donderdag 26 juni 2014

Spoedhulp in transitie


Met de transitie van de jeugdzorg bestaat de mogelijkheid crisishulp anders te organiseren nu zowel de jeugdhulp als de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jongeren en de jeugdpsychiatrie op gemeentelijk niveau gefinancierd wordt. Op 23 juni was ik op de conferentie spoedhulp in transitie waar ik twee interessante workshops bijwoonde en ook nog een collega sprak die vertelde over een andere organisatie van crisisopvang.

Crisishulp in Friesland
De eerste workshop ging over SPOED4JEUGD. In Friesland hebben ze al enige ervaring opgedaan met spoedhulp met samenwerking tussen verschillende sectoren. In SPOED4JEUGD participeren vier organisaties: Bureau Jeugdzorg Friesland, Jeugdhulp Friesland, Reik zo ver je kunt (LVB jeugd) en Kinnik kind en jeugd GGZ. Met elkaar organiseren zij de crisishulp voor jeugd in Friesland.
De doelgroep van SPOED4JEUGD zijn kinderen en jongeren tot 18 jaar (ongeacht IQ) waar geen tweede lijnszorg ingezet is. Daarvoor hebben ze één telefoonnummer dat 24 x7 bereikbaar is. Elke melding wordt gezien als een spoedeisende melding zolang niet anders is vastgesteld. Ter ondersteuning hebben ze de beschikking over een handig logistiek instrument; een app voor smart Phone, iPad ,laptop, desktop. Verder werken ze sterk geprotocolleerd met checklists, beslisbomen, besluitvorming.
Het Principe is: als de bal wordt aangespeeld, neem je de bal aan, discussie of onenigheid vinden achter de schermen plaats waardoor de crisismelding niet gefrustreerd wordt.

Hoe pakken ze dat precies aan in Friesland?
1. Een jongere, ouder, huisarts, school, hulpverlener, belt het spoednummer.
2. Ze worden te woord gestaan door een medewerker van Bureau Jeugdzorg van het spoedteam die een interview afneemt aan de hand van een gestructureerde vragenlijst en de gegevens invoert in de app.
Het gaat om vragen zoals:
- Is er al een zorgaanbieder betrokken? (Als dat zo is wordt de cliënt daarheen verwezen)
- Hoe acuut is de situatie?
- Waar is het kind?
- Is er sprake van psychiatrische problematiek, speciale omstandigheden, laag IQ?
- Waarom nu?
- Ook maakt de interviewer een inschatting van de veiligheid.
3. De interviewer vertelt dat de cliënt dat ze eerst gaat overleggen met een collega en daarna z.s.m. terugbelt
4. De interviewer neemt contact op met een triagist, die de triage uitvoert. Triagisten zijn gz-psychologen, klinisch psychologen of psychiaters van één van de vier betrokken instellingen en hebben een 24uurs bereikbaarheid. Aan de hand van de gegevens in de app bekijkt de triagist veiligheid, suïcide gevaar, mishandeling/misbruik en neemt op basis van zijn deskundigheid een besluit aan welke zorgaanbieder de zorg wordt toegewezen.
De triagist beantwoordt twee vragen:
- Is het een crisis of kan het naar de reguliere zorg?
- Welke problematiek is voorliggend en dus welke zorgaanbieder krijgt de regie?
5. De interviewer belt terug de melder om terug te koppelen welke actie ondernomen wordt en maakt vaak ook praktische afspraken.
6. Na de terugkoppeling wordt een ambulant hulpverlener van GGZ, LVB of jeugdhulp ingezet die binnen een uur contact opneemt met het gezin. Als het niet veilig is of de hulp onvrijwillig, dan gaat altijd een medewerker van Bureau Jeugdzorg mee naar de beoordeling in het gezin.
7. Tenslotte wordt de melding afgesloten waarna de verzamelde informatie wordt verzonden naar de zorginstelling die er mee aan de slag is geweest tijdens de melding en mee verder gaat .

Een mooi systeem met als voordeel één voordeur, niet versnipperd en maximale samenwerking en om de triage zo goed mogelijk te laten verlopen en van elkaar te leren zijn er met regelmaat intervisiebijeenkomsten.

Evaluatie SPOED4JEUGD
De evaluatie van de eerste periode waarin SPOED4JEUGD actief is, is positief. Melders vinden een meldpunt een verbetering. Medewerkers vinden het leuk om aan te werken. In 40 % gaat een koppel naar het gezin voor beoordeling, omdat het om veiligheidskwesties gaat. Ook blijkt dat triagisten over het algemeen verwijzen naar de juiste hulpverlener en de kosten laag zijn. Dit wordt bij SPOED4JEUGD verklaard doordat het één pakket is: toegang - ambulant – residentieel.

Kritische succesfactoren
Als kritische succesfactoren benadrukten zij de samenwerking tussen de organisaties en direct een ambulant hulpverlener inzetten. Als de bal wordt aangespeeld, neem je de bal aan, discussie of onenigheid vinden achter de schermen plaats waardoor de crisismelding niet gefrustreerd wordt is het principe van SPOED4JEUGD.
Andere succesfactoren zijn: samen delen van dezelfde waarden en uitgangspunten om het proces goed in te richten en de uitvoering soepel te laten verlopen

Doorontwikkeling ambulante crisishulp/spoedhulp
De tweede workshop die ik bijwoonde ging over de door ontwikkeling van de ambulante spoedhulp en werd begeleid door Mariska van der Steege van Bureau van Montfoort.
Zij vertelde dat een richtlijn crisisplaatsing in ontwikkeling is. In de workshop kregen we twee definities gepresenteerd waarbij onderscheid gemaakt werd tussen spoed en crisis en verder werden we zelf aan het werk gezet om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de richtlijn.

Crisis of spoed
Crisis: levensbedreigende situatie of direct gevaar voor de jeugdige vereist direct ingrijpen (binnen 2 uur ter plaatse) en binnen 24 uur een vervolggesprek. Werkplaatsfunctie: Families First start binnen 24 uur
Spoed: ernstige verstoring draagkracht en draaglast, paniek, niet in staat adequaat te handelen, dreigend fysiek gevaar jeugdige, binnen 24 uur gesprek.
Zoeklichtfunctie. Ambulante spoedhulp start binnen 24 uur

Crisisopvang in de residentie
Op de studiedag sprak ik ook een collega van Kompaan/de Bocht in Tilburg. Zij hebben geen aparte crisisopvang maar werken met crisisbedden in de residentie, gecombineerd met ambulante hulp. De groep biedt alleen bed-bad-brood en de ambulant hulpverlener werkt met kind en gezin. Hij was enthousiast over de aanpak. Alleen afstemming met groepswerkers is een aandachtspunt.

Wat is interessant?
Organisatie
Het spoedteam SPOED4JEUGD bestaat uit Bureau jeugdzorg, jeugdhulp, LVB jeugd en GGZ jeugd. Iedere organisatie houdt de eigen verantwoordelijkheid, er wordt alleen gezamenlijk opgetrokken en taken verdeeld om de crisishulp snel en adequaat te organiseren. Als dat geregeld is wordt de melding afgesloten. Geen ingewikkelde organisatie dus.

Beoordeling in het gezin
Opvallend is dat slechts in 40 % BJZ meegaat naar het gezin gaat voor beoordeling, dus blijkbaar maar in 40% van de gevallen het om veiligheidskwesties gaat.
In Friesland gaat altijd een medewerker van de zorgaanbieder mee om te beoordelen welke hulp nodig is. Dat is vaak niet de hulpverlener die de hulp gaat uitvoeren. De vraag is of het niet mogelijk is in de triage al te beoordelen of bijv. ambulante spoedhulp of Families First de beste keuze is om in te zetten en dan de hulpverlener die de hulp ook gaat uitvoeren mee te nemen. De meerwaarde van de beoordeling van de zorgaanbieder is onduidelijk. Als je beoordeelt of iets crisis of spoed is kun je op basis daarvan kun je beslissen wie wanneer meegaat.

Adequate technische ondersteuning.
Het lijkt handig om te kijken of de app ook voor andere regio’s geschikt is en tegen welke kosten. Een bedrag van 1600 euro per maand wordt genoemd.

Gedisciplineerde uitvoering van afgesproken processen.
Wellicht zijn de checklists, beslisbomen, protocollen besluitvorming ook interessant voor andere regio’s en op te vragen bij SPOED4JEUGD

Crisisopvang in de residentie
Tenslotte vind ik de optie om crisisopvangbedden op reguliere groepen te creëren interessant, Geen doorstromingsproblemen, geen kinderen na 4 weken gedwongen verplaatsen. De hulp onafhankelijk van de locatie organiseren voorkomt een hoop geleur met kinderen. Want wie heeft ooit bedacht dat een crisis 4 weken duurt?

