maandag 28 februari 2011

Kind centraal of kind van de rekening?


Op 17 februari was ik aanwezig op de Atriumlezing georganiseerd door de VNG over de stelselwijziging in de jeugdzorg.
Aanleiding voor deze bijeenkomst was dat de gemeenten verantwoordelijk worden voor de jeugdzorg en een stevig inhoudelijk concept nog ontbreekt. Deze bijeenkomst moest daar een bijdrage aan leveren.
De VNG voorzitter Ralph Pans stelde ons gerust dat de Nederlandse kinderen tot de gelukkigste kinderen van de wereld behoren, maar voegde daar onmiddelijk aan toe dat in Nederland 1 op de 7 kinderen gebruik maken van een vorm van speciale zorg. De vraag aan zorg neemt alleen maar toe.
Volgens Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek, heeft dat te maken met de interactie tussen ouders en scholen. Als de communicatie tussen ouders en scholen slecht is, is dat volgens de Winter een voorspeller voor problemen en diagnoses zoals ADHD, Asperger en dergelijke. Problemen worden geproduceerd in plaats van opgelost door ouders en scholen samen. De Winter pleit al sinds jaar en dag voor een 'Civil Society' waar problemen niet worden weg georganiseerd naar meldpunten jeugdoverlast, maar waar de betrokkenheid van ouders, burgers en scholen versterkt wordt en met elkaar wordt gesproken over de aanpak van problemen. De expertise van de jeugdzorg moet naar de buurt, de school en de ouders toekomen.
Nou zou je zeggen dat met de stelselwijziging waarbij de gemeenten de verantwoordelijkheid krijgen voor de jeugdzorg een stap in de goede richting wordt gezet. Alleen is het zo dat de gemeenten geen zicht heeft op wat er op hen af komt, de deskundigheid ontbreekt en de hele stelselwijziging is ook niet gebaseerd op een heldere visie.
De volgende spreker Erik Gerritsen, voorzitter agglomeratie jeugdzorg Amsterdam pleitte er dan ook voor te investeren in deskundig opdrachtgeverschap. En gaf daarbij een aantal basisprincipes mee: gebruik de kracht van het netwerk, benoem één vaste gezinsmanager en werk gezinsgericht.
Tenslotte sloot Wethouder Erik Dannenberg af met een verhaal om het doorverwijzen te beperken, lokale netwerken te gebruiken en een stelsel te bouwen dat hulpverleners niet belemmert maar faciliteert, maar clienten hulp biedt.
Er is nog veel werk aan de winkel. Hopelijk heeft deze bijeenkomst de gemeenten wakker geschud om aan de slag te gaan deskundigheid op te bouwen en een visie te ontwikkelen zodat niet de problematiek van de instellingen maar van het het kind centraal staat en het kind geen kind van de rekening wordt.

maandag 21 februari 2011

De voordelen van gemengde buurtscholen


Het bestrijden van segregatie in het onderwijs is niet langer rijksbeleid. 'Zwarte scholen zijn een feit', zegt CDA-minister Marja van Bijsterveldt in een vraaggesprek met de Volkskrant op 7 februari. 'Het gaat om kwaliteit van het onderwijs. Wit of zwart is minder belangrijk.'

Bijsterveldt heeft wel een heel beperkte kijk op kwaliteit en op wat kinderen moeten leren. Veel scholen zijn alleen gefocust op het aanleren van rekenen en taal en het halen van een hoge CITO score. Daardoor kiezen veel scholen in de strijd naar een hogere CITO score ervoor kinderen van allochtone of laagopgeleide ouders te weren. Maar een hoge CITO score is niet het enige criterium is om te beoordelen of de school goed of slecht is. Om een succesvol en gelukkig leven te leiden is meer nodig dan het aanleren van reken- en taalvaardigheden. Met name het aanleren van sociale vaardigheden is een onderbelicht aspect. Of je nou later dokter wordt of een groentewinkel begint, de omgang met anderen is onmiskenbaar een factor voor succes. Kinderen hoef je niet te stimuleren om die vaardigheden te leren. De belangrijkste reden voor kinderen om naar school te gaan zijn de andere kinderen in de klas. Nog leuker voor kinderen is als er kinderen uit de buurt op school zitten, waar ze na school mee kunnen afspreken om te spelen en zelfstandig naar toe kunnen gaan. Veel witte ouders kiezen er nu voor hun kinderen met de auto naar een school buiten het centrum te brengen, waardoor afspraken om te spelen alleen nog met de agenda erbij gepland kunnen worden. Zowel minister Bijsterveldt als deze ouders ontnemen hun kinderen de kans op ervaringen die verder gaan dan hun eigen werkelijkheid. Gemengde scholen hebben onmiskenbaar voordelen. Ik denk dat mijn nichtje Molly en haar vriendinnetjes (op de foto boven dit stukje) het helemaal met me eens zijn.

maandag 14 februari 2011

Pedagogische tik?


De pedagogische tik is een term die nog regelmatig gebezigd wordt. Maar is een tik wel zo pedagogisch? Leert een kind er wat van of zijn er andere, betere manieren om grenzen te stellen?
Uit onderzoek blijkt dat een tik meestal niet pedagogisch is, een kind leert er niets van, een tik wordt gegeven uit frustratie en onmacht. De grens tussen 'een tik' en mishandeling is vaag. Prof. Baartman (hoogleraar preventie en behandeling kindermishandeling) vermoedt dat de meeste gevallen van kindermishandeling uit de hand gelopen pedagogische tikken zijn.
Onderzoeker Elisabeth Thompson Gershoff heeft een omvangrijke studie gedaan naar fysieke straffen. Daaruit is gebleken dat lijfstraffen in het algemeen, maar uitdrukkelijk ook de tikken die 'slechts regelmatig' gegeven werden negatieve gevolgen hebben op zowel korte als lange termijn. Hierbij geldt dat de effecten versterkt worden naarmate er vaker en intenser geslagen wordt. Ook als de ouder inconsequent is zijn de effecten sterker; een kind dat meestal een verbaal standje krijgt, maar op een dag een mep krijgt in eenzelfde situatie krijgt een groter gevoel van onveiligheid dan een kind dat weet dat hij een klap kan verwachten bij slecht gedrag. Met andere woorden slaan is een onwenselijk pedagogisch instrument. Het kind wordt er onzeker van en leert dat slaan toegestaan is, een oplossing in sommige gevallen. Het risico dat het slaan steeds erger wordt is ook aanzienlijk. Beter is kinderen op hun niveau te corrigeren en uit te leggen waarom iets niet mag. Heldere instructies geven en snel reageren als een kind zich niet goed gedraagt. Dat is effectiever en zonder risico's. De pedagogische tik bestaat niet.

maandag 31 januari 2011

Veiligheidsbeleid en risico-management in de jeugdzorg


De overheid is onder de huidige omstandigheden onvoldoende in staat om haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van jonge kinderen tussen 0 en 12 jaar binnen gezinnen waar te maken. Deze conclusie trekt de Onderzoeksraad voor Veiligheid, onder voorzitterschap van prof. mr. Pieter van Vollenhoven, na bestudering van 27 gevallen van kindermishandeling met fatale en bijna‐fatale afloop. (Januari 2011)

Achteraf kijken is natuurlijk altijd eenvoudiger dan vooraf risico's inschatten. De jeugdzorg bevindt zich in een duivels dilemma: het kind thuislaten met alle risico's van dien of ingrijpen wat een traumatische ervaring is voor zowel kinderen als ouders. Veel slachtoffers van kindermishandeling zeggen achteraf: waarom heeft er niemand ingegrepen? Maar ze zeggen daarmee niet dat ze uit huis willen, ze willen dat het geweld stopt. Samenwerking met ouders om het geweld te stoppen is de beste manier om dat te bewerkstelligen en een heldere inventarisatie van de risico's is daarvan een essentieel onderdeel. De 'Signs of Safety benadering' biedt aanknopingspunten voor beiden. Signs of Safety biedt een benaderingswijze voor de hulpverlening wanneer het gaat om onveiligheid van kinderen. Gebruik makend van het netwerk van het gezin wordt in kaart gebracht waar men zich zorgen over maakt, wat de mogelijkheden en krachten van het gezin zijn en hoe ze gaan laten zien dat de kinderen nu en in de toekomst veilig zijn en voorkomen wordt dat zij opnieuw het slachtoffer worden van kindermishandeling, misbruik, verwaarlozing of getuige zijn van huiselijk geweld.
Daarnaast is het ook goed de 27 gevallen met (een bijna) fatale afloop onder de loep te nemen en te analyseren hoe de zaak is verlopen, wie er bij betrokken waren, wat signalen waren, of de kinderen gezien zijn, hoe en welke de risico's geïnventariseerd zijn, wat de aanpak was en hoe geborgd is dat dat ook daadwerkelijk gebeurde. Veel blijkt mis te gaan als er teveel hulpverleners betrokken zijn bij een gezin en geen duidelijke afspraken zijn gemaakt wie verantwoordelijk is voor wat of het omgekeerde één gezinsvoogd die verantwoordelijk is voor teveel gezinnen met te weinig tijd om deze gezinnen te bezoeken, laat staan met collega's een gedegen risico-inventarisatie uit te voeren.
Organisaties voor de jeugdzorg moeten serieus werk maken van hun veiligheidsbeleid en risicomanagement op zo'n manier dat de veiligheid van het kind zo optimaal mogelijk wordt gegarandeerd.

