om in de criminaliteit te belanden. Onder voortijdig schoolverlaten verstaan we alle jongeren tot 23 jaar die de school (voortijdig) hebben verlaten zonder startkwalificatie. Een startkwalificatie is een HAVO of VWO-diploma of een diploma op MBO niveau twee. Een startkwalificatie is nodig om een kans te maken op de arbeidsmarkt. En het is van belang alles op alles te zetten dat jongeren een diploma halen.
Bekend is dat verschillende factoren risico verhogend kunnen werken om vroegtijdig de school te verlaten (van de Berg en Jaarsma 2010): sekse (vooral jongens), gezin en omgeving (lager sociaal economische status), etniciteit (eerste generatie allochtonen), cognitie (minder goede resultaten en een lager schooladvies), beperkingen, stoornissen(zoals ADHD) en persoonlijkheid (impulsiviteit impulsiviteit, aandachtsstoornissen, gebrekkige sociale vaardigheden, gebrekkige zelfcontrole en hyperactiviteit).
Taak van het schoolmaatschappelijk werk is problemen te signaleren en hulp te bieden om schooluitval te voorkomen.
Er zijn drie typen schooluitvallers te onderscheiden.
‘Opstappers’. Tot deze categorie worden uitvallers gerekend die een bewuste keuze maken om de school te verlaten. Hierbij is er niet echt sprake van een probleem of problemen. Deze uitvallers verlaten de school om bijvoorbeeld te gaan werken.
‘Niet kunners’. Tot deze categorie worden uitvallers bedoeld die over te weinig leercapaciteiten en leervermogen beschikken om een diploma te behalen. Ook worden gedragsstoornissen tot dit type gerekend.
‘Overbelasten’. Tot deze laatste categorie worden uitvallers gerekend die, zoals het woord al doet vermoeden, overbelast zijn. Hiermee wordt bedoeld dat zij gebukt gaan onder een opeenstapeling van verschillende problemen. Vaak zijn dit psychosociale problemen, die uiteen kunnen lopen van gedragsproblemen tot gebroken gezinnen. Het is meestal niet zo dat deze groep uitvallers hun diploma niet wil halen, maar door opeenstapeling van problemen niet kan halen. De combinatie tussen deze problemen en het behalen van goede schoolresultaten is dan teveel gevraagd, met schooluitval als gevolg.
Het schoolmaatschappelijk werk kan jongeren die kampen met risicofactoren of tot één van de drie typen behoren een aanbod doen en begeleiden door middel van individuele gesprekken, gesprekken met ouders en/of gezinsgesprekken. Per situatie wordt gekeken wat nodig is, maar over het algemeen worden ouders erbij betrokken omdat de ervaring is dat de problemen van de jongeren en gezin samenhangen en dat de ouders op zijn minst het hulpaanbod moeten ondersteunen. De schoolmaatschappelijk werker werkt outreachend, hij gaat als dat nodig is op huisbezoek. De schoolmaatschappelijk werker zit in de school, docenten kunnen leerlingen direct aanmelden, de hulp kan vaak binnen een week en op de school worden geboden en de hulp die de schoolmaatschapppelijk werker kan bieden gaat verder dan de begeleiding die de school kan geven doordat het gezin erbij wordt betrokken. De hulp is inzichtgevend en praktisch, de schoolmaatschappelijk werker werkt samen met ouders en jongeren en kan bijvoorbeeld jongeren inzicht geven in hun gedrag en leren er meer grip op te krijgen, opvoedvaardigheden van ouders versterken en consultatie geven aan leraren. Kortom: schoolmaatschappelijk werk werkt preventief voor voortijdig schoolverlaten.

maandag 10 januari 2011

Voortijdig schoolverlaten vergroot kans op criminaliteit


Financiering van het schoolmaatschappelijk werk (SMW) in het voortgezet onderwijs stopt in het schooljaar 2011/2012. De regeling voorkomen schooluitval (VSV) van het ministerie van OCW vervalt. Gemeenten worden verantwoordelijk voor de aansluiting tussen jeugdzorg en onderwijs en krijgen een regiefunctie.
De vorige week schreef ik al dat de meeste Centra voor Jeugd en Gezin nog geen adequaat aanbod voor jongeren hebben. Nou is het wel zo dat het SMW in veel gemeenten onderdeel is van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Het SMW behoort tot de zorgstructuur in en om de school en vormt de verbinding tussen het Centrum voor Jeugd en Gezin, de zorgteams, zorg-en adviesteams in het onderwijs en de lokale preventieve voorzieningen (jeugd- en jongerenwerk). SMW biedt advies, informatie en kortdurende psychosociale hulp aan ouders en leerlingen of verwijst door naar de gespecialiseerde zorg. Zowel in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs als in het MBO is SMW beschikbaar. Het SMW is erop gericht is problemen in een vroeg stadium aan te pakken. Het levert een bijdrage aan het voorkomen van schoolverzuim en het vroegtijdig schoolverlaten. Daar moet je je ook weer niet teveel van voorstellen, schoolmaatschappelijk werkers beschikken over een beperkt aantal uren en over het algemeen kunnen jongeren niet zomaar binnenlopen als ze een probleem hebben. Het blijkt dat de vraag naar schoolmaatschappelijk werk veel groter is dan het aanbod. En nu stopt dus de financiering in het voortgezet onderwijs in het schooljaar 2011/2012. Scholen ervaren de meerwaarde die het SMW biedt. Het is zinvol problemen in een vroegtijdig stadium aan te pakken en bekend dat vroegtijdig schoolverlaten en een criminele carrière samenhangen. Uit onderzoek blijkt dat voortijdig schoolverlaters ruim zes keer zo veel kans hebben om in aanraking te komen met de politie dan jongeren die het onderwijs met een startkwalificatie verlaten. Het SMW kan door haar integrale aanpak waarbij aandacht is voor de gezinssituatie, leefomgeving is de buurt, leeftijdsgenoten, leerkrachten en het pedagogisch klimaat op de school jongeren ondersteunen en stimuleren om een startkwalificatie te halen.