Crisishulp in transitie: samenwerken waar nodig, praktisch, op maat, effectief en snel de juiste hulpverlener bij het gezin die meteen kan starten, daar moeten we naartoe


dinsdag 10 juni 2014

Conferentie Jeugdzorg InZicht. Is de cliënt ook altijd in zicht?



Op 5 juni was ik aanwezig op de conferentie Jeugdzorg InZicht die georganiseerd werd door de Provincie Utrecht en Bureau Jeugdzorg Utrecht. Het was de laatste keer dat Jeugdzorg InZicht georganiseerd werd omdat per 1 januari 2015 de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg overgaat van Provincie naar gemeenten. Doel van de bijeenkomst was de vraag hoe de zorg voor de jeugd zo goed en zo efficiënt mogelijk kan worden geregeld. Ik was benieuwd in hoeverre de (toekomstige) cliënt daarin een rol speelt.

Regie bij gezin en het netwerk
De aftrap van de dag werd gegeven door staatssecretaris Van Rijn die de Provincie Utrecht complimenteerde met zijn aanpak van de transitie en het opzetten van de zogenaamde Save teams (SAmenwerken aan VEiligheid)(1). In deze teams werken jeugdreklassering, spoedeisende hulp, AMK, medewerkers van de Toegang en Jeugdbeschermingswerkers (BJU en WSG) en raadsonderzoekers samen in de wijk vanuit één interdisciplinair team. Zo kan één en dezelfde werker het ene gezicht vormen naar het betreffende gezin, ongeacht welke vorm van hulp het gezin nodig heeft en ongeacht er sprake is van een juridische maatregel of niet. Eén van de doelen is om meer regie bij het gezin en zijn netwerk te leggen en tegelijkertijd borgen van voorwaarden voor de veiligheid en resocialisatie van de kinderen. Dat past helemaal in de doelstelling van de transitie en bij de wensen van cliënten, maar het blijft natuurlijk afwachten of het in de praktijk ook daadwerkelijk zo uitpakt. Het is toch heel afhankelijk van de hulpverleners die het uitvoeren zo bleek bijvoorbeeld ’s middags in een workshop over privacy.

Hoe ver zijn gemeenten met de transitie?
Verder wees van Rijn op de transitiemonitor jeugd (2) waar je de verschillende gemeenten met elkaar kunt vergelijken. Met de monitor kan een gemeente de voortgang ten opzichte van het tijdspad van het transitieproces checken en resultaten spiegelen aan andere gemeenten. Ik ben natuurlijk onmiddellijk gaan kijken, maar de monitor is alleen beschikbaar voor gemeentelijke ambtenaren en niet voor burgers of toekomstige) cliënten. Terwijl juist cliënten ook graag willen weten hoe het ervoor staat in hun gemeente met de transitie van de jeugdhulp.

De jeugdhulp in 2015
Volgens van Rijn moet in augustus duidelijk zijn welke zorg in 2015 beschikbaar is. Hij hoopte op een rustige overgangsperiode, maar gaf ook aan dat het best lastig zal worden voor organisaties om nieuwe verbindingen aan te gaan, organisatie overstijgend te denken en samenwerking te zoeken teneinde goede zorg voor cliënten te realiseren. Vanuit het LOC ga ik regelmatig op pad met cliënten om gemeenten te adviseren cliënten te betrekken bij de transitie en transformatie zodat niet het organisatiebelang of kostenreductie, maar het belang van goede jeugdzorg centraal staat, want dat wil men wel eens uit het oog verliezen, zoals bijvoorbeeld bij de inkoop van jeugdhulp.

Hoe koopt de gemeente goede jeugdzorg in?
Zo nam ik deel aan een workshop over de inkoopstrategie. Je zou denken dat bij het inkopen van zorg en bij het beantwoorden van vragen zoals Hoe koop je kwalitatief goede jeugdzorg in? cliënten een rol spelen. Niets van dat alles. Wat we te zien kregen was een technisch plaatje en met een verhandeling waar in de cliënt geen enkele rol speelt. Natuurlijk zijn daar vragen over gesteld in de workshop, maar daar was weinig belangstelling voor.

Informatie aan de cliënt zelf vragen
Later op de dag nam ik deel aan een interessantere workshop die ging over privacy. Bij de start van de workshop werden we behoorlijk aan het schrikken gemaakt met wat voor gegevens over ieder te achterhalen is. Je leven staat online en dat kan tegen je gebruikt worden. Zie (3). Maar ook bleek dat hulpverleners verschillend denken over wanneer het wel of niet geoorloofd is gegevens op te vragen. Sommigen gingen nogal makkelijk voorbij aan het feit dat cliënten daarvoor toestemming moeten geven en dat het - ook bij cliënten met een maatregel- in verhouding moet zijn met het beoogde doel zoals heel duidelijk in de beleidsvisie van de Rijksoverheid Zorgvuldig en bewust Gegevensverwerking en Privacy in een gedecentraliseerd sociaal domein staat (4). Gelukkig was er ook een deskundige hulpverleenster die deelnam aan de workshop. Zij vertelde dat ze de informatie die ze nodig heeft aan de cliënt zelf vraagt. Op die manier houdt de cliënt de regie, dat wekt vertrouwen en biedt de mogelijkheid samen te werken aan de oplossing van problemen.

Door de jeugdzorg blijf je in je verleden hangen
De dag werd afgesloten met een lezing van Dr. Derk Loorbach over jeugdzorg in transitie. Loorbach is een deskundige op het gebied van transitie. Volgens hem duren transities tientallen jaren en gaan gepaard met schoksgewijze veranderingen en levert het altijd weerstand en chaos op. Geen rustige overgangsperiode, zoals staatssecretaris van Rijn hoopt. Voor echte transitie is radicaal denken nodig, helder moet zijn: waar willen we naar toe? In dat kader had hij met zwerfjongeren gesproken en van hen gehoord dat zij door de jeugdzorg alsmaar in het verleden blijven hangen. Je dossier sleep je achter je aan en iedere keer hoor je datzelfde overbekende ellendige verhaal. Dat is ook iets wat ik van andere cliënten met ervaring is de jeugdzorg hoor.

Radicaal denken
Als we dan eens radicaal denken in de transitie weten cliënten wel wat ze willen: meer regie, bepalen wat in het dossier komt en wanneer gegevens geschrapt kunnen worden. Heel radicaal is het eigenlijk niet, het is zelfs één van de doelen van de transitie: meer regie bij de cliënt. Maar gaat dat ook daadwerkelijk gebeuren? Ik ben niet gerustgesteld.


1 http://www.bjzutrecht.nl/wp-content/uploads/2014/01/Brochure-SAVE.pdf
2 https://www.transitiemonitorjeugd.nl/Login.aspx?ReturnUrl=%2f
3 https://www.youtube.com/watch?v=F7pYHN9iC9I
4 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2014/05/01/beleidsvisie-zorgvuldig-en-bewust-gegevensverwerking-en-privacy-in-een-gedecentraliseerd-sociaal-domein.html



zaterdag 31 mei 2014

Liefde met alle geweld


Meer vrouwen tussen vijftien en vierenveertig sterven of lopen blijvend letsels op door geweld dan door malaria, verkeersongelukken en oorlog samen.

Laatst kreeg ik de publicatie Liefde met alle geweld. Agressie tegen vrouwen in de huiselijke kring van Kris Smet toegezonden om te recenseren. Net als in Nederland ligt er in Belgie een taboe op het praten over huiselijk geweld. De auteur heeft slachtoffers van huiselijk geweld toch aan de praat gekregen en de verhalen over de gruwelijke gebeurtenissen en vaak tekortschietende hulp opgetekend. Daarnaast presenteert zij cijfers en feiten over kindermishandeling, incest, partnergeweld, geweld tijdens de zwangerschap en hulpverlening in België. Diverse deskundigen komen aan het woord: een kinderarts, agogisch begeleidster, Procureur des Konings, psychiater, jeugdrechter, directeur vluchthuizen, advocaat, hoofd steunpunt geweld op vrouwen, gerontologe enz. Allen zijn kritisch over het huidige beleid in België bij de aanpak van huiselijk geweld. Of zoals de Procureur des konings zo treffend zegt: We dweilen altijd met de kraan open en krijgen almaar betere dweilen en meer emmers. Er moet ook eens iemand aan dat kraantje draaien!

De verhalen over de hulp zijn soms gewoonweg schokkend zoals over een kind dat weer naar huis gestuurd wordt nadat de moeder bekend heeft dat zij inderdaad degene is die de brandwonden met een gloeiend hete vork heeft veroorzaakt omdat het meisje in bed plaste. Of over de vrouw die toegetakeld was door haar vriend en nadat de wonden gehecht waren terug op straat gezet werd met een smerige bebloede broek en T- shirt en op blote voeten. Onvoorstelbaar dat zoiets in Nederland zou gebeuren en trouwens ook dat het in België gebeurt.

maandag 12 mei 2014

Hoe staat het met de privacy van cliënten na de transitie van de jeugdhulp naar de gemeenten?