Met een veiligheidsbril ben je er niet.

maandag 24 januari 2011

Schoolmaatschappelijk werk kan voortijdig schoolverlaten voorkomen


Het schoolmaatschappelijk werk kan een bijdrage leveren aan het voortijdig schoolverlaten en de daarmee samenhangende risicofactor om in de criminaliteit te belanden. Onder voortijdig schoolverlaten verstaan we alle jongeren tot 23 jaar die de school (voortijdig) hebben verlaten zonder startkwalificatie. Een startkwalificatie is een HAVO of VWO-diploma of een diploma op MBO niveau twee. Een startkwalificatie is nodig om een kans te maken op de arbeidsmarkt. En het is van belang alles op alles te zetten dat jongeren een diploma halen.
Bekend is dat verschillende factoren risico verhogend kunnen werken om vroegtijdig de school te verlaten (van de Berg en Jaarsma 2010): sekse (vooral jongens), gezin en omgeving (lager sociaal economische status), etniciteit (eerste generatie allochtonen), cognitie (minder goede resultaten en een lager schooladvies), beperkingen, stoornissen(zoals ADHD) en persoonlijkheid (impulsiviteit impulsiviteit, aandachtsstoornissen, gebrekkige sociale vaardigheden, gebrekkige zelfcontrole en hyperactiviteit).
Taak van het schoolmaatschappelijk werk is problemen te signaleren en hulp te bieden om schooluitval te voorkomen.
Er zijn drie typen schooluitvallers te onderscheiden.
‘Opstappers’. Tot deze categorie worden uitvallers gerekend die een bewuste keuze maken om de school te verlaten. Hierbij is er niet echt sprake van een probleem of problemen. Deze uitvallers verlaten de school om bijvoorbeeld te gaan werken.
‘Niet kunners’. Tot deze categorie worden uitvallers bedoeld die over te weinig leercapaciteiten en leervermogen beschikken om een diploma te behalen. Ook worden gedragsstoornissen tot dit type gerekend.
‘Overbelasten’. Tot deze laatste categorie worden uitvallers gerekend die, zoals het woord al doet vermoeden, overbelast zijn. Hiermee wordt bedoeld dat zij gebukt gaan onder een opeenstapeling van verschillende problemen. Vaak zijn dit psychosociale problemen, die uiteen kunnen lopen van gedragsproblemen tot gebroken gezinnen. Het is meestal niet zo dat deze groep uitvallers hun diploma niet wil halen, maar door opeenstapeling van problemen niet kan halen. De combinatie tussen deze problemen en het behalen van goede schoolresultaten is dan teveel gevraagd, met schooluitval als gevolg.
Het schoolmaatschappelijk werk kan jongeren die kampen met risicofactoren of tot één van de drie typen behoren een aanbod doen en begeleiden door middel van individuele gesprekken, gesprekken met ouders en/of gezinsgesprekken. Per situatie wordt gekeken wat nodig is, maar over het algemeen worden ouders erbij betrokken omdat de ervaring is dat de problemen van de jongeren en gezin samenhangen en dat de ouders op zijn minst het hulpaanbod moeten ondersteunen. De schoolmaatschappelijk werker werkt outreachend, hij gaat als dat nodig is op huisbezoek. De schoolmaatschappelijk werker zit in de school, docenten kunnen leerlingen direct aanmelden, de hulp kan vaak binnen een week en op de school worden geboden en de hulp die de schoolmaatschapppelijk werker kan bieden gaat verder dan de begeleiding die de school kan geven doordat het gezin erbij wordt betrokken. De hulp is inzichtgevend en praktisch, de schoolmaatschappelijk werker werkt samen met ouders en jongeren en kan bijvoorbeeld jongeren inzicht geven in hun gedrag en leren er meer grip op te krijgen, opvoedvaardigheden van ouders versterken en consultatie geven aan leraren. Kortom: schoolmaatschappelijk werk werkt preventief voor voortijdig schoolverlaten.

maandag 10 januari 2011

Voortijdig schoolverlaten vergroot kans op criminaliteit


Financiering van het schoolmaatschappelijk werk (SMW) in het voortgezet onderwijs stopt in het schooljaar 2011/2012. De regeling voorkomen schooluitval (VSV) van het ministerie van OCW vervalt. Gemeenten worden verantwoordelijk voor de aansluiting tussen jeugdzorg en onderwijs en krijgen een regiefunctie.
De vorige week schreef ik al dat de meeste Centra voor Jeugd en Gezin nog geen adequaat aanbod voor jongeren hebben. Nou is het wel zo dat het SMW in veel gemeenten onderdeel is van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Het SMW behoort tot de zorgstructuur in en om de school en vormt de verbinding tussen het Centrum voor Jeugd en Gezin, de zorgteams, zorg-en adviesteams in het onderwijs en de lokale preventieve voorzieningen (jeugd- en jongerenwerk). SMW biedt advies, informatie en kortdurende psychosociale hulp aan ouders en leerlingen of verwijst door naar de gespecialiseerde zorg. Zowel in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs als in het MBO is SMW beschikbaar. Het SMW is erop gericht is problemen in een vroeg stadium aan te pakken. Het levert een bijdrage aan het voorkomen van schoolverzuim en het vroegtijdig schoolverlaten. Daar moet je je ook weer niet teveel van voorstellen, schoolmaatschappelijk werkers beschikken over een beperkt aantal uren en over het algemeen kunnen jongeren niet zomaar binnenlopen als ze een probleem hebben. Het blijkt dat de vraag naar schoolmaatschappelijk werk veel groter is dan het aanbod. En nu stopt dus de financiering in het voortgezet onderwijs in het schooljaar 2011/2012. Scholen ervaren de meerwaarde die het SMW biedt. Het is zinvol problemen in een vroegtijdig stadium aan te pakken en bekend dat vroegtijdig schoolverlaten en een criminele carrière samenhangen. Uit onderzoek blijkt dat voortijdig schoolverlaters ruim zes keer zo veel kans hebben om in aanraking te komen met de politie dan jongeren die het onderwijs met een startkwalificatie verlaten. Het SMW kan door haar integrale aanpak waarbij aandacht is voor de gezinssituatie, leefomgeving is de buurt, leeftijdsgenoten, leerkrachten en het pedagogisch klimaat op de school jongeren ondersteunen en stimuleren om een startkwalificatie te halen.

maandag 3 januari 2011

Steeds meer hulpvragen van ouders worden door Bureau Jeugdzorg afgewezen

Bericht in de Volkskrant van 31 december:

AMSTERDAM - Steeds meer hulpvragen van ouders worden door Bureau Jeugdzorg afgewezen. Uit cijfers van brancheorganisatie MOgroep blijkt dat bijna 40 procent van de aanmeldingen niet wordt geaccepteerd. Of ouders en kinderen daarna bij een andere instantie terechtkomen voor hulp of met hun probleem blijven rondlopen, wordt niet geregistreerd.

Veel mensen zullen bij Bureau jeugdzorg denken aan een Bureau waar alle ouders en kinderen die problemen hebben terecht kunnen, maar dat is niet (meer) het geval. Met de start van de Wet op de Jeugdzorg in 2005 en de oprichting van de Bureau's jeugdzorg was dat nog wel de bedoeling. Het idee was dat de zorg moet zo dicht mogelijk bij het kind of de jongere gebeuren, zo kort mogelijk duren en zo licht mogelijk zijn. Inmiddels zijn de Bureau's jeugdzorg omgebouwd en geven niet of nauwelijks nog directe hulp. Die taak ligt nu bij de Centra voor Jeugd en Gezin. De Bureau's Jeugdzorg zijn omgevormd tot indicatie-organen (d.w.z. verwijzer naar de gespecialiseerde zorg) en begeleiden alleen nog kinderen en jongeren met een justitiële maatregel. Kortom Bureau Jeugdzorg is er voor kinderen met ernstige problemen die een indicatie nodig hebben voor gespecialiseerde zorg of begeleid worden door een gezinsvoogd omdat ze gezien de ernst van de problemen door de rechter onder toezicht zijn gesteld. Het is dus logisch dat een groot deel van de hulpvragen niet wordt geaccepteerd.

Waar moeten deze ouders en jongeren dan naartoe?
In de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg is afgesproken dat de gemeenten verantwoordelijk worden voor de jeugdzorg en ze zijn dat al langer voor de lichte opvoedhulp. Maar zeker niet in elke gemeente is een goed draaiend Centrum voor Jeugd en Gezin en zeker een plek waar jongeren met problemen terechtkunnen ontbreekt.
De veronderstelling is dat met de aangekondigde effeiciencykorting van 300 miljoen in 2015 de situatie steeds erger zal worden. Steeds meer middelzware problematiek zal worden doorverwezen naar de CJG's. En de CJG's zullen hard aan de slag moeten willen ze ook in staat zijn om een goed aanbod te bieden aan deze doelgroep met complexere problematiek.

maandag 13 december 2010

Seksueel misbruik in de katholieke kerk erkennen en verhinderen


De afgelopen jaren is de katholieke kerk opgeschrikt door meldingen van seksueel misbruik. Decennialang is seksueel misbruik door katholieke geestelijken in de doofpot is gestopt, maar nu wordt de roep naar om een groot onderzoek naar seksueel misbruik in katholieke instellingen steeds luider, ook in Nederland.
Begin deze maand kreeg ik de publicatie seksueel misbruik in de katholieke kerk erkennen en verhinderen van Wunibald Muller toegezonden. Wunibald Muller is een ervaren Duitse psychotherapeut en theoloog. Hij gaat in dit boek in op de oorzaken van seksueel misbruik in de kerk en het verband met het celibaat, homoseksualiteit en pedofilie. Hij legt er de nadruk dat ook geestelijken die celibatair willen leven een ontwikkeling moeten doormaken om op een rijpe en verantwoordelijke manier met seksualiteit te kunnen omgaan en met mannen en vrouwen van de eigen leeftijd innige relaties kunnen aangaan in overeenstemming met het celibaat. Men moet de eigen seksualiteit kennen en weten of men hetero of homoseksueel is. Priesters die minderjarigen seksueel misbruiken blijken psycho-seksueel te zijn blijven steken op de leeftijd van dertien jaar. Het taboe op homoseksualiteit moet verdwijnen en een open discussie moet worden gevoerd over het celibaat en het toelaten van vrouwen tot het priesterambt. Daarnaast moet de kerk slachtoffers aanmoedigen niet langer te zwijgen.

Naar aanleiding van al die berichten over seksueel misbruik heb ik twee ooms van me, die priester zijn/waren in de RK kerk, gevraagd of zij ook ooit iets dergelijks hadden meegemaakt of op de hoogte waren van dergelijke praktijken. Ze hadden er weinig van gemerkt, kenden wel incidentele gevallen en vertelden dat het ook niet gauw naar buiten kwam op het seminarie omdat het ook voor de slachtoffers betekende dat hun droom 'priester worden' daarmee van de baan was. Alles stond in het teken van de opleiding tot priester en dat ging zo ver dat vriendschappen tussen de jongens ten strengste verboden waren. Toch een vorm van kindermishandeling om kinderen vriendschappen te verbieden en bovendien een slechte basis voor een normale ontwikkeling. In de woorden van Wunibald Muller een verstoring van de ontwikkeling naar een volwassen seksualiteit en daarmee een risicofactor voor seksueel misbruik van kinderen en jongeren op latere leeftijd.