maandag 3 januari 2011

Steeds meer hulpvragen van ouders worden door Bureau Jeugdzorg afgewezen

Bericht in de Volkskrant van 31 december:

AMSTERDAM - Steeds meer hulpvragen van ouders worden door Bureau Jeugdzorg afgewezen. Uit cijfers van brancheorganisatie MOgroep blijkt dat bijna 40 procent van de aanmeldingen niet wordt geaccepteerd. Of ouders en kinderen daarna bij een andere instantie terechtkomen voor hulp of met hun probleem blijven rondlopen, wordt niet geregistreerd.

Veel mensen zullen bij Bureau jeugdzorg denken aan een Bureau waar alle ouders en kinderen die problemen hebben terecht kunnen, maar dat is niet (meer) het geval. Met de start van de Wet op de Jeugdzorg in 2005 en de oprichting van de Bureau's jeugdzorg was dat nog wel de bedoeling. Het idee was dat de zorg moet zo dicht mogelijk bij het kind of de jongere gebeuren, zo kort mogelijk duren en zo licht mogelijk zijn. Inmiddels zijn de Bureau's jeugdzorg omgebouwd en geven niet of nauwelijks nog directe hulp. Die taak ligt nu bij de Centra voor Jeugd en Gezin. De Bureau's Jeugdzorg zijn omgevormd tot indicatie-organen (d.w.z. verwijzer naar de gespecialiseerde zorg) en begeleiden alleen nog kinderen en jongeren met een justitiële maatregel. Kortom Bureau Jeugdzorg is er voor kinderen met ernstige problemen die een indicatie nodig hebben voor gespecialiseerde zorg of begeleid worden door een gezinsvoogd omdat ze gezien de ernst van de problemen door de rechter onder toezicht zijn gesteld. Het is dus logisch dat een groot deel van de hulpvragen niet wordt geaccepteerd.

Waar moeten deze ouders en jongeren dan naartoe?
In de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg is afgesproken dat de gemeenten verantwoordelijk worden voor de jeugdzorg en ze zijn dat al langer voor de lichte opvoedhulp. Maar zeker niet in elke gemeente is een goed draaiend Centrum voor Jeugd en Gezin en zeker een plek waar jongeren met problemen terechtkunnen ontbreekt.
De veronderstelling is dat met de aangekondigde effeiciencykorting van 300 miljoen in 2015 de situatie steeds erger zal worden. Steeds meer middelzware problematiek zal worden doorverwezen naar de CJG's. En de CJG's zullen hard aan de slag moeten willen ze ook in staat zijn om een goed aanbod te bieden aan deze doelgroep met complexere problematiek.

maandag 13 december 2010

Seksueel misbruik in de katholieke kerk erkennen en verhinderen


De afgelopen jaren is de katholieke kerk opgeschrikt door meldingen van seksueel misbruik. Decennialang is seksueel misbruik door katholieke geestelijken in de doofpot is gestopt, maar nu wordt de roep naar om een groot onderzoek naar seksueel misbruik in katholieke instellingen steeds luider, ook in Nederland.
Begin deze maand kreeg ik de publicatie seksueel misbruik in de katholieke kerk erkennen en verhinderen van Wunibald Muller toegezonden. Wunibald Muller is een ervaren Duitse psychotherapeut en theoloog. Hij gaat in dit boek in op de oorzaken van seksueel misbruik in de kerk en het verband met het celibaat, homoseksualiteit en pedofilie. Hij legt er de nadruk dat ook geestelijken die celibatair willen leven een ontwikkeling moeten doormaken om op een rijpe en verantwoordelijke manier met seksualiteit te kunnen omgaan en met mannen en vrouwen van de eigen leeftijd innige relaties kunnen aangaan in overeenstemming met het celibaat. Men moet de eigen seksualiteit kennen en weten of men hetero of homoseksueel is. Priesters die minderjarigen seksueel misbruiken blijken psycho-seksueel te zijn blijven steken op de leeftijd van dertien jaar. Het taboe op homoseksualiteit moet verdwijnen en een open discussie moet worden gevoerd over het celibaat en het toelaten van vrouwen tot het priesterambt. Daarnaast moet de kerk slachtoffers aanmoedigen niet langer te zwijgen.

Naar aanleiding van al die berichten over seksueel misbruik heb ik twee ooms van me, die priester zijn/waren in de RK kerk, gevraagd of zij ook ooit iets dergelijks hadden meegemaakt of op de hoogte waren van dergelijke praktijken. Ze hadden er weinig van gemerkt, kenden wel incidentele gevallen en vertelden dat het ook niet gauw naar buiten kwam op het seminarie omdat het ook voor de slachtoffers betekende dat hun droom 'priester worden' daarmee van de baan was. Alles stond in het teken van de opleiding tot priester en dat ging zo ver dat vriendschappen tussen de jongens ten strengste verboden waren. Toch een vorm van kindermishandeling om kinderen vriendschappen te verbieden en bovendien een slechte basis voor een normale ontwikkeling. In de woorden van Wunibald Muller een verstoring van de ontwikkeling naar een volwassen seksualiteit en daarmee een risicofactor voor seksueel misbruik van kinderen en jongeren op latere leeftijd.