Op 10 april j.l. ging ik in gesprek met cliënten over de privacy van de jeugdhulp na de transitie. Cliënten in de jeugdzorg maken zich zorgen over hun privacy maken na overdracht van de gegevens van Provincie naar gemeenten.

Koppelen van gegevensbestanden
Gemeenten krijgen na de transitie de beschikking over veel meer gegevens en de mogelijkheid verschillende gegevensbestanden te koppelen en te zien van hoeveel voorzieningen een huishouden gebruik maakt.
Het gaat daarbij om de volgende soorten voorzieningen *:
- vervoer
- inkomen
- jeugdhulp ambulant
- begeleiding
- jeugd geestelijke gezondheidszorg
- jeugdbescherming en jeugdreclassering
- toeleiding
- ondersteuning licht verstandelijke beperking
- dagbesteding
- hulp bij huishouden
- verslavingszorg
- persoonlijke verzorging
Cliënten maken zich zorgen dat door de koppeling van gegevensbestanden zij als ‘probleemgeval’ worden gezien. Uit onderzoek in Zaandam bleek bijvoorbeeld een grote samenloop tussen de voorzieningen uitkering, bijzondere bijstand, voogdij en jeugdzorg. Handig voor de gemeente misschien om te weten, past helemaal in één gezin, één plan, maar dat is nou precies iets dat cliënten niet willen dat gemeenten zonder hun toestemming doen.

De toegang van gemeenteambtenaren tot de gegevens
Daarnaast maken cliënten maken zich zorgen over hoe de toegang tot deze enorme hoeveelheid privacygevoelige informatie geregeld is. De gemeente is dichterbij dan de Provincie en cliënten vinden het niet prettig als gemeenteambtenaren (= vaak buren, familie, vrienden, kennissen ) met één druk op de knop toegang krijgen tot al hun persoonlijke gegevens en hun ‘hele hebben en houwen’ op straat komt te liggen. Want wat is leuker dan even te kijken wat er in het dossier van de buurvrouw staat?

Wat wensen cliënten met betrekking tot de privacy?
Ouders en jongeren willen weten wanneer en welke gegevens worden overgedragen naar de gemeenten. Tot op heden heeft het aan informatievoorziening voor cliënten ontbroken. Cliënten hebben geen flauw idee wat hen te wachten staat na de transitie. Ook willen cliënten weten welke waarborgen voor bescherming van de privacy zij mogen verwachten. En tenslotte willen cliënten regie over het eigen dossier en zelf bepalen welke gegevens uitgewisseld mogen worden tussen professionals. Het is cliënten al jaren een doorn in het oog dat sommige gegevens hen blijven achtervolgen (bijv. een moeilijke echtscheiding van 10 jaar geleden, tepel-speenverwarring als baby in het dossier van een jongen van 16 jaar). En cliënten begrijpen dat bij veiligheidsrisico’s uitzonderingen mogelijk moeten zijn.

Wat zegt de overheid?
Staatsecretaris Teeven heeft aan de kamer toezeggingen gedaan betreffende privacybescherming door gemeenten. Vanuit de praktijk van de gemeenten zullen 5-8 modellen of scenario’s worden beschreven, die een doorsnede geven van hoe gemeenten met privacybescherming in de jeugdzorg om kunnen gaan. Het ministerie zal deze modellen aan een PIA (Privacy Impact Assessment) onderwerpen. Het is vervolgens aan de gemeenten om op basis van de modellen/ scenario’s een eigen privacy-beleid te ontwikkelen.

Deze toezegging heeft cliënten onvoldoende gerustgesteld.

Wie heeft informatie die cliënten wel kan geruststellen?


*Bron: Factlab het verhaal Gemeente Zaanstad

vrijdag 2 mei 2014

Elk kind is anders, een visie op pedagogische hulp



Interessante publicatie over pedagogische hulp bij problemen en stoornissen van jeugdigen waarbij hulp op maat centraal staat

Vorige week kreeg ik het boek, elk kind is anders, een visie op pedagogische hulp geschreven door Jacqueline Crucq-Lokhorst en Heleen Holm-Deuzeman van Biblion toegestuurd om te recenseren.
Het is een heldere en toegankelijke publicatie, geschreven op basis van 20 jaar ervaring in de eerste lijnspraktijk voor pedagogische en psychologische hulp aan jeugdigen.
De auteurs gaan uit van de visie dat je pas van een stoornis kunt spreken als de problemen niet op te lossen zijn door het optimaliseren van de omstandigheden. Hun ervaring is dat de kwaliteit van de relatie cruciaal is voor het slagen van de hulpverlening. Acceptatie, aandacht, empathie en veiligheid zijn van belang voor een sfeer van veiligheid en vertrouwen. Uitgangspunt is de hulpvraag van het kind en de ouders en het actief betrekken van kind en ouders bij het hulpverleningsproces. Ze zijn terughoudend met het stellen van diagnoses en inzet van protocollen vanuit het gezichtspunt dat ieder kind uniek is en hulp op maat nodig heeft.
Ze geven een helder beeld hoe dat er in de praktijk uitziet door hun aanpak bij gedragsproblemen, sociaal -emotionele problemen, angstproblemenen, psycho-somatische problemen en stoornissen te beschrijven geïllustreerd met casuïstiek.

De aanpak van de auteurs past in de visie van demedicaliseren, cliënt centraal en gebruik van de eigen kracht van cliënten is daarmee interessant voor medewerkers van jeugd- en gezinsteams die in het kader van de decentralisatie van de jeugdhulp worden opgezet.

dinsdag 8 april 2014

Uithuisplaatsing in het kader van de veiligheid. Voor wie? voor het kind of voor de hulpverlener?


Veiligheid is een leidend principe in de jeugdzorg. Kinderen waarbij de veiligheid in het geding is kunnen worden uit huis geplaatst. Maar de vraag is veilig voor wie? Voor het kind of voor de hulpverlener, want sinds de dood van meisje Savannah dat onder toezicht van jeugdzorg stond is de situatie veranderd. De gezinsvoogd is voor de rechter gedaagd en bij medewerkers van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming heerst de angst de volgende te zijn.

In welke situaties wordt een kind uit huis geplaatst?
Volgens Bureau jeugdzorg is dat bijvoorbeeld als:
- Het kind wordt thuis verwaarloosd
- Het kind wordt thuis mishandeld
- De vader of moeder is ziek en kan daardoor niet voor het kind zorgen
- Er is constant ruzie tussen ouder(s) en kind of ouders onderling
- Het kind is lastig en de ouders kunnen niet dit niet aan
en er niet snel verbetering in de situatie komt.

Risico-inventarisatie
Uithuisplaatsing van kinderen is een ingrijpende beslissing, die hulpverleners niet makkelijk nemen. Maar ook een lastige afweging want alle risico-inventarisatie-instrumenten ten spijt, het is geen objectieve wetenschap. In sommige gevallen zal het duidelijk zijn wat te doen en soms zijn er twijfels of het risico zo groot is dat uithuisplaatsing gerechtvaardigd is. Maar als het mis gaat wordt wel met de beschuldigende vinger naar jeugdzorg gewezen.

Casus
Twee kinderen worden met spoed uit huis geplaatst omdat de moeder dreigt met zelfmoord. Volgens de behandelaar van de GGZ is dat risico niet zo groot, maar jeugdzorg kiest er toch voor om de kinderen uit huis te plaatsen in het kader van de veiligheid. Of deze kinderen daadwerkelijk veiliger zijn als ze niet bij de moeder wonen is nog maar de vraag. De kinderen worden met hulp van de politie bij de moeder weggehaald - wat een enorm bedreigende situatie is - en komen vervolgens in een crisispleeggezin, waar ze ook niet kunnen blijven. Daarna gaan ze naar een ander pleeggezin en dan is het maar te hopen dat ze daar langer kunnen blijven en gewerkt kan worden aan verbetering van de situatie thuis.