maandag 6 december 2010

Met wilskracht naar herstel


Een paar weken terug stuurde Biblion me het boek Met wilskracht naar herstel, overleven na kindermishandeling van de Stichting Geheim Geweld en Stichting Anton Constandse toe, om te recenseren. Het boek bevat vijftien interviews en verhalen van mensen die in hun jeugd zijn mishandeld.
45% van de bevolking is ooit slachtoffer geweest van geweld in de huiselijke kring. Jaarlijks worden ruim 63.000 incidenten registreert bij de politie. Naar schatting wordt 10-12% van de incidenten bij de politie gemeld. De meeste mensen verwerken ervaringen met licht tot matig geweld, 10 -15% krijgt klachten op fysiek, seksueel en/of emotioneel gebied. In deze publicatie vertellen 15 slachtoffers van kindermishandeling hun verhaal. Het zijn 15 tragische verhalen van mannen en vrouwen, van verschillende leeftijden en uit verschillende culturen, die in hun jeugd lichamelijk, psychisch of seksueel zijn mishandeld en nu nog met de gevolgen daarvan kampen. Een aantal van hen woont bij de Stichting Anton Constandse, die samen met de Stichting geheim geweld het initiatief nam voor dit boek. Het voorwoord is geschreven door Catherine Keyl, zelf ook slachtoffer van kindermishandeling en ambassadeur van de Stichting Geheim Geweld. In de bijlage is informatie opgenomen over kindermishandeling, kinderrechten, hulpverleningsinstellingen en een literatuurlijst.
Volwassenen zien zelf vaak niet in dat klachten en problemen samenhangen met wat ze in het verleden hebben meegemaakt. Bovendien is het een taboe om hiervoor uit te komen. De impact en de pijnlijke gevolgen van kindermishandeling dragen slachtoffers levenslang met zich mee. Deze mensen vormen een verborgen groep.

maandag 29 november 2010

1 Happy Family?


Afgelopen donderdag was ik op de conferentie over huiselijk geweld in Den Haag 1 Happy Family? Het was absoluut de moeite waard. Bijna iedereen in de regio die betrokken is bij huiselijk geweld was op de conferentie aanwezig, zowel uit de strafrechtketen (politie, reclassering, OM) als uit de hulpverleningsketen. Maar daarnaast was het ook een interessant programma.
Het begon meteen al goed met de opening door wethouder Rabin Baldewsingh. De wethouder vertelde hoe belangrijk hij de aanpak van huiselijk geweld vindt en dat hij dat van harte gaat ondersteunen. Dat hoor je natuurlijk wel vaker en het is natuurlijk maar de vraag wat daarvan in de praktijk terecht komt. Maar deze wethouder wist zijn betrokkenheid heel duidelijk te maken door te vertellen over zijn persoonlijke ervaring met huiselijk geweld. Nooit eerder heb ik dat iemand in een overheidsfunctie publiekelijk zien doen. Ik vond dat van een enorme hoeveelheid lef getuigen en daarmee was meteen duidelijk dat dit onderwerp bij hem in goede handen is.
Daarna werd door trainersgroep Wilde Kastanje een situatie uitgebeeld van een gezin waar huiselijk geweld speelt, en waar hulpverlening wordt ingezet. De situatie werd door de aanwezigen als 'levensecht' beoordeeld. Duidelijk werd hoe ingewikkeld het is om goede hulpverlening te bieden aan gezinnen waar geweld speelt en het publiek werd uitgenodigd mee te denken over de beste aanpak. Een hulpverleenster van de Waag was zelfs bereid haar manier van werken met plegers van huiselijk geweld en hun partners ter plekke te laten zien en wist daarmee veel bewondering te oogsten.
vervolgens kwam Jill Maddison Huiselijk Geweld adviseur uit Londen aan het woord, initiatiefnemer van het Europese Family Justice Centre.In dit centrum zijn alle betrokkenen bij huiselijk geweld samengebracht op één plek: politie, advocaten, therapeuten, huisvesting enz. En de samenwerking was bij de start lastig, maar werpt nu zijn vruchten af. Dit heeft in Nederland navolging gevonden in Haarlem/Amsterdam en een tweede centrum start binnenkort in Friesland.
's Middags heb ik de workshop systeemgericht werken in de keten van zorg en strafrecht: botsende systemen gevolgd. De keten van zorg en van strafrecht zijn systemen die hun eigen terminologie en visie hebben en daardoor niet op elkaar aansluiten. Belangrijk bij de aanpak van huiselijk geweld is dat iemand de regiefunctie krijgt die de verschillen kan overstijgen en boven de instellingen staat.
De dag had een happy end met de standup Musician Bart Kiers die op onnavolgbare wijze de gebeurtenissen en teksten van de dag aan elkaar zong.
Daarna werd - voor wie nog energie over had- de aangrijpende film 'zingen in het donker' in het filmhuis vertoond, het laatste onderdeel van het programma.
Al met al een interessante en afwisselende dag wat weer energie opleverde om met dit onderwerp voortvarend verder te gaan. Er is nog genoeg te doen, maar er zijn ook veel positieve ontwikkelingen om op voort te bouwen.

maandag 22 november 2010

Vernieuwingen implementeren, wat werkt?


Uit onderzoek blijkt dat zeventig procent van de veranderingsprocessen in Nederlandse organisaties voortijdig vast lopen of niet leiden tot het gewenste resultaat. Het Nederlands jeugdinstituut organiseert in 2011 een congres met als titel: Wijzer implementeren. Vragen zijn: wat zijn kenmerken van succesvolle implementatie? Hoe het implementatieproces inrichten en uitvoeren? Hoe de resultaten monitoren en borgen?
In Nederland wordt jaarlijks handenvol geld uitgegeven aan wetenschappelijk onderzoek, maar de praktijk heeft er weinig profijt van. Wat meespeelt is dat onderzoekers bij voorkeur publiceren in wetenschappelijke tijdschriften en dat deze (vaak Engelse) tijdschriften niet gelezen worden door werkers uit de praktijk, ook niet door gedragswetenschapppers. Maar misschien meer nog dat de implementatie van onderzoek in handen is van de onderzoekers en de kloof met de praktische gang van zaken groot is. Bovendien is de visie dat implementatie top down moet plaatsvinden terwijl het in feite precies andersom is. De ideeën voor een succesvolle implementatie moeten niet komen van managers maar uit de ervaringen met cliënten in de praktijk. Wat met name van belang is dat gestart wordt met een uitgebreide inventarisatie van de stand van zaken, het huidige beleid en vooral de huidige praktijk. Afspraken zijn mooi, maar als niemand er zich aan houdt heb je er niks aan. Dus starten bij het in kaart brengen van de huidige uitvoeringspraktijk. Waar lopen de werkers tegenaan, wat zijn struikelblokken, wat wensen? En dan maakt het niet uit of je een nieuwe aanpak huiselijk geweld gaat implementeren, het veiligheidbeleid voor de kinderen of een nieuwe evidence-based methodiek. Na de uitvoerders zijn de managers en beleidsmakers pas aan de beurt. Met wat je gezien hebt in de praktijk kun je beleidsplannen en mooie besluiten doorlichten, maar kom je geheid ook problemen op het spoor waardoor het in de praktijk misloopt. Nadat de actuele situatie in kaart is gebracht, kan het projectplan worden geconcretiseerd: wat gaan we precies aanpakken, hoe en met welk concreet resultaat. Daarna is het tijd voor het echte werk: het ontwikkelen van protocollen, het aanpassen van werkafspraken, het organiseren van trainingen en werkconferenties, het afschaffen van zinloze overleggen en vervangen door nuttige bijeenkomsten over concrete zaken. Alles wordt in het werk gezet om het gestelde resultaat te bereiken, dus het stoppen van het geweld in gezinnen, het verbeteren van de veiligheid van kinderen of het terugdringen van gedragsproblemen. Naast de inhoud gaat het daarbij ook om commitment van uitvoerders. Een implementatie wordt pas succesvol als degenen die het werk moeten uitvoeren, de protocollen bewaken, de afspraken nakomen: het nut, de meerwaarde daarvan inzien (visie) en de voorwaarden aanwezig zijn om dat ook zo te doen (organisatie en deskundigheidsbevordering)
En natuurlijk:
- dat duidelijk is wat en hoe het moet worden uitgevoerd (plan)
- in een pilot is ervaren hoe het is om anders te werken (do)
- de nieuwe werkwijze wordt geëvalueerd (check)
- de aanpak op basis van de resultaten wordt bijgesteld (act)
met degenen die het moeten uitvoeren (people)

maandag 15 november 2010

Ouders verwachten teveel van hun kind


Kinderfysiotherapeuten zien steeds vaker kinderen met klachten, die niets blijken te mankeren. Dat zegt hoogleraar kinderfysiotherapie bij het UMC Utrecht Paul Helders. De meeste ouders verwachten een perfect kind en als dat niet het geval blijkt te zijn, gaan ze er bij voorkeur mee naar een arts die het probleem moet oplossen, het liefst met een medicijn. De afgelopen jaren hebben steeds meer kinderen een diagnose gekregen. Kinderen hebben ADHD, autisme, dyscalculie, PDD-nos, dislexie, noem maar op. Drukke, lastige of verlegen kinderen bestaan niet meer. Niet om ernstige problemen te bagatelliseren, maar in sommige schoolklassen zijn bijna geen kinderen meer te vinden zonder etiket. Daarbij komt dat er weinig of geen onderzoek bestaat naar het effect van medicatie op kinderen en we moeten afwachten wat de effecten hiervan zijn op de langere termijn voor deze kinderen. De nadruk komt te liggen op de nature (aanleg) van het kind en de nurture (opvoeding) raakt steeds meer buiten beeld. Terwijl het voor ouders van kinderen - met wat voor etiket dan ook - van belang is te leren omgaan hiermee en hulp te krijgen in de beste aanpak van hun kind. Ouders zijn daarin belangrijk en met een medicijn of extra tijd voor een proefwerk los je het probleem niet op, wel met een op het kind afgestemde aanpak door de ouders en leraren.
Kinderen zijn niet perfect, maar ouders ook niet en deze eenzijdige focus op het kind sluit de helft van de mogelijkheden uit om iets te doen wat de ontwikkeling van het kind kan stimuleren en de problemen kan verminderen.

maandag 8 november 2010

Multi-focus benadering huiselijk geweld

Afgelopen donderdag was ik met collega's uit Delft op bezoek bij de Mutssaersstichting in Venlo. Aanleiding was dat het project 'Multifocus benadering van (dreigend) huiselijk geweld' van de Mutssaersstichting genomineerd was voor de Hein Roethofprijs 2010. Ze hebben de prijs niet gewonnen, maar het feit dat ze tussen 2007 en 2010 278 gezinnen met succes hebben geholpen via de multifocus benadering en de recidive werd teruggebracht van 60 tot 15 procent, was de moeite waard om eens naar Venlo af te reizen. Want wat doen ze dan precies in Venlo waardoor hun aanpak zo effectief is? De essentie van de Venlose benadering zit hem in het intensieve casemanagement. Zes casemanagers zijn 7 keer 24 uur per week bereikbaar en als er een melding is van huiselijk geweld of een huisverbod, gaat er een casemanager op af. Deze casemanager praat uitvoerig en apart met slachtoffer, pleger en kinderen. Uitvoerig betekent dat de situatie, de aanleiding, de voorgeschiedenis, alle levensgebieden, problemen, de hulpverleningsgeschiedenis in kaart worden gebracht. Met kinderen worden als dat nodig is tekeningen gemaakt om de situatie te verhelderen. De casemanager neemt voor deze intake 5 tot 7 uur en maakt op basis van de bevindingen binnen 12 uur een plan van aanpak. Op basis van dit plan van aanpak organiseert de casemanager de hulpverlening. De casemanager verzamelt alle informatie bij de hulpverleners en stuurt hen aan. Of als, zoals je soms ziet bij multi-problemgezinnen, teveel hulpverleners in het gezin werken, zorgt dat het aantal hulpverleners beperkt wordt. Uitgangspunt is een systemische, intergenerationele benadering, het doel is het geweld te stoppen en intensieve hulp op het gezin te zetten. De casemanager volgt het gezin gedurende een jaar, stuurt de hulpverleners aan en grijpt in als de hulpverlening stagneert. De kracht zit hem in de outreachende, intensieve benadering bij de start, waarbij op respectvolle en doortastende wijze contact met het gezin wordt gelegd en het langdurige volgen van het gezin door één casemanager en de aansturing van de hulpverlening vanuit één punt. Een zeer intensieve, deskundige en ook praktische benadering die navolging verdient.