maandag 6 december 2010

Met wilskracht naar herstel


Een paar weken terug stuurde Biblion me het boek Met wilskracht naar herstel, overleven na kindermishandeling van de Stichting Geheim Geweld en Stichting Anton Constandse toe, om te recenseren. Het boek bevat vijftien interviews en verhalen van mensen die in hun jeugd zijn mishandeld.
45% van de bevolking is ooit slachtoffer geweest van geweld in de huiselijke kring. Jaarlijks worden ruim 63.000 incidenten registreert bij de politie. Naar schatting wordt 10-12% van de incidenten bij de politie gemeld. De meeste mensen verwerken ervaringen met licht tot matig geweld, 10 -15% krijgt klachten op fysiek, seksueel en/of emotioneel gebied. In deze publicatie vertellen 15 slachtoffers van kindermishandeling hun verhaal. Het zijn 15 tragische verhalen van mannen en vrouwen, van verschillende leeftijden en uit verschillende culturen, die in hun jeugd lichamelijk, psychisch of seksueel zijn mishandeld en nu nog met de gevolgen daarvan kampen. Een aantal van hen woont bij de Stichting Anton Constandse, die samen met de Stichting geheim geweld het initiatief nam voor dit boek. Het voorwoord is geschreven door Catherine Keyl, zelf ook slachtoffer van kindermishandeling en ambassadeur van de Stichting Geheim Geweld. In de bijlage is informatie opgenomen over kindermishandeling, kinderrechten, hulpverleningsinstellingen en een literatuurlijst.
Volwassenen zien zelf vaak niet in dat klachten en problemen samenhangen met wat ze in het verleden hebben meegemaakt. Bovendien is het een taboe om hiervoor uit te komen. De impact en de pijnlijke gevolgen van kindermishandeling dragen slachtoffers levenslang met zich mee. Deze mensen vormen een verborgen groep.

maandag 29 november 2010

1 Happy Family?


Afgelopen donderdag was ik op de conferentie over huiselijk geweld in Den Haag 1 Happy Family? Het was absoluut de moeite waard. Bijna iedereen in de regio die betrokken is bij huiselijk geweld was op de conferentie aanwezig, zowel uit de strafrechtketen (politie, reclassering, OM) als uit de hulpverleningsketen. Maar daarnaast was het ook een interessant programma.
Het begon meteen al goed met de opening door wethouder Rabin Baldewsingh. De wethouder vertelde hoe belangrijk hij de aanpak van huiselijk geweld vindt en dat hij dat van harte gaat ondersteunen. Dat hoor je natuurlijk wel vaker en het is natuurlijk maar de vraag wat daarvan in de praktijk terecht komt. Maar deze wethouder wist zijn betrokkenheid heel duidelijk te maken door te vertellen over zijn persoonlijke ervaring met huiselijk geweld. Nooit eerder heb ik dat iemand in een overheidsfunctie publiekelijk zien doen. Ik vond dat van een enorme hoeveelheid lef getuigen en daarmee was meteen duidelijk dat dit onderwerp bij hem in goede handen is.
Daarna werd door trainersgroep Wilde Kastanje een situatie uitgebeeld van een gezin waar huiselijk geweld speelt, en waar hulpverlening wordt ingezet. De situatie werd door de aanwezigen als 'levensecht' beoordeeld. Duidelijk werd hoe ingewikkeld het is om goede hulpverlening te bieden aan gezinnen waar geweld speelt en het publiek werd uitgenodigd mee te denken over de beste aanpak. Een hulpverleenster van de Waag was zelfs bereid haar manier van werken met plegers van huiselijk geweld en hun partners ter plekke te laten zien en wist daarmee veel bewondering te oogsten.
vervolgens kwam Jill Maddison Huiselijk Geweld adviseur uit Londen aan het woord, initiatiefnemer van het Europese Family Justice Centre.In dit centrum zijn alle betrokkenen bij huiselijk geweld samengebracht op één plek: politie, advocaten, therapeuten, huisvesting enz. En de samenwerking was bij de start lastig, maar werpt nu zijn vruchten af. Dit heeft in Nederland navolging gevonden in Haarlem/Amsterdam en een tweede centrum start binnenkort in Friesland.
's Middags heb ik de workshop systeemgericht werken in de keten van zorg en strafrecht: botsende systemen gevolgd. De keten van zorg en van strafrecht zijn systemen die hun eigen terminologie en visie hebben en daardoor niet op elkaar aansluiten. Belangrijk bij de aanpak van huiselijk geweld is dat iemand de regiefunctie krijgt die de verschillen kan overstijgen en boven de instellingen staat.
De dag had een happy end met de standup Musician Bart Kiers die op onnavolgbare wijze de gebeurtenissen en teksten van de dag aan elkaar zong.
Daarna werd - voor wie nog energie over had- de aangrijpende film 'zingen in het donker' in het filmhuis vertoond, het laatste onderdeel van het programma.
Al met al een interessante en afwisselende dag wat weer energie opleverde om met dit onderwerp voortvarend verder te gaan. Er is nog genoeg te doen, maar er zijn ook veel positieve ontwikkelingen om op voort te bouwen.

maandag 22 november 2010

Vernieuwingen implementeren, wat werkt?