Veiligheid
Hoe veilig is het voor kinderen om uit huis geplaatst te worden? Gaat het nou om de veiligheid van kinderen of om de veiligheid van hulpverleners om gevrijwaard te zijn van juridische procedures? Als we spreken over uithuisplaatsing in het kader van de veiligheid moeten we ons ook realiseren hoe onveilig uithuisplaatsing voor kinderen is. En dan heb ik het nog niet eens op het extra risico dat kinderen lopen op seksueel misbruik zoals het Samson rapport aantoonde. Waarom wordt er niet standaard gewerkt met Signs of Safety en eerst geprobeerd een veiligheidsplan met het gezin en het netwerk te maken? Waarom is dat geen eis voordat er toestemming wordt gegeven voor een gedwongen uithuisplaatsing? Dan kun je daadwerkelijk aantonen dat er sprake is van een weloverwogen beslissing in plaats van een paniekreactie op basis van onvolledige informatie.


dinsdag 25 maart 2014

Waarom cliënten betrekken bij de transformatie van de jeugdzorg en wat zijn succesfactoren?


Met de transitie en transformatie van de jeugdzorg willen we een verbetering van de zorg voor jeugd doorvoeren. Betere zorg, dichter bij huis, voor minder kosten met gebruik van de eigen kracht van jeugdigen en gezinnen. De cliënt centraal is het adagium. Toch wordt er vaak niet aan gedacht om cliënten te betrekken bij de vormgeving van het nieuwe stelsel. Waarom is dat eigenlijk belangrijk en hoe kunnen gemeenten dat het beste aanpakken?

Duurzame veranderingen komen alleen tot stand samen met de mensen om wie het gaat

Vanuit het LOC Zeggenschap in Zorg ga ik regelmatig op pad met cliënten om bestuurders en ambtenaren te informeren over het belang van cliëntenparticipatie en de visie van cliënten op goede zorg. En dan merk ik dat mensen aan het denken worden gezet.
Zo komt het echt heel dichtbij,’ zei een wethouder op bijeenkomst na het verhaal van een cliënt. ‘Ik ga cliënten in mijn gemeente ook eens om advies vragen.’
Want wie kun je beter betrekken bij de transformatie van de zorg dan ouders en jongeren zelf? Zij weten wat het is om in de jeugdzorg om gebruik te maken van de jeugdzorg en wat werkt en wat niet. Als we hulp op maat willen bieden zullen we toch moeten weten wat cliënten belangrijk vinden in de zorg?

Succesfactoren
Het betrekken van cliënten bij beleid wordt door gemeenten soms lastig en ingewikkeld gevonden. Het is misschien ook niet altijd eenvoudig, maar kan wel veel opleveren als je het perspectief van de cliënten meeneemt in de transformatie van de zorg.
Uit ervaringen bij verschillende gemeenten blijkt dat het een succesfactor is om doelgroepen apart te benaderen. Dus zeker niet de cliënten van de WMO en de jeugdhulp samen, want dat gaat over echt iets anders. En ook de verschillende cliëntgroepen apart benaderen. Cliënten uit de jeugdzorg, GGZ , LVB, ouders, pleegouders en jongeren hebben allemaal hun eigen verhaal. Om cliënten succesvol te laten participeren is het nodig dat verhaal te horen, echt te luisteren en het persoonlijke gesprek voeren in een informele/ kleinschalige setting. Van belang is om het gesprek goed voor te bereiden en beleid concreet te vertalen naar ervaringen op cliëntniveau en de ervaringen die je daar hoort ook weer te vertalen naar beleid. Je zult zien dat zo’n avond veel meer impact heeft dan het lezen van dikke onderzoeksrapporten.

‘Ik heb zeven gezinsvoogden gehad, daarvan heb ik er vijf nooit gezien, maar ze beslissen wel over mijn leven’
Dit zei een jongere op een bijeenkomst van de gemeente over de transformatie. Zo’n opmerking vergeet je niet. Alleen door goed naar cliënten te luisteren en het cliëntenperspectief serieus mee te nemen in de beleidsontwikkeling kunnen we daadwerkelijk de zorg vernieuwen en transformeren. Effectieve zorg is immers zorg die aansluit op de behoeften en wensen van cliënten.

Voor wie is het nu nog de vraag of we ouders en jongeren moeten betrekken bij de transformatie?

maandag 10 maart 2014

Geef hulpverleners de ruimte om buiten de lijntjes te kleuren



‘De organisatie moet hulpverleners de ruimte geven om buiten de lijntjes te kleuren.’ Dit zei een cliënt met wie ik vorige week sprak over de risicoregelreflex in de jeugdzorg, op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In november 2013 verscheen de publicatie ‘Risico-regelreflex in de jeugdzorg?’ Voor deze analyse zijn gesprekken gevoerd met deskundigen uit de jeugdzorg. Het ministerie vroeg zich af of cliënten de overreactie in de jeugdzorg ook herkennen en of ze ideeën hebben hoe kan dat kan worden tegengegaan. Daarom ging ik in gesprek met cliënten.

Regels en administratie
Cliënten herkennen de overreactie zeker. Omdat de hulpverlening veel tijd kwijt is aan administratie, blijft er te weinig tijd over voor ouders en voor de jongere. En ze vinden dat ook niet nuttig, want van alle papierwerk dat ze binnenkrijgen weten de cliënten het meeste al en een groot deel is achterhaald. ‘Het is echt vervelend om 7 jaar lang iedere keer weer dat scheidingsverhaal te moeten lezen terwijl dat alweer 10 jaar geleden is’, aldus een cliënt.
Je bent erg afhankelijk van de hulpverlener die je krijgt en de manier waarop de hulpverlener zijn werk invult, vertellen de cliënten. Het liefst willen cliënten af van al die regels. De regels zijn bedacht voor de veiligheid, maar zorgen er uiteindelijk voor dat er minder aandacht is voor de cliënt. En dat het daardoor minder veilig is.

Positieve uitzonderingen
Er zijn ook positieve uitzonderingen. Een cliënt gaf het voorbeeld van een hulpverleenster die niet negen maanden wachtte totdat haar zoon aan de beurt was voor een persoonlijkheidsonderzoek, maar op zoek ging naar een extern bureau die dat ook kon doen. Hierdoor kreeg haar zoon sneller de juiste behandeling. Een andere cliënt vertelde dat haar gezinsvoogd wél de hele middag met haar en haar zoons uittrok om te bespreken hoe het ging. Het kan dus wel.

Professionele ruimte
Het is belangrijk om hulpverleners de ruimte te geven het werk in te vullen op hun eigen manier, zodat ze samen met cliënten op zoek kunnen gaan naar de beste oplossing voor dit kind en dit gezin. ‘Hulpverleners moeten niet te veel in het gareel lopen’, zei een cliënt. De overheid is al lang bezig met het verminderen van de regeldruk in de jeugdzorg. Maar de cliënten hebben er nog niets van gemerkt. Kent u goede voorbeelden van organisaties die medewerkers de ruimte geven om samen met cliënten te zoeken naar oplossingen? Of die de benodigde administratie tot een minimum hebben beperkt?

dinsdag 18 februari 2014

Cliënten serieus nemen, gedeelde besluitvorming in de jeugdzorg


Momenteel worden richtlijnen voor de jeugdzorg ontwikkeld. De eerste gepubliceerde en geautoriseerde richtlijn, die over ernstige gedragsproblemen is te vinden op de website van het programma www.richtlijnenjeugdzorg.nl. Andere richtlijnen zoals voor uithuisplaatsing, stemmingsproblemen, problematische gehechtheid, KOPP, crisisplaatsing en ADHD zijn in concept en nog 7 andere richtlijnen zijn in ontwikkeling. Daar wordt de komende twee jaar aan gewerkt.
Maar zitten we eigenlijk wel te wachten op richtlijnen voor de jeugdzorg? Clienten zijn niet standaard en hebben behoefte aan hulp op maat, afgestemd op hun specifieke situatie. Clienten willen betrokken worden bij besluitvorming over de hulp. Hoe beter aangesloten wordt op de wensen van clienten, hoe meer ze zich zullen inzetten en hoe effectiever de hulp. Dus was goed om te horen dat in iedere richtlijn telkens een paragraaf zal staan over gedeelde besluitvorming, als manier waarop je met je cliënten met richtlijnen (en de kennis die er in vervat is) omspringt. In de richtlijn ernstige gedragsproblemen kun je lezen wat die gedeelde besluitvorming is. Uitgebreid en duidelijk wordt beschreven hoe dat eruit ziet en ook in het gedwongen kader is de professional niet ontslagen van het uitnodigen van ouders en jeugdigen tot samenwerking en gedurende het hele proces betrekken bij de besluitvorming.
In de cliëntversie wordt de richtlijn nog aangevuld met de 3 vragen die clienten altijd aan de hulpverlener moeten stellen om de keuzes en de bijbehorende voor en nadelen goed scherp te krijgen (zie plaatje boven deze blog). Gewerkt wordt nog aan een pakkende Nederlandse vertaling.
Als gedeelde besluitvorming serieus wordt genomen door hulpverleners en clienten hun keuzes goed afwegen met behulp van deze drie vragen kunnen deze richtlijnen een positieve bijdrage leveren aan effectieve vraaggerichte hulp.

dinsdag 4 februari 2014

Kinderen, mij een zorg. De kansen in de transitie en transformatie van de jeugdzorg.