maandag 1 november 2010

Jonge kinderen als risicofactor voor huiselijk geweld



Het krijgen van kinderen of het hebben van hele jonge kinderen blijkt een risicofactor voor huiselijk geweld.
Sinds begin 2009 heeft een burgemeester de mogelijkheid om bij een acute dreiging van huiselijk geweld de verantwoordelijke tien dagen uit huis te plaatsen. Als de dreiging van geweld aanhoudt, kan het huisverbod worden verlengd tot maximaal 28 dagen. In 2009 zijn er 2107 huisverboden opgelegd. Het huisverbod houdt in dat een pleger van huiselijk geweld tien dagen zijn of haar woning niet meer in mag en in die periode ook geen contact mag opnemen met de partner of de kinderen. Het biedt de mogelijkheid om in een noodsituatie te voorzien in een afkoelingsperiode waarbinnen de nodige hulpverlening op gang kan worden gebracht en escalatie kan worden voorkomen.
Bij 33 van de 40 opgelegde huisverboden zijn kinderen betrokken (Utrecht 2009). Het gaat gemiddeld om twee kinderen per incident. Opvallend is de zeer jonge leeftijd van kinderen bij huisverboden. Slechts 15% van alle kinderen is ouder dan 12 jaar. Kinderen van 0 jaar oud (12%), 1 jaar (10%) en 2 jaar (10%) lijken het meest vertegenwoordigd (Cijfers Bureau Jeugdzorg Haaglanden 2009). Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, ondervinden daarvan vaak veel meer schade dan tot nu toe is aangenomen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat 40 procent van hen ernstige schade ondervindt: ze kampen met gedragsproblemen, agressie en depressiviteit. Door het huisverbod worden kinderen bereikt die normaal gesproken niet bij Bureau jeugdzorg terecht komen, omdat ze nog niet op school zitten. Een belangrijke taak is weggelegd voor huisartsen en GGD's in het signaleren van huiselijk geweld bij kinderen tot 4 jaar.

maandag 25 oktober 2010

Een integrale aanpak van overlastgevende jongeren


Je leest een hoop onzin over hoe je overlastgevende jongeren moet aanpakken. Opvoedkampen, strafdienstplicht noem maar op. Maar al heel lang is duidelijk dat een dergelijke eenzijdige aanpak niet werkt, behalve dat het politiek goed scoort. Wat wel goed werkt is een integrale aanpak die zowel aandacht besteedt aan overlast en criminaliteit als aan achterliggende oorzaken. Een voorbeeld van zo'n aanpak is ontwikkeld door Advies en Onderzoeksgroep Beke. Eerst worden aan de hand van een vragenlijst de soort jeugdgroepen in beeld gebracht Er zijn drie typen: hinderlijk, overlastgevend of crimineel.
De jeugdgroepen worden per wijk in een overleg besproken bestaande uit vertegenwoordigers van politie, veiligheidshuis Utrecht, gemeente en jongerenwerk. De groepen worden geanalyseerd en elke groep krijgt een plan van aanpak. Het plan van aanpak omvat maatregelen ten aanzien van de individuen in de groep (alle jongeren een persoonlijk plan van aanpak), de groep als geheel (bijvoorbeeld activiteiten in de wijk) en de fysieke omgeving (bijvoorbeeld het plaatsen van camera’s, een Jongerenontmoetingsplek). De jongeren die criminele activiteiten plegen worden aangepakt door het Veiligheidshuis Utrecht. De jongeren die wel zware overlast plegen, maar geen criminele activiteiten, gaan een ander traject in. In overleg met welzijn- en zorgpartners uit de wijk wordt een plan van aanpak opgesteld waarin de hulpverlening gericht is op de leefgebieden werk, school en vrije tijd.
Wat daarbij ook heel goed kan werken is samenwerking met jeugdzorg en het standaard uitnodigen van ouders voor een gesprek om hen op de hoogte te brengen van het doen en laten van hun kind en met hen te kijken naar een mogelijke aanpak. Het is met name een individuele aanpak die werkt. Want het feit dat de jongeren in een groep opereren betekent niet dat de groepsaanpak werkt. Nee, het isoleren van de leiders, justitieel aanpakken van harde kern jongeren en een outreachende, geïntegreerde aanpak voor de rest, dat werkt. Samenwerking tussen politie,jeugdzorg, onderwijs en welzijnswerk can do the trick.

maandag 11 oktober 2010

Triple P als cement in het CJG


In het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) werken instellingen samen en bieden informatie en advies, signaleren, leiden toe naar hulp en bieden licht pedagogische hulp en zorgcoördinator voor ouders, opvoeders, kinderen en jongeren van 0 tot 23 jaar.Om een samenhangend aanbod te realiseren is een gezamenlijke pedagogische visie van de samenwerkende instellingen noodzaak. Triple P sluit daar goed op aan. Triple P staat voor Positief Pedagogisch Programma en biedt een kader van waaruit samengewerkt kan worden. Veel CJG's kiezen ervoor Triple P te implementeren en dat is niet voor niets. Triple P is een uit Australië afkomstig evidence based programma. Doel is de preventie en aanpak van problemen bij kinderen door opvoedingsondersteuning. Uniek is dat het programma een integrale aanpak biedt met vijf opeenvolgende niveau's van interventies:
- Populatiegerichte strategie: niveau 1
- Voorlichtingsactiviteiten: niveau 2
- Pedagogisch advies: niveau 3
- Oudertraining: niveau 4
- Gezinsinterventie: niveau 5
Dit maakt dat Triple P opvoedingsondersteuning op maat kan bieden, van algemene opvoedvragen tot hulp voor ouders van kinderen met gedragsproblemen. Het legt daarmee ook een directe link tussen het preventieve veld en de geïndiceerde zorg. Dit alles vanuit eenzelfde visie en dezelfde basisprincipes van positief opvoeden. De principes zijn gericht op specifieke risico- en beschermende factoren die de ontwikkeling van kinderen beïnvloeden:
- Een veilige en stimulerende omgeving
- Leren door positieve ondersteuning
- Aansprekende discipline
- Realistische verwachtingen hebben
- Zorgen voor jezelf als ouder
Weinig verrassend, maar wel duidelijk en gebaseerd op erkende theoretische inzichten in het gedrag en de ontwikkeling van kinderen en de kennis van mogelijke gedragsbeïnvloeding. Triple P versterkt de samenwerking en is een goede keuze als basisaanbod van het CJG. het versterkt het locale aanbod van opvoedings- en gezinsondersteuning en kan ook prima bestaan naast andere initiatieven zoals Samen Starten, Eigen Kracht Conferenties en gezinscoaches. Kortom Triple P als cement in het CJG.

dinsdag 5 oktober 2010

Samenvoegen Steunpunt Huiselijk Geweld met het meldpunt OGGZ?


In sommige steden speelt de vraag of het steunpunt huiselijk geweld en het meldpunt OGGZ (meldpunt bezorgd?) niet beter samengevoegd kan worden.

Problematiek, risicofactoren en aanpak
Huiselijk geweld is een symptoom van onderliggende problemen. Er is geen wetenschappelijk onderzoek beschikbaar wie overgaat tot het plegen van huiselijk geweld en wie meer risico loopt slachtoffer te worden. Er zijn wel risicofactoren. Zo is bekend dat mensen die in hun jeugd huiselijk geweld hebben meegemaakt meer risico lopen om pleger of slachtoffer te worden. Andere risicofactoren zijn middelenmisbruik, armoede, psychiatrische problemen, verstandelijke handicap, sociaal isolement. Maar risicofactoren hebben geen voorspellende waarde en ook zonder risicofactoren kan huiselijk geweld zich voordoen.
Bij OGGZ gaat het om mensen waar zorgen om zijn (bijv. eenzaamheid, vervuiling, psychiatrische problemen). Bij het meldpunt OGGZ worden cliënten gemeld die
- eenzaam zijn
- geen hulp zoeken maar wel hulp nodig hebben
De aanpak is dan ook verschillend. Waar bij huiselijk geweld een snelle doortastende aanpak nodig is, zeker wanneer er kinderen bij betrokken zijn, is bij de OGGZ het vaak een kwestie van een lange adem: contact maken, een relatie opbouwen en mensen verleiden tot hulp.

Herkenbaarheid en taken meldpunt
Voor mensen die te maken hebben met huiselijk geweld is het van belang dat zij weten dat huiselijk geweld niet normaal is en waar ze terecht kunnen. Niet voor niets wordt vanuit de overheid jaarlijks geïnvesteerd in een publiekscampagne. En er zal nog veel energie gestoken moeten worden om risicogroepen (tienermoeders, bepaalde allochtone groepen) te bereiken. De herkenbaarheid van het meldpunt is noodzakelijk en telefonische opvang door gespecialiseerde medewerkers een ‘must’. De taken van het meldpunt gaan verder dan het opvangen van slachtoffers.
Functies steunpunt huiselijk geweld:
- voorlichting
- deskundigheidsbevordering
- advies en consultatie
- preventie bij risicogroepen
- signalering
- organiseren hulpverlening
- nazorg

Zorgketen, jeugdketen en de justitiële keten

Bij de aanpak huiselijk geweld zijn niet alleen hulpverleningsinstanties voor volwassenen betrokken (GGZ, GGD) maar ook de justitiële instanties en de jeugdhulpverlening/jeugdzorg. Huiselijk geweld is een strafbaar feit. Getuige zijn van huiselijk geweld door kinderen wordt gezien als kindermishandeling waar bij ingrijpen noodzakelijk is. Landelijk speelt zelfs de discussie of het SHG niet moet fuseren met het AMK. Voor de aanpak van huiselijk geweld is een systeembenadering noodzakelijk en hulp moet worden georganiseerd voor zowel pleger, slachtoffer als de kinderen.
Samenwerking tussen meldpunten OGGZ, AMK en SHG in de BackOffice kan wel meerwaarde opleveren. Het samenbrengen van het AMK, SHG en het meldpunt OGGZ in een veiligheidshuis – zoals in sommige steden al gebeurt – werkt positief. Het blijkt dat de fysieke nabijheid de samenwerking, afstemming en uitwisseling van gegevens tussen organisaties vergemakkelijkt, wat de ketensamenwerking en daarmee de hulp en veiligheid ten goede komt.