Uit onderzoek blijkt dat zeventig procent van de veranderingsprocessen in Nederlandse organisaties voortijdig vast lopen of niet leiden tot het gewenste resultaat. Het Nederlands jeugdinstituut organiseert in 2011 een congres met als titel: Wijzer implementeren. Vragen zijn: wat zijn kenmerken van succesvolle implementatie? Hoe het implementatieproces inrichten en uitvoeren? Hoe de resultaten monitoren en borgen?
In Nederland wordt jaarlijks handenvol geld uitgegeven aan wetenschappelijk onderzoek, maar de praktijk heeft er weinig profijt van. Wat meespeelt is dat onderzoekers bij voorkeur publiceren in wetenschappelijke tijdschriften en dat deze (vaak Engelse) tijdschriften niet gelezen worden door werkers uit de praktijk, ook niet door gedragswetenschapppers. Maar misschien meer nog dat de implementatie van onderzoek in handen is van de onderzoekers en de kloof met de praktische gang van zaken groot is. Bovendien is de visie dat implementatie top down moet plaatsvinden terwijl het in feite precies andersom is. De ideeën voor een succesvolle implementatie moeten niet komen van managers maar uit de ervaringen met cliënten in de praktijk. Wat met name van belang is dat gestart wordt met een uitgebreide inventarisatie van de stand van zaken, het huidige beleid en vooral de huidige praktijk. Afspraken zijn mooi, maar als niemand er zich aan houdt heb je er niks aan. Dus starten bij het in kaart brengen van de huidige uitvoeringspraktijk. Waar lopen de werkers tegenaan, wat zijn struikelblokken, wat wensen? En dan maakt het niet uit of je een nieuwe aanpak huiselijk geweld gaat implementeren, het veiligheidbeleid voor de kinderen of een nieuwe evidence-based methodiek. Na de uitvoerders zijn de managers en beleidsmakers pas aan de beurt. Met wat je gezien hebt in de praktijk kun je beleidsplannen en mooie besluiten doorlichten, maar kom je geheid ook problemen op het spoor waardoor het in de praktijk misloopt. Nadat de actuele situatie in kaart is gebracht, kan het projectplan worden geconcretiseerd: wat gaan we precies aanpakken, hoe en met welk concreet resultaat. Daarna is het tijd voor het echte werk: het ontwikkelen van protocollen, het aanpassen van werkafspraken, het organiseren van trainingen en werkconferenties, het afschaffen van zinloze overleggen en vervangen door nuttige bijeenkomsten over concrete zaken. Alles wordt in het werk gezet om het gestelde resultaat te bereiken, dus het stoppen van het geweld in gezinnen, het verbeteren van de veiligheid van kinderen of het terugdringen van gedragsproblemen. Naast de inhoud gaat het daarbij ook om commitment van uitvoerders. Een implementatie wordt pas succesvol als degenen die het werk moeten uitvoeren, de protocollen bewaken, de afspraken nakomen: het nut, de meerwaarde daarvan inzien (visie) en de voorwaarden aanwezig zijn om dat ook zo te doen (organisatie en deskundigheidsbevordering)
En natuurlijk:
- dat duidelijk is wat en hoe het moet worden uitgevoerd (plan)
- in een pilot is ervaren hoe het is om anders te werken (do)
- de nieuwe werkwijze wordt geëvalueerd (check)
- de aanpak op basis van de resultaten wordt bijgesteld (act)
met degenen die het moeten uitvoeren (people)

maandag 15 november 2010

Ouders verwachten teveel van hun kind


Kinderfysiotherapeuten zien steeds vaker kinderen met klachten, die niets blijken te mankeren. Dat zegt hoogleraar kinderfysiotherapie bij het UMC Utrecht Paul Helders. De meeste ouders verwachten een perfect kind en als dat niet het geval blijkt te zijn, gaan ze er bij voorkeur mee naar een arts die het probleem moet oplossen, het liefst met een medicijn. De afgelopen jaren hebben steeds meer kinderen een diagnose gekregen. Kinderen hebben ADHD, autisme, dyscalculie, PDD-nos, dislexie, noem maar op. Drukke, lastige of verlegen kinderen bestaan niet meer. Niet om ernstige problemen te bagatelliseren, maar in sommige schoolklassen zijn bijna geen kinderen meer te vinden zonder etiket. Daarbij komt dat er weinig of geen onderzoek bestaat naar het effect van medicatie op kinderen en we moeten afwachten wat de effecten hiervan zijn op de langere termijn voor deze kinderen. De nadruk komt te liggen op de nature (aanleg) van het kind en de nurture (opvoeding) raakt steeds meer buiten beeld. Terwijl het voor ouders van kinderen - met wat voor etiket dan ook - van belang is te leren omgaan hiermee en hulp te krijgen in de beste aanpak van hun kind. Ouders zijn daarin belangrijk en met een medicijn of extra tijd voor een proefwerk los je het probleem niet op, wel met een op het kind afgestemde aanpak door de ouders en leraren.
Kinderen zijn niet perfect, maar ouders ook niet en deze eenzijdige focus op het kind sluit de helft van de mogelijkheden uit om iets te doen wat de ontwikkeling van het kind kan stimuleren en de problemen kan verminderen.

maandag 8 november 2010

Multi-focus benadering huiselijk geweld

Afgelopen donderdag was ik met collega's uit Delft op bezoek bij de Mutssaersstichting in Venlo. Aanleiding was dat het project 'Multifocus benadering van (dreigend) huiselijk geweld' van de Mutssaersstichting genomineerd was voor de Hein Roethofprijs 2010. Ze hebben de prijs niet gewonnen, maar het feit dat ze tussen 2007 en 2010 278 gezinnen met succes hebben geholpen via de multifocus benadering en de recidive werd teruggebracht van 60 tot 15 procent, was de moeite waard om eens naar Venlo af te reizen. Want wat doen ze dan precies in Venlo waardoor hun aanpak zo effectief is? De essentie van de Venlose benadering zit hem in het intensieve casemanagement. Zes casemanagers zijn 7 keer 24 uur per week bereikbaar en als er een melding is van huiselijk geweld of een huisverbod, gaat er een casemanager op af. Deze casemanager praat uitvoerig en apart met slachtoffer, pleger en kinderen. Uitvoerig betekent dat de situatie, de aanleiding, de voorgeschiedenis, alle levensgebieden, problemen, de hulpverleningsgeschiedenis in kaart worden gebracht. Met kinderen worden als dat nodig is tekeningen gemaakt om de situatie te verhelderen. De casemanager neemt voor deze intake 5 tot 7 uur en maakt op basis van de bevindingen binnen 12 uur een plan van aanpak. Op basis van dit plan van aanpak organiseert de casemanager de hulpverlening. De casemanager verzamelt alle informatie bij de hulpverleners en stuurt hen aan. Of als, zoals je soms ziet bij multi-problemgezinnen, teveel hulpverleners in het gezin werken, zorgt dat het aantal hulpverleners beperkt wordt. Uitgangspunt is een systemische, intergenerationele benadering, het doel is het geweld te stoppen en intensieve hulp op het gezin te zetten. De casemanager volgt het gezin gedurende een jaar, stuurt de hulpverleners aan en grijpt in als de hulpverlening stagneert. De kracht zit hem in de outreachende, intensieve benadering bij de start, waarbij op respectvolle en doortastende wijze contact met het gezin wordt gelegd en het langdurige volgen van het gezin door één casemanager en de aansturing van de hulpverlening vanuit één punt. Een zeer intensieve, deskundige en ook praktische benadering die navolging verdient.