Via een collega kreeg ik het boekje Kinderen, mij een zorg. Betekenis en grenzen van de pedagogische civil society van Anke van Dijke en Linda Terpstra. Aanleiding voor deze publicatie is de transitie en transformatie van de jeugdzorg. De pedagogische civil society is een belangrijk concept in de transitie. De civil society gaat er vanuit dat problemen het best kunnen worden opgelost in de directe omgeving van het gezin, het netwerk, in de buurt. Maar waar liggen de grenzen van de civil society?

Kwetsbare en beschadigde kinderen
In deze publicatie wordt de transitie van de jeugdzorg bekeken vanuit het gezichtspunt van de meest kwetsbare en beschadigde kinderen in Nederland. Kinderen die gezond ter wereld kwamen maar desondanks in de problemen zijn gekomen omdat ze in een gezin terecht kwamen dat beschadigend was. Ouders die kinderen niet konden bieden wat ze nodig hadden en professionals die hier vaak ook niet toe in staat waren.

Kindermishandeling
Ingegaan wordt op kindermishandeling als een maatschappelijk probleem dat onvoldoende onderkend wordt. Kindermishandeling als the hidden epidemic omdat het zo vaak voorkomt, zo weinig wordt opgemerkt en zulke grote gevolgen heeft als kinderen eenmaal volwassen zijn. Er is weinig aandacht voor schokkende en potentieel traumatische gebeurtenissen in de (jeugd) zorg, trauma's worden vaak niet herkend. Beschreven wordt hoe het komt dat we kindermishandeling zo massaal missen.

Matched care
De civil society kan zeker een rol spelen in de opvoeding maar uitdaging voor gemeenten is een verbinding met de gespecialiseerde zorg te leggen. Gepleit wordt voor matched care: een goede match tussen de ernst en zwaarte van de problematiek en de specifieke competenties van de professional i.t.t. stepped care steeds zwaardere zorg bij onvoldoende resultaat. Met preventie is niet alles op te lossen en te lang aanmodderen met te lichte zorg kan desastreuze gevolgen hebben.

Development trauma disorder
Veel kinderen in jeugdzorgplusvoorzieningen, de klinieken voor kinder- en jeugdpsychiatrie, de verslavingsklinieken en de justitiele jeugdinrichtingen hebben een achtergrond van traumatische ervaringen: mishandeling, misbruik, verwaarlozing en huiselijk geweld. Zij kampen met een development trauma disorder. Het zijn jongeren waar niemand iets mee kan. De auteurs pleiten voor een zorgprogramma waar de kennis en kunde van de gespecialiseerde jeugdzorg en de kinder- en jeugdpsychiatrie volledig geintegreerd is.

Een interessante publicatie die ingaat op het concept van de civil society, maar ook de grenzen daarvan onder het voetlicht brengt en eindelijk nu eens aandacht besteedt aan het feit dat veel kinderen met zware trauma's in de jeugdzorg zitten en onvoldoende behandeld worden en dat met de decentralisatie van de jeugdzorg en de jeugdGGZ de mogelijkheid bestaat de kennis en kunde met elkaar te verbinden en de gespecialiseerde zorg te verbeteren. Niet alleen transitie van de zorg voor jeugd, maar een daadwerkelijke transformatie, verbetering van de zorg voor jeugd, daar gaat het om.

maandag 20 januari 2014

Risicoregelreflex en de transitie van de jeugdzorg


Incidenten in de jeugdzorg leiden regelmatig tot veel ophef in de media. Voorbeelden hiervan zijn de dood van het meisje Savanna en de vermoordde broertjes Ruben en Julian. De roep om extra maatregelen en bescherming van kinderen is extra groot na dit soort incidenten. Evenals het risico te haastig te reageren met te verstrekkende maatregelen.

Met de risicoregelreflex wordt bedoeld de bestuurlijke valkuil van overreactie op risico's en incidenten in de jeugdzorg. Bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken loopt het programma Risico's en verantwoordelijkheden. In dit kader is een analyse* gemaakt over de omgang met dergelijke incidenten. Geinterviewde managers en bestuurders zijn van mening dat de nieuwe maatregelen waarvan de effectiviteit niet bewezen is, ten koste gaan van de uitvoeringscapaciteit, zodat uiteindelijk minder kinderen beschermd worden. Niet best dus. Het gaat om zowel maatregelen opgelegd door de overheid als door de sector zelf. Dit wordt nog versterkt door de angst van medewerkers te worden vervolgd nadat de gezinsvoogd van Savanna voor de rechter is gedaagd. Medewerkers in de jeugdzorg besteden nu meer tijd aan zich verantwoorden dan voorheen, wat ten koste gaat van de tijd die ze met een gezin kunnen doorbrengen.

Met de transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten bestaat de kans van meer risicoregelreflex. Immers de incidenten vinden dichter bij huis plaats en bestuurders zullen worden aangesproken op het nemen van maatregelen, maar er is ook kans om hier verstandiger mee om te gaan. Daarbij moet je denken aan het organiseren van 'professionele ruimte' voor medewerkers om hun werk zo goed mogelijk te doen en die acties te ondernemen die zij op basis van hun kennis en vaardigheden (vakmanschap) nodig achten. Daarnaast is het ook van belang dat gemeentenraden kennis opdoen van de jeugdzorg, weten wat er in omgaat om ook de redelijkheid van maatregelen te kunnen inschatten. De transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten biedt ook de mogelijkheid om met clienten in gesprek te gaan en te horen wat zij merken van al die maatregelen en hoe zij denken dat het beter kan. Van belang is bewust te zijn van de risicoregelreflex, met slachtoffers en betrokkenen te kunnen meeleven zonder disproportionele maatregelen te nemen.

Risicoregelreflex, niet alleen een prachtig woord voor Wordfeud of Scrabble, maar ook een aandachtspunt voor gemeenten bij transitie van de jeugdzorg

*http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/11/12/risico-regelreflex-in-de-jeugdzorg.html

dinsdag 7 januari 2014

De ideale hulpverlener in de jeugdzorg



Het jaar is weer begonnen en iedereen is deze week weer aan de slag gegaan, ook de medewerkers in de jeugdzorg. Waar veel dienstverleners zoals bijvoorbeeld kappers of fysiotherapeuten regelmatig te maken hebben met dankbare klanten die ook nog eens reclame maken, is dat voor medewerkers in de je jeugdzorg niet het geval. Dat het door jeugdzorg beter gaat in de omgang met de kinderen gaat niemand aan en helemaal als jeugdzorg in een gedwongen kader geboden wordt, is de motivatie waarmee aan de hulp meegewerkt wordt vaak gering en de aanpak niet iets waarover je op feestjes met enthousiasme vertelt.

Al met al geen geringe opdracht waar de jeugdzorgmedewerkers voor staan om hulp te bieden in een gezin dat zich schaamt een beroep te moeten doen op hulp of er helemaal geen zin in heeft. Dat terwijl van jeugdzorgwerkers verwacht wordt dat ze hulp bieden die aan sluit bij de vraag van de cliënt en ook nog eens effectief is. Gelukkig zijn dat twee kanten van dezelfde medaille. De effectiviteit van de hulp is voor het grootste deel afhankelijk van de kwaliteit van de relatie tussen hulpverlener en cliënt.
Belangrijk is dus om te weten waar volgens cliënten een ideale hulpverlener aan moet voldoen. Het jeugdwelzijnsberaad heeft met jongeren op een rijtje gezet wat zij belangrijke aspecten vinden van een ideale hulpverlener.

Respectvol
Betrokken
Eerlijk
Voorbereid op het werk
Levenservaring
25 - 45 jaar
Op tijd
Serieus
Aardig
Positief
Motiverend
Enthousiast
Goed kunnen luisteren
Kijkt om dossier heen
Ziet en benoemt kwaliteiten
Complimenteus
Laat me in mijn waarde
Ziet iedereen als individu
Maakt ruimte voor uitzonderingen
Geen negen-tot- vijf mentaliteit
Heeft voorbeeldfunctie
Doet wat ie zegt
Durft in te grijpen bij agressie
Goed geschoold
Ervaringsdeskundige
Neemt initiatief
Mentaal sterk
Kindvriendelijk
Checkt of je goed geplaatst bent
Staat stevig in de schoenen
Rustig

Een hele waslijst, maar zeker realistische wensen die iedere hulpverlener in 2014 zouden moeten inspireren om zich te ontwikkelen richting de ideale hulpverlener, die ook nog eens effectieve hulp biedt.