Conclusie
Het is van belang dat de toegang OGGZ en huiselijk geweld van elkaar gescheiden blijft.

maandag 20 september 2010

Kindermishandeling, opsporen en optreden


Er verschijnen heel wat boeken op het terrein van huiselijk geweld en kindermishandeling en de kwaliteit daarvan verschilt nogal. Een paar weken terug kreeg ik er weer één toegezonden om te recenseren: Kindermishandeling: opsporen en optreden. Dit boek is ontstaan uit de samenwerking tussen de auteurs Medi Hoes, werkzaam bij Bureau Jeugdzorg en de Hogeschool van Amsterdam en Ergün Erol werkzaam bij de politie. Besproken wordt het signaleren en de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld. Ingegaan wordt op de verschillende vormen van kindermishandeling, de gewenste beroepshouding en signalen. Daders en slachtoffers van huiselijk geweld worden beschreven en ingegaan wordt op de geweldscyclus. In deze publicatie wordt specifieke aandacht besteed aan het tijdelijk huisverbod, eergerelateerd geweld en loverboys. De auteurs presenteren hun methode in de praktijk. Het doen van aangifte wordt benadrukt in een apart hoofdstuk. Het boek wordt afgesloten met een beschrijving van instellingen betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling, voorbeelden van casussen en wetteksten. Een goedbedoeld boek, maar weinig diepgaand en onduidelijk. Waar in de praktijk wellicht zeer nuttig werk wordt verricht, wordt in het boek niet duidelijk gemaakt hoe hun methode er precies uitziet en wat het unieke ervan is. Daarnaast hebben de auteurs geprobeerd teveel informatie in één boek te geven. Ze blijven daardoor oppervlakkig en leveren geen bijdrage aan de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld. Een gemiste kans.

maandag 13 september 2010

Trauma en herstel


Kort geleden kreeg ik Trauma en herstel van Judith Lewis Herman toegezonden. Toevallig (?) was ik ook net Haar naam was Sarah van Tatiana de Rosney aan het lezen, wat al maanden op de bestsellerlijsten fictie (?) staat. De twee boeken sluiten naadloos op elkaar aan. Waar de Rosney verhaalt over de geschiedenis van één meisje, plaatst Herman deze ervaringen in een breder kader. Trauma en herstel is al sinds zijn publicatie in 1993 een bestseller en iedere gerenommeerde boekhandel heeft standaard twee exemplaren in voorraad. In deze publicatie wordt het verband gelegd tussen de persoonlijke gruwelen die kinderen en volwassenen hebben ervaren en de invloed daarvan op de (ontwikkeling van) de persoonlijkheid. Het is gebaseerd op twintig jaar onderzoek en therapeutisch werk met slachtoffers van seksueel en huiselijk geweld en tevens een weerslag van ervaringen met tal van andere getraumatiseerde mensen zoals oorlogsveteranen en slachtoffers van politieke terreur. In het eerste deel gaat Herman in op hoe mensen reageren op het trauma, welke strategieën zij inzetten om te overleven en welke consequenties dat heeft. In het tweede deel maakt zij het behandelproces inzichtelijk en bespreekt de drie fases daarin: veiligheid, herinnering en rouw, herstel van verbondenheid. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van voorbeelden uit de praktijk. Hoewel het een gemis is dat de actuele ontwikkelingen in traumabehandeling niet worden besproken, geldt dit boek al sinds 1993 als meesterwerk voor het begrijpen en behandelen van slachtoffers met een complexe posttraumatische stressstoornis.

dinsdag 7 september 2010

Intieme oorlog


Na een blogloze zomer met veel mooie zomeravonden (juni/juli in Nederland), een indrukwekkende vakantie (India) met bijpassende literatuur (Witte Tijger van Aravind Adiga en De erfenis van het verlies van Kiran Desai) is het weer tijd de draad weer eens op te pakken en regelmatig een blog te schrijven.
In juni kreeg ik het boek een Intieme oorlog van Martine Groen en Justine van Lawick toegezonden. Een boek waarin een systeemgerichte aanpak van huiselijk geweld wordt gepresenteerd. Uit onderzoek blijkt dat 45% van de Nederlanders ervaring heeft met geweld in de huiselijke kring. Per jaar komen er 57000 meldingen van huiselijk geweld bij de politie binnen. In deze publicatie beschrijven Martine Groen en Justine Lawick - psychotherapeuten met een jarenlange ervaring in de behandeling van paren met geweld in de relatie – hun theorie en methodiek. Ze beschrijven de spiraal van geweld waar partners in terecht komen en de rol van beiden in het in stand houden van het geweld. Hun aanpak start met het herstel van de veiligheid in het gezin middels een time-out programma. Pas als het geweld gestopt is start de behandeling die gebaseerd is op de systeemtheorie. De theorie wordt geïllustreerd met casuïstiek en de methodiek is concreet en daarmee toepasbaar in de praktijk. Ook wordt ingegaan op geweld in andere culturen en jongeren die hun ouders terroriseren. Hoewel het boek door de hoofdstukindeling hier en daar wat fragmentarisch overkomt, is het een absolute aanrader voor hulpverleners die te maken hebben met huiselijk geweld.

maandag 28 juni 2010

Geweld achter de voordeur


Dat was alweer het derde congres dit jaar met 'achter de voordeur' in de titel. Eerder was ik op het congres Het aanbellen voorbij...: experimenteren met achter de voordeur' over multi-problemgezinnen en bij het congres Dwang voorbij de voordeur over de nieuwe wet die het mogelijk maakt psychiatrische patiënten thuis gedwongen te behandelen. Duidelijk is dat gedwongen behandeling, hulp geven terwijl gezinnen er niet op zitten te wachten, ingrijpen wanneer wantoestanden geconstateerd worden, outreachend werken, de nieuwe trend is. Zo ook met huiselijk geweld. Waar vroeger nogal eens de neiging was dit af te doen met een 'privézaak' is steeds duidelijker geworden dat het geen privézaak is maar een maatschappelijk probleem waar ingegrepen moet worden. Zeker wanneer er kinderen bij betrokken zijn. Huiselijk geweld heeft een zeer negatieve invloed op de ontwikkeling van kinderen en kan gezien worden als een vorm van kindermishandeling, waarbij ingrijpen noodzakelijk is. En dan liefst zo snel mogelijk, want hoe eerder wordt ingegrepen hoe groter de kans om het geweld ook daadwerkelijk te stoppen.
De conferentie: geweld achter de voordeur ging over huiselijk geweld bij allochtone bevolkingsgroepen in Rotterdam. Huiselijk geweld komt in alle lagen van de bevolking voor, ook in Wassenaar en Bloemendaal, maar bij gezinnen die kampen met een combinatie van problemen zoals armoede of gebrek aan een sociaal netwerk, vaker. Bovendien is er door de taalbarrière of onbekendheid met het Nederlandse hulpverleningssysteem een grotere drempel om hulp te zoeken. Reden voor de 4 M organisaties Stichting Spirit, Stichting Avanco, Platform Buitenlanders Rijnmond, Stichting Vluchtelingen organisatie Rijnmond en de stichting Welzijnsbevordering Antillianen en Arubanen een project te starten om een bijdrage te leveren aan het bespreekbaar maken en voorkomen van huiselijk geweld onder de verschillende bevolkingsgroepen in Rotterdam. Van oktober 2009 tot en met mei 2010 zijn expertmeetings en themabijeenkomsten georganiseerd. Gekeken is hoe verschillende groepen allochtonen kijken naar en omgaan met huiselijk geweld. Het resultaat is vastgelegd in een publicatie: Huiselijk geweld kent geen kleur, of toch? Gepleit wordt voor inzicht in de verschillende culturen, maar aangezien Rotterdam 196 culturen telt, is dat een veelomvattende opdracht. Kijken vanuit de cultuur is belangrijk en het betrekken van zelforganisaties bij het geven van informatie en voorlichting noodzaak. Zij kunnen zeker helpen om de bereidheid tot melden te vergroten en het zoeken van hulp te stimuleren.

dinsdag 22 juni 2010

Zorg om jeugdzorg


Het aantal kinderen dat onder toezicht wordt gesteld, neemt de laatste jaren flink toe. Ondertoezichtstelling is de meest voorkomende kinderbeschermingsmaatregel. Een deel van deze kinderen wordt vervolgens uit huis geplaatst. Deze maand kreeg ik het boek Zorg om jeugdzorg van Beijerse e.a toegezonden om te recenseren voor Biblion.Geen opwekkend boek. In december 2008 stuurden een aantal Rotterdamse jeugdrechtadvocaten een ‘brandbrief’ naar de rechtbank over de veelvuldige uithuisplaatsing van kinderen. Volgens hen wordt het middel te vaak toegepast en leunt de rechter teveel op het advies van de gezinsvoogd, die vaak nauwelijks contact heeft gehad met het gezin. In vervolg op de brief werd op 24 april 2009 het congres ’Zorg om jeugdzorg’ georganiseerd, waar kinderrechters, advocaten, medewerkers van Bureau Jeugdzorg en van de Raad voor de Kinderbescherming met elkaar va gedachten wisselden. Het boek is een verslag van dit congres; de lezingen en discussies aangevuld met verhalen van jongeren. Wat blijft hangen is een overwegend negatief beeld van de jeugdzorg, partijen die elkaar tegenwerken en weinig concrete afspraken of aanknopingspunten om gezamenlijk de hulp aan kinderen en gezinnen te verbeteren. Een gemiste kans, zeker omdat alle partijen zeggen het belang van het kind en het gezin voorop te stellen.