maandag 1 november 2010

Jonge kinderen als risicofactor voor huiselijk geweld



Het krijgen van kinderen of het hebben van hele jonge kinderen blijkt een risicofactor voor huiselijk geweld.
Sinds begin 2009 heeft een burgemeester de mogelijkheid om bij een acute dreiging van huiselijk geweld de verantwoordelijke tien dagen uit huis te plaatsen. Als de dreiging van geweld aanhoudt, kan het huisverbod worden verlengd tot maximaal 28 dagen. In 2009 zijn er 2107 huisverboden opgelegd. Het huisverbod houdt in dat een pleger van huiselijk geweld tien dagen zijn of haar woning niet meer in mag en in die periode ook geen contact mag opnemen met de partner of de kinderen. Het biedt de mogelijkheid om in een noodsituatie te voorzien in een afkoelingsperiode waarbinnen de nodige hulpverlening op gang kan worden gebracht en escalatie kan worden voorkomen.
Bij 33 van de 40 opgelegde huisverboden zijn kinderen betrokken (Utrecht 2009). Het gaat gemiddeld om twee kinderen per incident. Opvallend is de zeer jonge leeftijd van kinderen bij huisverboden. Slechts 15% van alle kinderen is ouder dan 12 jaar. Kinderen van 0 jaar oud (12%), 1 jaar (10%) en 2 jaar (10%) lijken het meest vertegenwoordigd (Cijfers Bureau Jeugdzorg Haaglanden 2009). Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, ondervinden daarvan vaak veel meer schade dan tot nu toe is aangenomen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat 40 procent van hen ernstige schade ondervindt: ze kampen met gedragsproblemen, agressie en depressiviteit. Door het huisverbod worden kinderen bereikt die normaal gesproken niet bij Bureau jeugdzorg terecht komen, omdat ze nog niet op school zitten. Een belangrijke taak is weggelegd voor huisartsen en GGD's in het signaleren van huiselijk geweld bij kinderen tot 4 jaar.

maandag 25 oktober 2010

Een integrale aanpak van overlastgevende jongeren


Je leest een hoop onzin over hoe je overlastgevende jongeren moet aanpakken. Opvoedkampen, strafdienstplicht noem maar op. Maar al heel lang is duidelijk dat een dergelijke eenzijdige aanpak niet werkt, behalve dat het politiek goed scoort. Wat wel goed werkt is een integrale aanpak die zowel aandacht besteedt aan overlast en criminaliteit als aan achterliggende oorzaken. Een voorbeeld van zo'n aanpak is ontwikkeld door Advies en Onderzoeksgroep Beke. Eerst worden aan de hand van een vragenlijst de soort jeugdgroepen in beeld gebracht Er zijn drie typen: hinderlijk, overlastgevend of crimineel.
De jeugdgroepen worden per wijk in een overleg besproken bestaande uit vertegenwoordigers van politie, veiligheidshuis Utrecht, gemeente en jongerenwerk. De groepen worden geanalyseerd en elke groep krijgt een plan van aanpak. Het plan van aanpak omvat maatregelen ten aanzien van de individuen in de groep (alle jongeren een persoonlijk plan van aanpak), de groep als geheel (bijvoorbeeld activiteiten in de wijk) en de fysieke omgeving (bijvoorbeeld het plaatsen van camera’s, een Jongerenontmoetingsplek). De jongeren die criminele activiteiten plegen worden aangepakt door het Veiligheidshuis Utrecht. De jongeren die wel zware overlast plegen, maar geen criminele activiteiten, gaan een ander traject in. In overleg met welzijn- en zorgpartners uit de wijk wordt een plan van aanpak opgesteld waarin de hulpverlening gericht is op de leefgebieden werk, school en vrije tijd.
Wat daarbij ook heel goed kan werken is samenwerking met jeugdzorg en het standaard uitnodigen van ouders voor een gesprek om hen op de hoogte te brengen van het doen en laten van hun kind en met hen te kijken naar een mogelijke aanpak. Het is met name een individuele aanpak die werkt. Want het feit dat de jongeren in een groep opereren betekent niet dat de groepsaanpak werkt. Nee, het isoleren van de leiders, justitieel aanpakken van harde kern jongeren en een outreachende, geïntegreerde aanpak voor de rest, dat werkt. Samenwerking tussen politie,jeugdzorg, onderwijs en welzijnswerk can do the trick.