Poster mijn ideale hulpverlener
http://www.jeugdwelzijnsberaad.nl/jongeren-maken-poster-ideale-hulpverlener/
Cartoon empathie
https://wvg.vlaanderen.be/jeugdhulp/14_west-vlaanderen/databank_participatie/verlies_de_draad_niet/archief.html

dinsdag 17 december 2013

Prostitutie een vrije keuze?


Kort geleden kreeg ik van Biblion de publicatie Moskou aan de Amstel toegestuurd om te recenseren.
In deze publicatie beschrijft Metje Blaak, bekend als persvoorlichter voor de belangenorganisatie voor sekswerkers De Rode Draad, over haar leven als prostituee en haar ervaringen nadat ze gestopt is. Ze vertelt hoe moeilijk het was om daarna een eigen zaak op te bouwen, over het stigma, en over haar ervaringen als voorlichtster van de Rode Draad. Ze heeft geen goed woord over voor het prostitutiebeleid, of het nu over registratieplicht, verhoging minimumleeftijd of sluiting van de Theemsweg gaat. Gemeentes er hebben volgens haar totaal geen verstand van, ze ontnemen vrouwen hun werkplek en zorgen ervoor dat het ondergronds, uit het zicht verder gaat. Metje beschrijft de prostitutie als een prima beroep en hoewel ze de samenhang met vrouwenhandel en drugscriminaliteit niet ontkent, vindt ze de gekozen aanpak zinloos. Ook vertelt ze over Patricia Perquin, die een tijdlang in de rol van ex-prostituee als adviseur voor de gemeente Amsterdam, maar een bedriegster bleek. Ze eindigt met aanbevelingen hoe het wel zou moeten, zodat prostituees hun werk goed kunnen uitvoeren.

Of er veel vrouwen uit eigen vrije wil hun lichaam verkopen is de vraag. In de Volkskrant van 4 december jl. schrijft Robin (artiestennaam) ex-prostituee met 5 jaar ervaring in het werk, dat ze in de wisselende kring van 10 collega's nooit meer dan één of twee 'happy hookers' heeft ontmoet en dat de overige vrouwen werden uitgebuit, een drugsverslaving financierden, partners uit schulden moesten halen, hun gezin in het land van herkomst financieel ondersteunen of een ernstige psychiatrische aandoening hadden, vaak veroorzaakt door seksueel misbruik in de jeugd.

De vraag is hoe vrij de vrije keus van deze vrouwen is om voor de prostitutie te kiezen.

Blijft dat Metje een punt heeft en dat al die maatregelen er niet toegeleid hebben dat de vrouwenhandel stopt. Meer regelgeving blijkt niet te werken. Het is zaak het over een andere boeg te gooien en te kijken hoe je ervoor kunt zorgen dat vrouwen die voor dit beroep 'kiezen' geen slachtoffers van vrouwenhandel zijn of op een andere uitgebuit worden, dat ze het geld dat ze er mee verdienen zelf mogen houden en ondersteund worden om te stoppen als ze dat willen. Misschien is het de moeite waard de mogelijkheden te onderzoeken om een cooperatie van prostituees het zelf te laten regelen. Om prostituees zelf eens te vragen met een plan te komen dat de 'vrije' keuze van henzelf en de andere vrouwen te garandeert.

dinsdag 3 december 2013

De kracht van spreken na seksueel misbruik


In 1982 verscheen De straf op zwijgen is levenslang. Een boek met ervaringsverhalen over seksueel misbruik in het gezin. Het was het eerste boek over dit onderwerp in Nederland en werd uitgegeven door de VSK, de Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling binnen het gezin. Voor die tijd waren er nauwelijks publicaties hierover te vinden, alsof het voor die tijd niet bestond. Het boek maakte veel los en heeft de aandacht voor seksuele kindermishandeling op de kaart gezet.
Inmiddels zijn we jaren verder en is het boek niet meer verkrijgbaar. Dat heeft de VSK er toe doen besluiten het boek opnieuw uit te geven onder de titel De kracht van spreken en de negentien oorspronkelijke levensverhalen over seksuele kindermishandeling uit te breiden met elf verhalen van slachtoffers uit groepen die eerder niet bereikt werden. Ook zijn er stukjes toegevoegd aan de verhalen hoe het met de slachtoffers - die tegelijkertijd ook overlevers zijn - nu gaat. Het zijn dertig aangrijpende levensverhalen die je stuk voor stuk diep raken en wat je eigenlijk niet wil lezen. Waarom is het belangrijk dat hulpverleners dit boek wel lezen? Omdat - zoals je ook kunt lezen in het boek - kinderen die serieus genomen werden, geholpen, hulpverleners die niet wegkijken, cruciaal blijken te zijn in de levens van deze slachtoffers. Hulpverleners die niet bang zijn om de afschuwelijke werkelijkheid onder ogen te komen en actie ondernemen, maken het verschil. Om te kunnen overleven moeten slachtoffers kunnen praten over wat ze hebben meegemaakt, met ervaringsdeskundigen en ook met hulpverleners. Want zoals Shakespeare dat lang geleden al treffend wist te verwoorden:
Het leed dat niet spreekt knaagt aan het hart tot het breekt.

maandag 18 november 2013

Beleid en cultuur rondom seksueel misbruik in de jeugdzorg


Uit onderzoek van de commissie Samson naar seksueel misbruik in de jeugdzorg in 2010 blijkt dat jongeren in residentiële jeugdzorginstellingen 2 keer zo vaak slachtoffer worden van seksueel misbruik dan andere Nederlandse kinderen. Plegers zijn in de helft van de gevallen minderjarige groepsgenoten, waaronder ook een aanzienlijke groep meisjes. In 30% van de gevallen gaat het om een medewerker en bij 20% ging het om een pleger buiten de instelling. Meisjes worden 2 keer zo vaak slachtoffer als jongens. Hulpverleners signaleren maar 2% van het seksueel misbruik. Veel te weinig dus.

De jeugdzorg is geschrokken van de resultaten van dit onderzoek. Op 26 september organiseerden we vanuit het bestuurlijk overleg van de jeugdzorginstellingen in Rotterdam een bijeenkomst voor bestuurders, gedragswetenschappers en managers van de jeugdzorginstellingen en ambtenaren van de Stadsregio Rotterdam om kennis op te doen en van gedachten te wisselen hoe seksueel misbruik in de jeugdzorg te voorkomen. Ongeveer 60 deelnemers vanuit TriviumLindenhof, Stek Jeugdhulp, Bureau Jeugdzorg, FlexusJeugdplein, Stichting Prokino, Horizon, Timon en de William Schrikker Groep, de Stadsregio Rotterdam en de commissie Rouvoet waren aanwezig.

Seksueel misbruik, we willen het niet maar het is er wel
De inleiding van de dag werd gehouden door bestuurders van respectievelijk Bureau Jeugdzorg Rotterdam en Stek Jeugdzorg die ingingen op het Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg en de creativiteit die nodig is om te komen tot oplossingen om seksueel misbruik te voorkomen.