maandag 14 juni 2010

Elke dag je hoofd en inbox leeg


Op 3 juni was ik op het seminar jeugdzorg 2.0 over het gebruik van sociale media in de jeugdzorg. Volgens de organisatoren (Alares en FCB) wordt ondanks de vele mogelijkheden in de jeugdzorg nog weinig geprofiteerd van de mogelijkheden van moderne informatie- en communicatietechnologie. Reden genoeg om mijn licht is op te gaan steken op deze conferentie. Ik werd niet teleurgesteld.
Begonnen werd met een inspirerende inleiding waarbij gebruik gemaakt werd van Prezi, een alternatief voor Powerpoint. Dat zag er heel flitsend uit en is eenvoudig te downloaden van het internet. Bij een volgende presentatie die ik houd, ga ik het eens uitproberen.
Verder heb ik deelgenomen aan een workshop over E-hulp. Dat de resultaten van E-hulp erg goed zijn en dat je er een andere doelgroep mee kunt bereiken wist ik al, maar nieuw was te horen dat e-hulp ook op andere manieren wordt ingezet zoals voor nazorg of bij het contact tussen pleegkinderen en hun biologische ouders.
Ook heb ik kennisgemaakt met de digitale pen. Zelfs mijn handschrift kon worden omgezet in getypte tekst. Moet een ideaal middel zijn voor hulpverleners. Nooit meer verslagen overtypen, maar gewoon schrijven op een blocnote waar de cliënt bij is. Dat moet bergen tijd schelen. Tijd die besteed kan worden aan hulpverlening in plaats van administratie. Het klinkt te mooi om waar te zijn.
Na de conferentie ging ik naar huis met een vol hoofd met nieuwe indrukken. Gelukkig kreeg ik het boek Elke dag je hoofd en inbox leeg van Taco Oosterkamp mee. Mijn inbox is inmiddels leeg, en mijn hoofd nog niet. Maar misschien komt dat omdat ik het boek nog niet uit heb.

maandag 7 juni 2010

Tips voor ketensamenwerking


Op 2 juni was op de miniconferentie Trends en toekomst in de ketensamenwerking georganiseerd door Slob management. Ketensamenwerking staat volop in de belangstelling omdat veel problemen niet oplosbaar zijn door één instelling en samenwerking tussen instellingen nodig is om een cliënt/gezin goed te helpen. We kunnen het cliënten immers niet aandoen om zeven verschillende hulpverleners op hen af te sturen. Niet dat dat niet meer voorkomt. Er zijn genoeg situaties bekend waar verschillende hulpverleners aan de slag zijn in één gezin zonder dat van elkaar te weten.
Volgens Aart Jan Moerkerke, wethouder In Capelle aan de IJssel die een inleiding hield, was kostenbesparing een eerste aanleiding voor gemeenten om ketensamenwerking te stimuleren. En betere zorg voor de cliënt kwam pas daarna, de omgekeerde volgorde lijkt me. Maar goed. Doel van ketensamenwerking is dat instellingen niet meer kunnen zeggen, dat een cliënt niet in de doelgroep valt omdat hij/zij verslaafd, psychisch gestoord, verstandelijk gehandicapt, 18+, of wat dan ook is. Dat instellingen gezamenlijk de verantwoordelijkheid nemen de cliënt te helpen. De gemeente heeft daarbij een regierol. Ze kunnen immers als subsidiegever instellingen bewegen om deel te nemen aan de ketensamenwerking voor bijvoorbeeld de aanpak van huiselijk geweld of zwerfjongeren.
Wat daarbij niet uit het oog verloren moet worden is het onderscheid tussen het beleidsniveau en het casusniveau. De gemeente heeft de rol de ketensamenwerking tussen instellingen op beleidsniveau te begeleiden en te sturen, afspraken te maken die uitvoerders faciliteren de cliënt of het gezin zo goed mogelijk te helpen. Op casusniveau liggen de rollen anders. Daar is de hulpverlener die de beste ingang heeft in het gezin de beste regievoerder, daar wordt de aanpak bij voorkeur in samenwerking met de cliënt/het gezin bepaald door hulpverleners die betrokken zijn in de hulpverlening aan het gezin. Problemen die opduiken op casusniveau waar men in de keten niet uitkomt worden doorgesluisd naar het beleidsniveau en daar opgelost.
Op de miniconferentie hield Anja van de AA ook nog een inleiding en zij bevestigde de aanpak om te starten bij de inhoud en pas later financiering te regelen. Ze gaf een voorbeeld over ketenzorg voor daklozen in Utrecht. Ze begonnen met een bijeenkomst met sleutelfiguren, maakten met hen een programma van knelpunten, betrokken vervolgens de doelgroep erbij en vroegen ook hen om advies, op basis van dat alles maakten ze een plan, pas daarna gingen ze aan de gang met het regelen van geld. Dit alles vanuit het idee dat voor een goed plan altijd geld komt als je maar goed zoekt en niet te snel opgeeft. Ze had nog tal van tips over ketensamenwerking, maar wat vooral bij me is blijven hangen is de waarschuwing om in het kader van de ketensamenwerking niet te investeren in de ontwikkeling van nieuwe ICT, volgens haar waren er voldoende landelijke ICT faciliteiten die werken en waar op aangesloten kan worden. Goed om te weten. Meer tips zijn te vinden op www.ketens-netwerken.nl

dinsdag 1 juni 2010

Als iets werkt doe het dan vaker


In mijn blog van 12 april heb ik geschreven over oplossingsgericht werken. In Nederland vindt het oplossingsgericht werken steeds meer ingang. Zo is ook de nieuwe methodiek van de Raad voor de Kinderbescherming gebaseerd op het oplossingsgericht werken. Niet alleen wordt gekeken naar de problemen en zwakke kanten van een gezin, maar ook de sterke kanten worden in kaart gebracht. Op die manier krijgt men een beter, genuanceerder beeld van de veiligheid van het kind. En door te concentreren op oplossingen in plaats van problemen worden cliënten ondersteund in het ontwikkelen van nuttige doelen en gedrag dat werkt. Dat betekent ook richten op het aanspreekbaar houden van cliënten voor het creëren van oplossingen in plaats van het benadrukken van problemen en tekortkomingen.
In het het oplossingsgericht werken zijn er diverse methodes die een hulpverlener kan inzetten om de cliënt te ondersteunen bij het zoeken naar oplossingen. Zo is er de bekende wondervraag, zijn er schaalvragen, maar ook door het vragen naar uitzonderingen op het probleem of het uitdiepen van details op het moment dat het goed gaat zijn manieren om cliënten te stimuleren te kijken naar wat zij doen als het goed gaat. Complimenten die de aandacht trekken naar wat er goed werkte in een bepaalde situatie werken ook goed. Dit uitgaande van de volgende principes:

- als iets werkt doe het dan vaker
- als iets niet werkt stop er dan mee en doe iets anders

Klinkt simpel, maar doe het maar eens. Zo is het ook met oplossingsgericht werken. Als je oplossingsgericht aan de slag gaat zul je merken dat het werkt. Dus...

dinsdag 25 mei 2010

Nieuwe wet over dwang in de ambulante GGZ

Op 25 maart j.l. was ik aanwezig bij het congres Dwang voorbij de voordeur? georganiseerd door het Landelijk Platform GGz en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Aanleiding van de bijeenkomst was de het wetsvoorstel Wet Verplichte ggz die de huidige BOPZ (Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen) mogelijk gaat vervangen. Als de wet wordt aangenomen kunnen dwangmaatregelen overal worden toegepast en niet alleen na (gedwongen) opname in een ggz-instelling. Daarbij moet je denken aan dwangmaatregelen zoals verplichte medicatie, verplichte therapie of schuldsanering. Op de bijeenkomst waren patiënten, ouders van patiënten, psychiaters en andere hulpverleners zoals daklozendokters, straatadvocaten, het straat-pastoraat, leden van ACT/FACT teams aanwezig. Dat resulteerde in een levendige discussie. Over het algemeen werd het nieuwe wetsvoorstel als positief gezien. Dwangmaatregelen zijn minder ingrijpend als een gedwongen opname, de hulpverlening kan plaatsvinden in het gezin van de patiënt. Zeker als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: de dwangbehandeling wordt uitgevoerd door vertrouwde hulpverleners; de behoefte van de patiënt wordt in kaart gebracht en serieus genomen; de naaste familie erbij wordt betrokken en gebruik wordt gemaakt van een zogenaamde crisis- of zorgkaart een kaart waarop de wensen van de patiënt over de hulpverlening bij gedwongen behandeling zijn vastgelegd) lijkt de nieuwe wet zeker een meerwaarde te hebben.

maandag 17 mei 2010

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling


Vorig jaar november was ik op het Landelijk Congres Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.

Er was veel slecht nieuws, nog steeds worden jaarlijks 100.000 kinderen slachtoffer van kindermishandeling en jaarlijks overlijden 50 kinderen aan de gevolgen ervan.
Maar er was ook goed nieuws. Iedereen die werkt met kinderen of volwassenen, moet eind 2010 werken met een meldcode. Er komt geen meldplicht maar het opstellen van een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wordt wel verplicht.

De meldcode is een stappenplan dat professionals kunnen gebruiken als ze vermoedens van mishandeling hebben. Onderzoek wijst uit dat hulp- en zorgverleners en leraren die met een meldcode werken drie keer zo vaak ingrijpen als collega’s waar zo’n code niet voorhanden is. Inmiddels is er het Basismodel van de meldcode voorhanden.Het basismodel is bedoeld als handreiking voor organisaties en zelfstandige beroepsbeoefenaren om een een code op te stellen voor de eigen organisatie of praktijk. Omdat de ervaringen uitwijzen dat het gebruik van een meldcode echt effect heeft, stelt de overheid dit wettelijk verplicht.

Alleen het ontwikkelen van een meldcode is niet voldoende, hij moet ook worden gebruikt. De beroepskrachten moeten dan ook training krijgen, zodat zij weten wat ze moeten doen als ze vermoeden dat iemand wordt mishandeld, verwaarloosd of misbruikt.
De basis van de meldcode zoveel mogelijk hetzelfde, zodat iedereen ook op de dezelfde manier handelt. Onderdelen die echt met een bepaald beroep hebben te maken, kunnen altijd worden toegevoegd.

De meldcode beschrijft in vijf stappen wat bijvoorbeeld een arts, verpleegkundige of leraar moet doen. Het basismodel kan worden toegespitst op de eigen sector.
Stap 1: In kaart brengen van signalen.
Stap 2: Collegiale consultatie en zonodig raadplegen van het advies- en Meldpunt Kindermishandeling of het Steunpunt Huiselijk Geweld.
Stap 3: Gesprek met de cliënt.
Stap 4: Wegen van het geweld of de kindermishandeling.
Stap 5: Beslissen: Hulp organiseren of melden.