maandag 11 oktober 2010

Triple P als cement in het CJG


In het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) werken instellingen samen en bieden informatie en advies, signaleren, leiden toe naar hulp en bieden licht pedagogische hulp en zorgcoördinator voor ouders, opvoeders, kinderen en jongeren van 0 tot 23 jaar.Om een samenhangend aanbod te realiseren is een gezamenlijke pedagogische visie van de samenwerkende instellingen noodzaak. Triple P sluit daar goed op aan. Triple P staat voor Positief Pedagogisch Programma en biedt een kader van waaruit samengewerkt kan worden. Veel CJG's kiezen ervoor Triple P te implementeren en dat is niet voor niets. Triple P is een uit Australië afkomstig evidence based programma. Doel is de preventie en aanpak van problemen bij kinderen door opvoedingsondersteuning. Uniek is dat het programma een integrale aanpak biedt met vijf opeenvolgende niveau's van interventies:
- Populatiegerichte strategie: niveau 1
- Voorlichtingsactiviteiten: niveau 2
- Pedagogisch advies: niveau 3
- Oudertraining: niveau 4
- Gezinsinterventie: niveau 5
Dit maakt dat Triple P opvoedingsondersteuning op maat kan bieden, van algemene opvoedvragen tot hulp voor ouders van kinderen met gedragsproblemen. Het legt daarmee ook een directe link tussen het preventieve veld en de geïndiceerde zorg. Dit alles vanuit eenzelfde visie en dezelfde basisprincipes van positief opvoeden. De principes zijn gericht op specifieke risico- en beschermende factoren die de ontwikkeling van kinderen beïnvloeden:
- Een veilige en stimulerende omgeving
- Leren door positieve ondersteuning
- Aansprekende discipline
- Realistische verwachtingen hebben
- Zorgen voor jezelf als ouder
Weinig verrassend, maar wel duidelijk en gebaseerd op erkende theoretische inzichten in het gedrag en de ontwikkeling van kinderen en de kennis van mogelijke gedragsbeïnvloeding. Triple P versterkt de samenwerking en is een goede keuze als basisaanbod van het CJG. het versterkt het locale aanbod van opvoedings- en gezinsondersteuning en kan ook prima bestaan naast andere initiatieven zoals Samen Starten, Eigen Kracht Conferenties en gezinscoaches. Kortom Triple P als cement in het CJG.

dinsdag 5 oktober 2010

Samenvoegen Steunpunt Huiselijk Geweld met het meldpunt OGGZ?


In sommige steden speelt de vraag of het steunpunt huiselijk geweld en het meldpunt OGGZ (meldpunt bezorgd?) niet beter samengevoegd kan worden.

Problematiek, risicofactoren en aanpak
Huiselijk geweld is een symptoom van onderliggende problemen. Er is geen wetenschappelijk onderzoek beschikbaar wie overgaat tot het plegen van huiselijk geweld en wie meer risico loopt slachtoffer te worden. Er zijn wel risicofactoren. Zo is bekend dat mensen die in hun jeugd huiselijk geweld hebben meegemaakt meer risico lopen om pleger of slachtoffer te worden. Andere risicofactoren zijn middelenmisbruik, armoede, psychiatrische problemen, verstandelijke handicap, sociaal isolement. Maar risicofactoren hebben geen voorspellende waarde en ook zonder risicofactoren kan huiselijk geweld zich voordoen.
Bij OGGZ gaat het om mensen waar zorgen om zijn (bijv. eenzaamheid, vervuiling, psychiatrische problemen). Bij het meldpunt OGGZ worden cliënten gemeld die
- eenzaam zijn
- geen hulp zoeken maar wel hulp nodig hebben
De aanpak is dan ook verschillend. Waar bij huiselijk geweld een snelle doortastende aanpak nodig is, zeker wanneer er kinderen bij betrokken zijn, is bij de OGGZ het vaak een kwestie van een lange adem: contact maken, een relatie opbouwen en mensen verleiden tot hulp.

Herkenbaarheid en taken meldpunt
Voor mensen die te maken hebben met huiselijk geweld is het van belang dat zij weten dat huiselijk geweld niet normaal is en waar ze terecht kunnen. Niet voor niets wordt vanuit de overheid jaarlijks geïnvesteerd in een publiekscampagne. En er zal nog veel energie gestoken moeten worden om risicogroepen (tienermoeders, bepaalde allochtone groepen) te bereiken. De herkenbaarheid van het meldpunt is noodzakelijk en telefonische opvang door gespecialiseerde medewerkers een ‘must’. De taken van het meldpunt gaan verder dan het opvangen van slachtoffers.
Functies steunpunt huiselijk geweld:
- voorlichting
- deskundigheidsbevordering
- advies en consultatie
- preventie bij risicogroepen
- signalering
- organiseren hulpverlening
- nazorg

Zorgketen, jeugdketen en de justitiële keten

Bij de aanpak huiselijk geweld zijn niet alleen hulpverleningsinstanties voor volwassenen betrokken (GGZ, GGD) maar ook de justitiële instanties en de jeugdhulpverlening/jeugdzorg. Huiselijk geweld is een strafbaar feit. Getuige zijn van huiselijk geweld door kinderen wordt gezien als kindermishandeling waar bij ingrijpen noodzakelijk is. Landelijk speelt zelfs de discussie of het SHG niet moet fuseren met het AMK. Voor de aanpak van huiselijk geweld is een systeembenadering noodzakelijk en hulp moet worden georganiseerd voor zowel pleger, slachtoffer als de kinderen.
Samenwerking tussen meldpunten OGGZ, AMK en SHG in de BackOffice kan wel meerwaarde opleveren. Het samenbrengen van het AMK, SHG en het meldpunt OGGZ in een veiligheidshuis – zoals in sommige steden al gebeurt – werkt positief. Het blijkt dat de fysieke nabijheid de samenwerking, afstemming en uitwisseling van gegevens tussen organisaties vergemakkelijkt, wat de ketensamenwerking en daarmee de hulp en veiligheid ten goede komt.