Seksueel misbruik en de onzichtbaarheidsmantel
Daarna was er een lezing door Carla Rus, psychiater, psychotherapeut/traumatoloog gespecialiseerd in traumatologie waaronder seksueel misbruik. Carla nam ons mee naar het huis waar het kind opgroeit. Want bij seksueel misbruik binnen de jeugdzorg gaat het meestal om recidive waarbij het eerste misbruik thuis plaatsvindt. Daar ontwikkelt het kind dissociatie - de onzichtbaarheidsmantel- als bescherming, waarmee emoties, cognities of gedrag worden verborgen voor het bewustzijn. Mede daar door signaleert de jeugdzorg weinig seksuele kindermishandeling - zo blijkt ook uit het Samson rapport - en is er sprake van ernstige onderdiagnostiek. Dat komt omdat kinderen niet makkelijk over seksueel misbruik praten, maar ook dat het verhaal van het kind vaak niet serieus wordt genomen. Zij pleit voor jeugdzorgwerkers die kunnen en durven praten met kinderen en op niet-suggestiever wijze durven doorvragen, waarbij ze niet alleen letten op wat wordt verteld, maar ook signalen van misbruik beter leren herkennen. Goed gevalideerde risicotaxatie van seksueel misbruik is nodig. En naast diagnostiek van kinderen is ook diagnostiek van ouders nodig, want bij ouders die hun kinderen misbruiken moet je op je qui vive zijn.
Een andere oorzaak van slechte diagnostiek is de angst van de hulpverlener om het verschrikkelijke verhaal van het kind aan te horen en te verwerken waardoor zij liever wegkijken. De hulpverlener zal deze angst moeten overwinnen en als het zijn eigen leven beïnvloedt er over praten met een vertrouwenspersoon om zo secundaire traumatisering te voorkomen. De cliënt heeft er recht op dat de hulpverlener zijn angst overwint.
Carla adviseerde om bij de Toegang en aan de telefoon bij het AMK de meest competente en ervaren medewerkers neer te zetten, waardoor kinderen direct geholpen worden of sneller doorverwezen naar de juiste plek. Ook wees zij op het belang om consult- en adviesaanvragen bij het AMK op naam van het kind te laten registreren. Nu gebeurt dat alleen bij meldingen waardoor er al tal van signalen kunnen zijn binnengekomen voordat iemand actie onderneemt.
Verder is bij de jeugdzorg waarheidsvinding verboden, waardoor jeugdzorgwerkers niet uitzoeken wat er precies is gebeurd. Maar de jeugdzorgwerkers doen misschien niet aan strafrechtelijke waarheidsvinding, diagnostische is waarheidsvinding is wel belangrijk!
Tenslotte ging Carla in op seksueel misbruikte kinderen in een leefgroep. Iets wat complexe groepsdynamica oplevert, omdat bij deze kinderen 'sexual awareness' ontbreekt, d.w.z.de antennes aan de persoonsgrenzen, waarmee je aftast hoever de ander seksueel met je wil gaan, zijn bij deze jongeren beschadigd en daardoor gaat het eerder mis. Ook groepswerkers moeten weten hoe ze met seksualiserend gedrag van jongeren om moeten gaan. Open met elkaar spreken over gezonde en ongezonde seksualiteit zowel tussen jeugdzorgwerkers als ook met jongeren zelf is belangrijk. En zeer omzichtig omgaan met afstand en nabijheid is bij deze onveilig gehechte kinderen nodig, naast twee mentoren voor iedere jeugdige die regelmatig overleggen (waar de jeugdige van op de hoogte is) en een veiligheidsplan voor de leefgroep waarbij rekening wordt gehouden met specifieke triggers die getraumatiseerde kinderen kunnen ontregelen.
De lezing van Carla Rus sprak de deelnemers zeer aan omdat ze in een half uur de voor de jeugdzorg belangrijkste thema's aanstipte. De lezing van Carla is ook te bekijken via You Tube http://www.youtube.com/watch?v=cTH4dEiGYDc.

Het leed dat niet spreekt knaagt aan het hart tot het breekt
Daarna ging Janny van Heerbeek , gedragswetenschapper en voorzitter VSK (Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling, die vorig is jaar opgeheven) in gesprek met ervaringsdeskundigen Wil 59, Trineke 38 en Astrid 49 jaar. Alle drie waren jarenlang door hun vader misbruikt en één van hen had zelfs een kind gekregen. Om zo direct te horen wat deze vrouwen meegemaakt hadden en hoe ze het overleefd hadden, maakte heel veel indruk. Tenslotte waren ze alledrie met jeugdzorg in contact gekomen en positief was om te horen dat ze eindelijk geloofd werden, dat er geluisterd werd en dat ze goed geholpen zijn. Het gaat nu goed, ze hadden alle drie een gezin, kinderen en werk en hoewel het echt niet altijd makkelijk was, waren ze nu zo ver dat ze hun kennis en ervaring wilden inzetten om er voor te zorgen dat slachtoffers van seksuele kindermishandeling goed geholpen worden.

Daarna waren er vijf workshops georganiseerd:
Hoe besteden we aandacht aan seksueel misbruik in sollicitatie en functioneringsgesprekken?
In deze workshop werd aan de hand van een ‘live’ voorbeeld besproken hoe het omgaan met seksualiteit en seksueel misbruik aangekaart kan worden in een sollicitatiegesprek /functioneringsgesprek.
Begeleiding : Bert Vosselman, opleidingsfunctionaris TriviumLindenhof

Hoe zorgen we voor een sfeer in groepen en pleeggezinnen waar seksualiteit en seksueel misbruik bespreekbaar is?
In deze workshop werd het Vlaggensysteem geïntroduceerd als methodiek die ingezet kan worden voor het bespreekbaar maken van de seksuele ontwikkeling en grensoverschrijdend gedrag met (pleeg)kinderen, met (pleeg) ouders, in de leefgroep en in het team. Begeleiding: Anoushka Boet, adviseur/projectleider Movisie

Welke adviezen van ervaringsdeskundigen kunnen we gebruiken bij het voorkomen van seksueel misbruik van kinderen in onze organisatie?
In deze workshop werden de resultaten besproken van het onderzoek naar adviezen van kinderen en jongeren om seksueel misbruik te voorkomen. Samen met ervaringsdeskundigen is bekeken hoe we deze adviezen kunnen gebruiken.
Begeleiding: Janny van Heerbeek, gedragswetenschapper Stek Jeugdhulp

Wat kunnen we kinderen die seksueel misbruikt zijn bieden in onze behandeling en begeleiding?
In deze workshop gingen we in op trauma-informed werken met kinderen in de jeugdzorg. Trauma hoeft niet altijd de focus van de behandeling te zijn, trauma-informed – waarbij het trauma wel onderkend en erkend wordt, maar geen focus van de behandeling is – lijkt soms zinvoller.
Begeleiding: Henriette Frans, gedragswetenschapper TriviumLindenhof

Hoe zorgen we voor competente medewerkers, medewerkers met kennis en vaardigheden in het omgaan met seksualiteit en seksueel misbruik?
In deze workshop bespraken we op creatieve wijze op welke manier de organisatie zorg kan dragen voor systematische aandacht aan de ontwikkeling van kennis en vaardigheden in het omgaan met seksualiteit en seksueel misbruik.
Begeleiding : Karin Kleine, HAKA Nederland

Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik
De bijeenkomst werd afgesloten met een paneldiscussie, waar we in gesprek gingen met René Meuwissen (bestuurder BJZ SRR), Wim Spierings (bestuurder FlexusJeugdplein), Josje Bootsma (bestuurder TriviumLindenhof) en Peter Levekamp (secretaris Cie Rouvoet) over de manier waarop zij het kwaliteitskader gaan vormgeven. Resultaat was dat afgesproken is om volgend jaar opnieuw een middag over beleid en cultuur rondom seksueel misbruik organiseren, gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen en gezamenlijk medewerkers te trainen.

Een succesvolle middag, waar duidelijk werd dat een open cultuur waar seksualiteit en seksueel misbruik bespreekbaar is - naast beleid en protocollen - belangrijk is bij het voorkomen van seksueel misbruik in de jeugdzorg.



maandag 4 november 2013

De inzet van vrijwilligers rond jeugd en gezin


Op 10 oktober was ik op de bijeenkomst ‘Professionele kracht, vrijwillige kracht, eigen kracht; samen voor jeugd'. Doel van de bijeenkomst was 'inspiratie opdoen en kennis nemen van goede voorbeelden van samenwerking tussen professionele en vrijwillige inzet voor jeugd en gezin en reflecteren op een toekomst waarin burgerkracht meer dan ooit centraal staat'.
Een actueel onderwerp, en er was veel belangstelling: in totaal hebben aan de 6 bijeenkomsten die verspreid over het land plaatsvonden, 600 mensen deelgenomen.


Professionals en vrijwilligers werken samen rond jeugd en gezin
De inleiding werd gehouden door Marjan van der Klein, senior-onderzoeker bij het Verwey Jonker instituut. Zij vertelde dat de beste raadgever voor instellingen die vrijwilligers willen inzetten, is om te bedenken hoe je zelf als vrijwilliger zou willen worden ingezet/ benaderd. Er zijn in Nederland 4 tot 5 miljoen vrijwilligers, waarvan 1 tot 2 miljoen in de sector jeugd en gezin , die gemiddeld zo'n 4 uur per week hier aan besteden. Niet mis dus. Het gaat daarbij zowel om incidenteel vrijwilligers werk als om langdurige projecten, met name maatjesprojecten zijn populair. Bij veel initiatieven werken professionals en vrijwilligers samen. Uit onderzoek blijkt dat de rol van de professional belangrijk is, bijvoorbeeld voor het maken van een goed match, stellen van voorwaarden, enthousiasmeren. Vervolgens kwam ze met tal van tips om de inzet van vrijwilligers tot een succes te maken
Haar tips:
Bij interne samenwerking
Tip 1 waardeer vrijwilligers in woord en daad
Tip 2 denk tevoren na over match en selectie
Tip 3 onderschat vrijwilligers ouders en buurtbewoners niet
Tip 4 zet alleen deskundigheidsbevordering in als het echt nodig is

Bij ketensamenwerking
Tip 1 Zorg voor zicht op de informele partners in uw werkgebied
Tip 2 Bepaal een gezamenlijk doel en voorkom concurrentie
Tip 3 Betoon culturele sensitiviteit in de samenwerking met andere organisaties
Tip 4 Houd korte lijnen en duidelijke contactpersonen
Tip 5 Maak duidelijke afspraken over de omgang met vrijwilligers (van andere organisaties).
Tip 6 Maak als professional terugkoppeling naar vrijwilligers en buurtbewoners