Een meldcode is geen meldplicht. Door te werken met een meldcode blijft de beslissing om vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling wel of niet te melden, berusten bij de professional. Dat is jammer, maar het stappenplan van de meldcode biedt bij die afweging houvast.

maandag 10 mei 2010

Ouderenmishandeling


In april kreeg ik het boek Ouderenmishandeling. Ervaringen en interventies van Gerda Krediet toegezonden om te recenseren.
Er is nog weinig kennis over ouderenmishandeling. Toch komt het vaak voor. Uit onderzoek blijkt dat één op de twintig ouderen een vorm van ouderenmishandeling ondergaan heeft. Onder ouderenmishandeling wordt elke mishandeling van een oudere (vanaf 65 jaar)verstaan, die door een bekende begaan wordt. Dat kan een familielid zijn, vaak een kind een buurman of buurvrouw, een ‘vriend(in)’, of kennis en soms ook een hulpverlener. Ouderenmishandeling kan de vorm hebben van fysieke mishandeling , maar ook financiële uitbuiting en psychische mishandeling komen al dan niet in combinatie met elkaar voor. Het betreft vaak ouderen die geen of een klein sociaal netwerk hebben en afhankelijk zijn van zorg.
In het eerste deel van het boek worden 15 schrijnende casussen van ouderenmishandeling beschreven, alsmede de aanpak en de resultaten. In het tweede deel worden mogelijke interventies beschreven en een stappenplan gepresenteerd. Het boek geeft inzicht in de verschillende aspecten van de problematiek en biedt handvatten voor hulpverleners bij het aanpakken van ouderenmishandeling.
Het blijkt niet eenvoudig ouderenmishandeling aan te pakken, maar gezien de ernst van sommige situaties is meer aandacht voor het signaleren van en ingrijpen bij ouderenmishandeling zeker nodig.

dinsdag 27 april 2010

Geheim geweld


Op 18 maart woonde ik de Kenniskring Kindermishandeling van het Raak overleg Zuid-Holland Noord bij. Spreekster was Hameeda Lakho en het thema van de bijeenkomst Huiselijk geweld, kindermishandeling en eerwraak. Hameeda Lakho (1964) werd in Pakistan geboren en kwam op vierjarige leeftijd samen met haar moeder en zussen naar Nederland in het kader van gezinshereniging. Kort daarna meldde haar vader dat hun moeder en jongste zusje waren omgekomen bij een auto-ongeluk. In werkelijkheid had hij hen afgevoerd naar Pakistan. Jaren van terreur, vernederingen, isolement en mishandelingen dwongen Hameeda op jonge leeftijd het huis te ontvluchten. De Pakistaans-Nederlandse schrijfster Hameeda Lakho (1964) wil met haar persoonlijk verhaal de aandacht vestigen op de wereldwijde slachtoffers van kindermishandeling, zodat hun stem gehoord wordt. In haar boeken Verborgen Tralies (2000), Gebroken Cirkel(2003) en Geheim Geweld (2005) beschrijft ze haar zoektocht naar zichzelf en laat zien dat er onder alle omstandigheden hoop is. Dat er nog hoop is wordt onmiddellijk duidelijk als je deze vrouw ziet staan,die ondanks de beroerde omstandigheden waarin ze opgroeide een enorme kracht uitstraalt. Ze weet haar persoonlijke ervaringen te verbinden met de theorie over kindermishandeling en om te zetten in duidelijke adviezen voor hulpverleners. Zo geeft zij aan dat ze het psychische geweld veel ernstiger vond dan het lichamelijke geweld en dat vooral dat veel tijd heeft gekost om te verwerken. Pas toen ze uit huis ging werd het voor haar echt moeilijk. Ze moest het alleen zien te redden,in het kindertehuis werd er niets met haar ervaringen gedaan en voelde ze zich niet gehoord. Ze pleit ervoor zowel met ouders als met kinderen te praten. In het gesprek met de ouders is het centraal stellen van de ontwikkeling van het kind een goede ingang om op een niet confronterende manier met hen in gesprek te gaan en te bekijken hoe samengewerkt kan worden zonder dat het gezin zich sluit. Daarnaast is het ook van belang het kind serieus te nemen en met het kind te praten over zijn ervaringen, wensen en mogelijke oplossingen.

maandag 19 april 2010

Gebruik maken van clientenfeedback


In 2004 heb ik bij Stichting Alexander het cliëntenfeedbackinstrument voor de jeugdzorg ontwikkeld, de C-toets. Een groot aantal instellingen in de jeugdzorg werkt met dit instrument. Tevredenheid van klanten is naast verminderde uitval en realisatie van doelen één van de drie criteria om vast te stellen of de hulp effectief is. Door gebruik te maken van dit instrument kunnen instellingen vaststellen wat cliënten vinden van de hulp en waar verbetering mogelijk is. Het gaat dus niet alleen om het meten van de tevredenheid en een mooi rapport maar vooral om wat daarna komt. Wat doet de instelling met de resultaten? De meeste instellingen hebben de neiging de resultaten eerst in het managementteam te bespreken en vervolgens is de rest van de organisatie. Veel beter is om het precies andersom te doen. De resultaten eerst in de cliëntenraad, jongerenraad, ouderraad te bespreken. Cliënten te vragen of zij de resultaten herkennen en ideeën hebben voor verbetering. Dat levert vaak al heel veel informatie op. De volgende stap is bespreking van de resultaten in de teams. De informatie uit de raden kan gebruikt worden en teams kunnen afspraken over verbeterpunten. De laatste stap is bespreking in het managementteam. De verbeterpunten uit de teams kunnen meegenomen worden in de planning & controlcyclus en er kunnen verbeterpunten die de hele organisatie aangaan aan worden toegevoegd zoals bijvoorbeeld verbetering van de informatievoorzieniing. Op deze manier blijft het niet bij het meten van de tevredenheid van cliënten. Want het is leuk als de instelling een rapportcijfer 7 krijgt van cliënten, maar het is natuurlijk niet de bedoeling om vervolgens achterover te gaan leunen.

maandag 12 april 2010

Vraaggericht of oplossingsgericht werken?


In 2003 publiceerde ik het boek Vraaggericht werken in de jeugdhulpverlening. Het boek is gebaseerd op de kennis en ervaring die ik als manager van het 'Project vraaggericht werken' in Zuid-Holland tussen 1999 en 2001 heb opgedaan.
Inmiddels zijn we zeven jaar verder en de ontwikkelingen hebben niet stilgestaan. Steeds vaker valt de term oplossingsgericht werken. En wat is nu het verschil of de overeenkomst tussen vraaggericht werken en oplossingsgericht werken?
Het antwoord is dat hulpverlenen begint met vraaggericht werken en vervolgt met oplossingsgericht werken. Vraag- en oplossingsgericht werken sluiten perfect op elkaar aan. Vraaggericht werken betekent aansluiten bij de hulpvraag van de cliënt, vragen naar de mening en beleving van de cliënt over het probleem en over de hulp. De volgende stap is oplossingsgericht werken. Niet het probleem, maar de oplossing komt centraal te staan. Wat gaat goed, ook al is het nog zo klein, en hoe kun je dat uitbreiden? Wat is het doel van de hulp? In de gangbare hulpverlening wordt veel aandacht besteed aan het achterhalen van de oorzaak van problemen. Maar de oorzaak zegt vaak niets over hoe je het probleem op moet lossen. Veel beter is te kijken wanneer het probleem minder is of niet bestaat. Wat doet de cliënt dan? Het gaat erom tot in detail met de cliënt uit te zoeken hoe het zit. Dus vraaggericht oplossingsgericht aan de slag. Zoals Insoo Kim Berg, één van de grondleggers van het oplossingsgericht werken het verwoord: De goede relatie tussen de hulpverlener en de cliënt is de basis waarop het bouwen van oplossingen kan plaatsvinden, maar die relatie creëert geen verandering. Iets doen aan het probleem creëert de verandering, niet erover praten. Erover praten is maar een begin. Wat de cliënt daarna anders doet, creëert de verandering (wordt vervolgt).

dinsdag 6 april 2010

Voetstappen op de trap


Vorige week kreeg ik Voetstappen op de trap. Slachtoffers van kindermishandeling vertellen hun verhaal van Kees Opmeer toegestuurd om te recenseren voor Biblion.
Jaarlijks zijn ruim 100.000 kinderen slachtoffer van kindermishandeling. Van die kinderen overlijden er vijftig. En nog geen vijftigduizend van hen komt bij de hulpverlening.
De auteur is via hulpverleningsorganisaties in contact gekomen met slachtoffers die hun verhaal wilden vertellen. Verhalen over verwaarlozing, lichamelijke mishandeling, seksueel geweld en geestelijke mishandeling zoals pesten en kleineren. Zestien slachtoffers van kindermishandeling zijn geïnterviewd en hun ervaringen zijn verwerkt tot levensechte verhalen. Zestien aangrijpende en buitengewoon schokkende verhalen, die een indringend beeld geven van hun ervaringen. Maar ook verhalen van slachtoffers die het overleefd hebben en in staat waren over hun ervaringen te praten. Waarmee zij laten zien dat zij over veel kracht, moed en doorzettingsvermogen beschikken, ondanks alle ellende. Dat er altijd hoop is, wat iemand ook meemaakt.

maandag 29 maart 2010

Nazorg na de jeugdzorg


De wachtlijsten in de jeugdzorg worden steeds langer, de duur van de OTS neemt toe en op straat zien we steeds meer zwerfjongeren. Wat is er aan de hand?
Door het ontbreken van nazorg hebben gezinsvoogden moeite de hulp af te sluiten, omdat ze voorzien dat het gezin zonder ondersteuning opnieuw in de problemen komt. Problemen die je ook ziet bij jongeren voor wie de jeugdzorg op hun 18e plotseling stopt.
Organiseren van nazorg is belangrijk omdat gezinsvoogden een OTS eerder afsluiten als er voldoende en kwalitatief goede nazorg voorradig is. Dit vermindert de wachtlijst. En als er goede afstemming tussen jeugdzorg en vervolghulp is, vallen jongeren na hun 18e verjaardag niet meer in een gat. Nu stopt de jeugdzorg met 18 jaar, terwijl veel jongeren nog wel behoefte hebben aan veelal praktische ondersteuning. Het stijgend aantal zwerfjongeren is daar mede een gevolg van.
Waarom komt dit niet of zo moeizaam van de grond? De gemeenten worden gefinancierd om dit te organiseren, maar de resultaten zijn tot op heden nog mager te noemen.
Alleen Eindhoven heeft hiervoor een aanpak ontwikkeld. De methodiek heet ‘Niemand uit beeld’. Een deel van de jongeren die uitstroomt uit de jeugdzorg heeft ondersteuning nodig. Hoe groot deze groep is is onduidelijk aangezien dit niet geregistreerd wordt. Dat is de reden dat gemeenten niet weten waar ze moeten beginnen. Wat belangrijk is, is dat wordt samengewerkt. Een half jaar voordat een jongere uitstroomt is er in Eindhoven contact met de jongere en de zorgaanbieder over wat nodig is wanneer de jongere uitstroomt. Deze behoeften staan centraal en hier wordt een programma om heen gemaakt.
Bureau Jeugdzorg onderhoudt de contacten met de zorgaanbieders en de gemeenten, nazorg is opgenomen in het indicatiebesluit en de zorgaanbieder maakt, samen met de jongere, een inschatting van de uiteindelijke noodzaak. De gemeente is uiteindelijk verantwoordelijk voor de regie en de coördinatie bij de uitvoering van het nazorgplan. Dat is nog eens een aanpak die hout snijdt. Deze methode wordt beschreven in het Handboek methodiek Niemand uit Beeld - Zorg voor jongeren na jeugdzorg. Het handboek is bedoeld voor bestuurders, beleidsmedewerkers en uitvoerders van gemeenten en provincies, welzijns- en zorginstellingen, zorgaanbieders en Bureau Jeugdzorg. Het is ondersteunend van opzet. Het is aan gemeenten om de methodiek op maat te maken voor de lokale situatie.