Conclusie
Het is van belang dat de toegang OGGZ en huiselijk geweld van elkaar gescheiden blijft.

maandag 20 september 2010

Kindermishandeling, opsporen en optreden


Er verschijnen heel wat boeken op het terrein van huiselijk geweld en kindermishandeling en de kwaliteit daarvan verschilt nogal. Een paar weken terug kreeg ik er weer één toegezonden om te recenseren: Kindermishandeling: opsporen en optreden. Dit boek is ontstaan uit de samenwerking tussen de auteurs Medi Hoes, werkzaam bij Bureau Jeugdzorg en de Hogeschool van Amsterdam en Ergün Erol werkzaam bij de politie. Besproken wordt het signaleren en de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld. Ingegaan wordt op de verschillende vormen van kindermishandeling, de gewenste beroepshouding en signalen. Daders en slachtoffers van huiselijk geweld worden beschreven en ingegaan wordt op de geweldscyclus. In deze publicatie wordt specifieke aandacht besteed aan het tijdelijk huisverbod, eergerelateerd geweld en loverboys. De auteurs presenteren hun methode in de praktijk. Het doen van aangifte wordt benadrukt in een apart hoofdstuk. Het boek wordt afgesloten met een beschrijving van instellingen betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling, voorbeelden van casussen en wetteksten. Een goedbedoeld boek, maar weinig diepgaand en onduidelijk. Waar in de praktijk wellicht zeer nuttig werk wordt verricht, wordt in het boek niet duidelijk gemaakt hoe hun methode er precies uitziet en wat het unieke ervan is. Daarnaast hebben de auteurs geprobeerd teveel informatie in één boek te geven. Ze blijven daardoor oppervlakkig en leveren geen bijdrage aan de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld. Een gemiste kans.

maandag 13 september 2010

Trauma en herstel


Kort geleden kreeg ik Trauma en herstel van Judith Lewis Herman toegezonden. Toevallig (?) was ik ook net Haar naam was Sarah van Tatiana de Rosney aan het lezen, wat al maanden op de bestsellerlijsten fictie (?) staat. De twee boeken sluiten naadloos op elkaar aan. Waar de Rosney verhaalt over de geschiedenis van één meisje, plaatst Herman deze ervaringen in een breder kader. Trauma en herstel is al sinds zijn publicatie in 1993 een bestseller en iedere gerenommeerde boekhandel heeft standaard twee exemplaren in voorraad. In deze publicatie wordt het verband gelegd tussen de persoonlijke gruwelen die kinderen en volwassenen hebben ervaren en de invloed daarvan op de (ontwikkeling van) de persoonlijkheid. Het is gebaseerd op twintig jaar onderzoek en therapeutisch werk met slachtoffers van seksueel en huiselijk geweld en tevens een weerslag van ervaringen met tal van andere getraumatiseerde mensen zoals oorlogsveteranen en slachtoffers van politieke terreur. In het eerste deel gaat Herman in op hoe mensen reageren op het trauma, welke strategieën zij inzetten om te overleven en welke consequenties dat heeft. In het tweede deel maakt zij het behandelproces inzichtelijk en bespreekt de drie fases daarin: veiligheid, herinnering en rouw, herstel van verbondenheid. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van voorbeelden uit de praktijk. Hoewel het een gemis is dat de actuele ontwikkelingen in traumabehandeling niet worden besproken, geldt dit boek al sinds 1993 als meesterwerk voor het begrijpen en behandelen van slachtoffers met een complexe posttraumatische stressstoornis.

dinsdag 7 september 2010

Intieme oorlog


Na een blogloze zomer met veel mooie zomeravonden (juni/juli in Nederland), een indrukwekkende vakantie (India) met bijpassende literatuur (Witte Tijger van Aravind Adiga en De erfenis van het verlies van Kiran Desai) is het weer tijd de draad weer eens op te pakken en regelmatig een blog te schrijven.
In juni kreeg ik het boek een Intieme oorlog van Martine Groen en Justine van Lawick toegezonden. Een boek waarin een systeemgerichte aanpak van huiselijk geweld wordt gepresenteerd. Uit onderzoek blijkt dat 45% van de Nederlanders ervaring heeft met geweld in de huiselijke kring. Per jaar komen er 57000 meldingen van huiselijk geweld bij de politie binnen. In deze publicatie beschrijven Martine Groen en Justine Lawick - psychotherapeuten met een jarenlange ervaring in de behandeling van paren met geweld in de relatie – hun theorie en methodiek. Ze beschrijven de spiraal van geweld waar partners in terecht komen en de rol van beiden in het in stand houden van het geweld. Hun aanpak start met het herstel van de veiligheid in het gezin middels een time-out programma. Pas als het geweld gestopt is start de behandeling die gebaseerd is op de systeemtheorie. De theorie wordt geïllustreerd met casuïstiek en de methodiek is concreet en daarmee toepasbaar in de praktijk. Ook wordt ingegaan op geweld in andere culturen en jongeren die hun ouders terroriseren. Hoewel het boek door de hoofdstukindeling hier en daar wat fragmentarisch overkomt, is het een absolute aanrader voor hulpverleners die te maken hebben met huiselijk geweld.

maandag 28 juni 2010

Geweld achter de voordeur


Dat was alweer het derde congres dit jaar met 'achter de voordeur' in de titel. Eerder was ik op het congres Het aanbellen voorbij...: experimenteren met achter de voordeur' over multi-problemgezinnen en bij het congres Dwang voorbij de voordeur over de nieuwe wet die het mogelijk maakt psychiatrische patiënten thuis gedwongen te behandelen. Duidelijk is dat gedwongen behandeling, hulp geven terwijl gezinnen er niet op zitten te wachten, ingrijpen wanneer wantoestanden geconstateerd worden, outreachend werken, de nieuwe trend is. Zo ook met huiselijk geweld. Waar vroeger nogal eens de neiging was dit af te doen met een 'privézaak' is steeds duidelijker geworden dat het geen privézaak is maar een maatschappelijk probleem waar ingegrepen moet worden. Zeker wanneer er kinderen bij betrokken zijn. Huiselijk geweld heeft een zeer negatieve invloed op de ontwikkeling van kinderen en kan gezien worden als een vorm van kindermishandeling, waarbij ingrijpen noodzakelijk is. En dan liefst zo snel mogelijk, want hoe eerder wordt ingegrepen hoe groter de kans om het geweld ook daadwerkelijk te stoppen.
De conferentie: geweld achter de voordeur ging over huiselijk geweld bij allochtone bevolkingsgroepen in Rotterdam. Huiselijk geweld komt in alle lagen van de bevolking voor, ook in Wassenaar en Bloemendaal, maar bij gezinnen die kampen met een combinatie van problemen zoals armoede of gebrek aan een sociaal netwerk, vaker. Bovendien is er door de taalbarrière of onbekendheid met het Nederlandse hulpverleningssysteem een grotere drempel om hulp te zoeken. Reden voor de 4 M organisaties Stichting Spirit, Stichting Avanco, Platform Buitenlanders Rijnmond, Stichting Vluchtelingen organisatie Rijnmond en de stichting Welzijnsbevordering Antillianen en Arubanen een project te starten om een bijdrage te leveren aan het bespreekbaar maken en voorkomen van huiselijk geweld onder de verschillende bevolkingsgroepen in Rotterdam. Van oktober 2009 tot en met mei 2010 zijn expertmeetings en themabijeenkomsten georganiseerd. Gekeken is hoe verschillende groepen allochtonen kijken naar en omgaan met huiselijk geweld. Het resultaat is vastgelegd in een publicatie: Huiselijk geweld kent geen kleur, of toch? Gepleit wordt voor inzicht in de verschillende culturen, maar aangezien Rotterdam 196 culturen telt, is dat een veelomvattende opdracht. Kijken vanuit de cultuur is belangrijk en het betrekken van zelforganisaties bij het geven van informatie en voorlichting noodzaak. Zij kunnen zeker helpen om de bereidheid tot melden te vergroten en het zoeken van hulp te stimuleren.

dinsdag 22 juni 2010

Zorg om jeugdzorg


Het aantal kinderen dat onder toezicht wordt gesteld, neemt de laatste jaren flink toe. Ondertoezichtstelling is de meest voorkomende kinderbeschermingsmaatregel. Een deel van deze kinderen wordt vervolgens uit huis geplaatst. Deze maand kreeg ik het boek Zorg om jeugdzorg van Beijerse e.a toegezonden om te recenseren voor Biblion.Geen opwekkend boek. In december 2008 stuurden een aantal Rotterdamse jeugdrechtadvocaten een ‘brandbrief’ naar de rechtbank over de veelvuldige uithuisplaatsing van kinderen. Volgens hen wordt het middel te vaak toegepast en leunt de rechter teveel op het advies van de gezinsvoogd, die vaak nauwelijks contact heeft gehad met het gezin. In vervolg op de brief werd op 24 april 2009 het congres ’Zorg om jeugdzorg’ georganiseerd, waar kinderrechters, advocaten, medewerkers van Bureau Jeugdzorg en van de Raad voor de Kinderbescherming met elkaar va gedachten wisselden. Het boek is een verslag van dit congres; de lezingen en discussies aangevuld met verhalen van jongeren. Wat blijft hangen is een overwegend negatief beeld van de jeugdzorg, partijen die elkaar tegenwerken en weinig concrete afspraken of aanknopingspunten om gezamenlijk de hulp aan kinderen en gezinnen te verbeteren. Een gemiste kans, zeker omdat alle partijen zeggen het belang van het kind en het gezin voorop te stellen.

maandag 14 juni 2010

Elke dag je hoofd en inbox leeg


Op 3 juni was ik op het seminar jeugdzorg 2.0 over het gebruik van sociale media in de jeugdzorg. Volgens de organisatoren (Alares en FCB) wordt ondanks de vele mogelijkheden in de jeugdzorg nog weinig geprofiteerd van de mogelijkheden van moderne informatie- en communicatietechnologie. Reden genoeg om mijn licht is op te gaan steken op deze conferentie. Ik werd niet teleurgesteld.
Begonnen werd met een inspirerende inleiding waarbij gebruik gemaakt werd van Prezi, een alternatief voor Powerpoint. Dat zag er heel flitsend uit en is eenvoudig te downloaden van het internet. Bij een volgende presentatie die ik houd, ga ik het eens uitproberen.
Verder heb ik deelgenomen aan een workshop over E-hulp. Dat de resultaten van E-hulp erg goed zijn en dat je er een andere doelgroep mee kunt bereiken wist ik al, maar nieuw was te horen dat e-hulp ook op andere manieren wordt ingezet zoals voor nazorg of bij het contact tussen pleegkinderen en hun biologische ouders.
Ook heb ik kennisgemaakt met de digitale pen. Zelfs mijn handschrift kon worden omgezet in getypte tekst. Moet een ideaal middel zijn voor hulpverleners. Nooit meer verslagen overtypen, maar gewoon schrijven op een blocnote waar de cliënt bij is. Dat moet bergen tijd schelen. Tijd die besteed kan worden aan hulpverlening in plaats van administratie. Het klinkt te mooi om waar te zijn.
Na de conferentie ging ik naar huis met een vol hoofd met nieuwe indrukken. Gelukkig kreeg ik het boek Elke dag je hoofd en inbox leeg van Taco Oosterkamp mee. Mijn inbox is inmiddels leeg, en mijn hoofd nog niet. Maar misschien komt dat omdat ik het boek nog niet uit heb.