maandag 22 maart 2010

Multi-problem gezinnen: het probleem van de hulpverleners


Vorige week was ik op de conferentie: 'Het aanbellen voorbij...: experimenteren met Achter de Voordeur'. Steeds vaker hoor je dat sneller moet worden ingegrepen achter bij problemen in gezinnen. Maar het blijkt helemaal niet nodig de deuren langs te gaan om poolshoogte te nemen, al deze gezinnen zijn al bekend bij diverse instanties. De vraag is meer: wie pakt het op? Er zijn gezinnen bekend waar meer dan 10 hulpverleners bij betrokken waren. Gezinnen met een combinatie van problemen zoals schulden, een verstandelijke handicap, psychiatrische problemen, crimineel gedrag, opvoedingsproblemen, noem maar op. De politie, UWV, woningbouwvereniging, GGZ, MEE, Bureau Jeugdzorg, stadsbank, huisarts, spijbel-ambtenaar buitelen over elkaar heen. Het grootste probleem van het multi-problem gezin is dan ook de samenwerking en afstemming tussen de hulpverleners. Niet de ernst of het aantal problemen maar visie-verschillen tussen hulpverleners over de aanpak is één van de belangrijkste criteria om in een traject voor multi-problem gezinnen te komen. Op het congres werd in workshops de aanpak gepresenteerd van Amsterdam, Eindhoven, Enschede, Gouda, Groningen en Nijmegen. En waar vooral de aandacht naar uitging was wie de regie in de hulpverlening heeft, wie heeft het uiteindelijk voor het zeggen? In Amsterdam is een model ontwikkeld van besluitvorming, waarbij als ze er niet uitkomen uiteindelijk de burgemeester de beslissing moet nemen. En met veel enthousiasme werd de aanpak van Enschede onder de aandacht gebracht, waarbij één hulpverlener het mandaat krijgt namens de anderen te beslissen. En nou maar hopen dat met al deze mooie modellen er ook op gelet wordt om een hulpverlener naar het gezin te sturen die een goede relatie heeft met het gezin en/of in staat is echt contact te leggen. Want bij één gezin en één plan kunnen de hulpverleners het met elkaar eens zijn, dat is een mooie stap, maar de cruciale factor is nog altijd de samenwerking met het gezin.

dinsdag 16 maart 2010

Zomaar een kind


Sinds vorige week staat het boek Zomaar een kind van Cock Fuchs en mij op ten pages.com. Website http://www.tenpages.com/boek/zomaar_een_kind. Op deze site kun je de eerste vijftien pagina's van het boek lezen. In dit boek wordt het leven beschreven van Cock Fuchs, zijn ouders en zijn voorouders. Cock groeide op na de tweede wereldoorlog in een liefdeloos gezin dat geteisterd werd door armoede, huiselijk geweld en alcoholisme. De wortels van deze ellende zijn terug te voeren op gebeurtenissen in de oorlog. Dit had zijn weerslag op Cock, maar hij wist zich hieruit te ontworstelen en werd uiteindelijk directeur in de jeugdzorg. Dit boek is meer dan een waar gebeurd verhaal. Met behulp van theorie wordt geïllustreerd wat de invloed van jeugdervaringen op iemands gedrag en persoonlijkheid is. Duidelijk wordt met wat voor problemen de jeugdzorg in Nederland te maken krijgt en wat het belang is van goed georganiseerde hulpverlening.
Bekijk het, lees de eerste vijftien pagina's en help om het boek gepubliceerd te krijgen door aandelen te kopen!

dinsdag 9 maart 2010

Man is stoer, vrouw is hoer


In 2009 zijn door het Coördinatiecentrum Mensenhandel (Comensha) 909 slachtoffers van mensenhandel geteld. Onder mensenhandel vallen ook vrouwenhandel en gedwongen prostitutie. Vrouwenopvangcentra vangen vrouwen uit de vrouwenhandel op. Maar het kan dagen tot weken duren voordat er een opvangplek beschikbaar is voor slachtoffers. De aanpak is moeilijk. ‘Afzonderlijke signalen van mensenhandel zijn op zichzelf vaak niet duidelijk genoeg om mensenhandelaren te kunnen aanpakken en structurele barrières op te werpen,’ zegt minister Hirsch Ballin. Dat blijkt ook uit het verhaal van Anna, die denkt in Nederland in de bloemen te kunnen werken, maar verkocht wordt als prostituee. Ze wordt door de politie bevrijdt en komt zonder cent op zak op straat. Daar ontmoet ze Sertan, trekt bij hem in en wordt zwanger. Hij zet haar niet aan het werk in de prostitutie, maar mishandelt en verkracht hij haar wel regelmatig. Langzamerhand komt ze er achter dat hij werkt als pooier. Nadat hij is opgepakt neemt ze contact op met Maria Genova met het verzoek haar verhaal op te schrijven. In het boek man is stoer, vrouw is een hoer dat ik vorige maand recenseerde wordt het tragische verhaal van Anna verteld en ook de reacties van de schrijfster hierop worden uit de doeken gedaan.

dinsdag 2 maart 2010

Zaal zes of hoe normaal is normaal?


In een smerig bijgebouwtje zwaait Nikita de scepter. 'Hij behoort tot de categorie simpele, betrouwbare, stipte en bekrompen die de orde boven alles liefhebben en er daarom van overtuigd zijn dat zij er op los moeten slaan'. Op een dag komt er een nieuwe dokter, dokter Andrej. Als hij zijn functie aanvaardt, bevindt de instelling zich in een verschrikkelijke toestand: stank, kakkerlakken, wondroos enz. Eerst wil hij het ziekenhuis sluiten, maar komt tot de conclusie dat dat wegsturen van patiënten ook niets goeds oplevert. Hij doet een paar kleine aanpassingen en trekt zich daarna weinig aan van de wantoestanden. Hij houdt twee maal daags spreekuur, maar na een tijdje geeft hij de moed op en bezoekt niet meer dagelijks het ziekenhuis. Op en bepaald moment krijgt hij een assistent genaamd Jevgeni en ook hij is verontwaardigd over het ontbreken van antiseptische middelen en andere zaken, maar voert geen nieuwe maatregelen in uit vrees Andrej voor het hoofd te stoten. Dokter Andrej is een eenzame man die contact legt met patiënt Ivan in het bijgebouw. Het gesprek met Ivan maakt zo'n diepe indruk op hem dat hij hem dagelijks gaat bezoeken. De consequentie hiervan is dat zijn omgeving aan zijn verstandelijke vermogens gaat twijfelen en hij uiteindelijk zelf in het bijgebouw terecht komt en aan den lijve ervaart hoe Nikita is. 'Hoe kwam het dat hij daar gedurende meer dan twintig jaar niets van had geweten en ook niet had willen weten?' verzucht hij aan het einde van het verhaal. Zaal 6 is een verhaal van Tsjechov uit de bundel De dame met het hondje en het bijzondere aan het verhaal is dat, hoewel het in 1892 geschreven is, nog steeds actueel is.
Als je nieuw komt in een instelling vallen je allerlei dingen op die verbeterd kunnen worden. Maar na een tijdje wen je eraan en zie je het niet meer. Zo gaat dat hier nou eenmaal, iets anders is niet mogelijk. Totdat je je voorstelt dat je zelf of je familie of kinderen ergens cliënt of patiënt zijn, dan wordt het een ander verhaal. Voor iedere werker in de zorg is het van belang constant te blijven nadenken wat zijn handelen betekent voor de cliënt en of ze zelf op zo'n manier behandeld zouden willen worden. Hoe gewoon is slaan tijdens koranlessen, het naakt vastbinden van verstandelijk gehandicapte patiënten of pyamadagen voor bejaarden? Hoe normaal is normaal en wat kun jij eraan doen?

maandag 22 februari 2010

Wat is het nut van een cliëntenraad?


En hoe organiseer je een cliëntenraad waar je wat aan hebt?

Sinds begin 2007 ben ik voorzitter van de cliëntenraad van de Raad voor de Kinderbescherming in Amsterdam & Gooi en Vechtstreek. De huidige cliëntenraad bestaat uit 8 (ex) cliënten, zeven vrouwen en één man en komt 4 tot 5 keer per jaar bij elkaar.

Ondersteuning vanuit de organisatie
Een voorwaarde voor een goed functionerende cliëntenraad is ondersteuning vanuit de organisatie en een directe link naar de directeur. In Amsterdam wordt de cliëntenraad ondersteund door de beleidsadviseur.

Onderwerpen
In de cliëntenraad worden onderwerpen besproken die cliënten aangaan zoals de resultaten van het cliënttevredenheidsonderzoek, het klachtenreglement, de folders, diversiteit, het jaarplan, een raadsonderzoek. Cliënten kijken op een andere manier naar deze zaken dan hulpverleners en managers en kunnen daardoor een zinvolle bijdrage leveren aan de kwaliteit van de hulp. Zij hebben ervaren wat het is om hulp te krijgen en zien daardoor veel scherper welke aspecten van belang zijn voor cliënten.

Van informeren naar adviseren
Maar een goed functionerende cliëntenraad is er niet van de ene op de andere dag. Het betekent investeren zodat cliënten goed geïnformeerd zijn en weten hoe de organisatie in elkaar zit. Zo zijn o.a. een raadsonderzoeker, een juridisch medewerker, een gedragsdeskundige en een teamleider op de vergadering in Amsterdam geweest om over het werk te vertellen. Dit leverde veel informatie, vragen en discussie op waardoor de leden in staat zijn een gefundeerd advies te geven.

Advies van de cliëntenraad over bejegening
1 Het belang van het kind staat voorop
Niet de belangen van de ouders, maar die van het kind staan centraal. Daarom is het belangrijk om het kind te zien en ernaar te luisteren.
2 Respectvolle houding ten opzichte van de cliënt
Objectiviteit, serieus nemen, je bewust zijn van je vooroordelen, een open houding, je houden aan afspraken en goed luisteren zijn van belang.
3 Zorgvuldige communicatie
Goed formuleren, aangeven wie wat heeft gezegd, begrijpelijke taal gebruiken, rapport met cliënt doornemen, uitleggen wat er gaat gebeuren.

Met elkaar in gesprek blijven
Het blijft zoeken naar manieren om de stem van de cliëntenraad in de organisatie te laten horen en aspecten die cliënten belangrijk vinden onder de aandacht te brengen. Zo hadden we in januari een bijeenkomst tussen medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming en leden van de cliëntenraad. Het is zinvol om met elkaar in discussie te gaan, vragen te stellen en daarmee de kwaliteit van de hulp te verbeteren.