Tips voor de jeugdzorg
Tip 1 Heb aandacht voor informele initiatieven rond opgroeien en opvoeden, van ouders maar ook van buurtbewoners, studenten, vrijwilligers, sportverenigingen en dergelijke
Tip 2 Maak meer contact met vrijwilligersorganisaties
Tip 3 Bespreek met de gemeente de concrete invulling van uw opdracht om de pedagogische civil society te versterken
Tip 4 Maak werk van preventie en dus van contact met gewone ouders en kinderen
Tip 5 Stimuleer eigen kracht en eigen netwerk van cliënten
Tip 6 Maak gebruik van know how vrijwilligerscoördinatoren en welzijnswerkers

Het Jeugd Preventie team
Vervolgens nam ik deel aan een workshop van de stichting Mooi in Den Haag over Jongeren Preventie team*. Het Jongeren Preventie Team is opgezet met de doelgroep. De inhoud is aan verandering onderhevig en komt tot stand op basis van de gedachtewisseling tussen ouders, jongeren/deelnemers en vrijwilligers. De basis van het Jongeren Preventie team was een kamp dat jaarlijks georganiseerd werd en een succes was. Dit kamp werd gefinancierd door een fonds, maar op een bepaald moment stopte dat en moesten ze zelf het geld bij elkaar verdienen. Dit wordt nu gedaan door taken uit te voeren die en meerwaarde opleveren voor de wijk. Commerciële organisaties wilden graag mee betalen voor zaken als het opruimen van een parkeerplaats, boodschappen doen e.d. Het heeft een positieve invloed op de sfeer in de wijk omdat wijkbewoners zien dat jongeren positieve dingen doen. 30 jongeren, 12 vrijwilligers en een (betaalde) coördinator werken samen in dit project, onderhandelen met instellingen en beslissen wat ze met het verdiende geld doen. Belangrijk is wel om vrijwilligers op te leiden om jongeren te begeleiden. De verhouding 30 jongeren en 12 vrijwilligers werkt goed. Er is zelfs zoveel belangstelling bij jongeren om mee te doen met het Jongeren Preventie team dat er een wachtlijst is.

MEMOSA
Daarna was er door FlexusJeugdplein een workshop over MEMOSA* georganiseerd: MEntorMOeders Steun en Advies. Dit project richt zich op moeders met thuiswonende kinderen. Het gaat om vrouwen die mishandeld worden en hierdoor in een isolement verkeren. Doel is het doorbreken van het isolement en het stoppen van het geweld. De mentormoeders zijn goede getrainde vrijwilligers, die zelf ook moeder zijn en een opleiding hebben op MBO niveau. En dat mag ook wel, gezien de aard van de problematiek. Het traject duurt 4 maanden, is bewezen effectief en opgenomen in de databank effectieve interventies van het NJI.

Vrijwilligers in de pedagogische civil society
Als afsluiter was er een lezing van Evelien Tonkens, hoogleraar actief burgerschap. De bal ligt volgens Evelien nu bij de burger, waar hij voorheen bij de overheid en vervolgens bij de markt lag en dat kan de volgende nieuwe problemen opleveren:
1. Toenemende ongelijkheid
Er is meer burgerkracht in betere wijken
Oplossing is meer zelf organiseren, vrijwilligers lichtere taken geven en om meer vrijwilligers actief en persoonlijk uit te nodigen. We hebben jou nodig omdat je zo goed kunt..............koken, voetballen,zingen
2. Plug-in vrijwilligers
Korte onregelmatige inzet. Bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding van kansarme jongeren. Die onregelmatigheid is schadelijk voor jongeren.
Oplossing is dat vrijwilligers een keuze maken tussen of alleen zakelijke, dienstbare klussen of langer commitment beloven.
3. Afwijzen zwakke vrijwilligers
Niet doen en minder focus leggen op individuele bijdrage, meer op bijdrage aan gemeenschap en organiseren training en scholing (zelf ontwikkelen of eisen van bijv. sociale dienst)
4. Afhaken van sterke vrijwilligers
Oplossing is om meer uit te gaan wat vrijwilligers willen en kunnen e geen radicale veranderingen doorvoeren: kleine stapjes, afstemmen op huidige vrijwilligersbestand
5. (Pedagogische) conflicten
Zoals conflicten over inzet, conflicten tussen kinderen. Professionals worstelen met hun rol: ingrijpen of de vrijwilligers laten oplossen?
Oplossing is om mensen voor te bereiden op wrijvingen, uit te leggen dat dat hoort bij vernieuwing en de gelegenheid organiseren om dat soort zaken te bespreken

Het was een interessante middag met heldere en praktisch informatie hoe vrijwilligers in te zetten op een manier waardoor het een win-win situatie wordt, voor de vrijwilliger,voor de professional en vooral voor degene die geholpen wordt.
En het is daarbij belangrijk te onthouden dat hulp vragen een stuk lastiger is dan hulp geven. Het project hulpinjebuurt heeft meer aanbieders van hulp dan vragers.

* http://www.stichtingmooi.nl/
* http://www.movisie.nl/esi/memosa-mentormoeders-huiselijk-geweld
* http://www.hulpinjebuurt.nl/
Meer informatie: http://www.vrijwillige-inzet.nl/actueel/nieuwsitem/item/leerzame-regiobijeenkomsten-professionele-kracht-vrijwillige-kracht-eigen-kracht-samen-voor-jeug/


dinsdag 29 oktober 2013

Luchtwortels, een aanklacht tegen de hulpverlening bij huiselijk geweld



Laatst kreeg ik van Biblion de publicatie Luchtwortels van Hilda Hilbrand toegestuurd om te recenseren. Omdat de wereld zo’n onveilige plek is, kreeg de auteur 'luchtwortels'.

Sommige mensen hebben een leven dat bestaat uit een opeenstapeling van ellende: traumatische jeugdervaringen, foute partners, huiselijk geweld, dakloosheid, niets blijft hen bespaard. En ook de hulpverlening heeft hen niets te bieden. Daarmee is deze publicatie een aanklacht tegen de hulpverlening. Zowel reguliere hulpverlening, als alternatieve 'spirituele' hulpverleners blijken niet in staat met sommige mensen een langdurige helpende relatie op te bouwen. De auteur (pseudoniem), zelf slachtoffer, doet tot in detail verslag van de mishandelingen, wat de gevolgen waren en hoe de hulpverlening daarmee is omgegaan. Ook doet ze aanbevelingen hoe de hulpverlening beter zou kunnen. Tenslotte gaat ze in op de mogelijkheden van een spirituele leefwijze om als slachtoffer kracht te hervinden.
Sommige mensen zijn misschien niet eenvoudig te helpen, maar het is natuurlijk aan de hulpverlener om te blijven zoeken naar een ingang. Goed luisteren en open vragen stellen is iets wat vaak ontbreekt en een aanbeveling wat veel hulpverleners volgens de auteur beter zouden moeten leren.

vrijdag 11 oktober 2013

De decentralisatie van de jeugdzorg, zoveel deskundigen, zoveel meningen


Op 7 oktober was in de Westergasfabriek in Amsterdam het Voor de Jeugd Festival, samen naar 2015. Geen festival voor jongeren, maar een dag lang workshops, lezingen en presentaties over de decentralisatie van de jeugdzorg voor gemeenten, zorgaanbieders, onderwijs-, branche-, beroeps- en cliëntorganisatie. Wat is nodig om in 2015 ieder kind en gezin de juiste zorg te bieden op de juiste plaats op het juiste moment? Naast een inspiratiemarkt met marktkraampjes van allerlei organisaties die betrokken zijn bij de jeugdzorg waren er maar liefst 89 activiteiten die een aspect hiervan belichtten.

Halen we 2015? zijn we er klaar voor?
Als eerste woonde ik een gesprek bij waar Fons van de Poel in gesprek ging met Martin van Rijn (staatssecretaris) en Annemarie Jorritsma (voorzitter VNG). Eén ding werd duidelijk, 2015 gaan ze halen, die datum is nodig om snelheid te creëren. Ze zijn al sinds 2009 bezig, het loopt goed en de gemeenten zijn er klaar voor. Kritische vragen zoals van de kinderombudsman over het tempo van de transitie, de ervaringen in Denemarken met een dergelijk stelsel die niet overwegend positief waren en de bezuiniging van 15-20% op het budget, het gaat allemaal goed komen en als de bestuurders nog ergens van wakker lagen - wat ze volgens hun zeggen weinig deden - dan was het dat men teveel zou blijven hangen in regels en protocollen en onvoldoende de kwaliteit van de hulpverlening centraal zou stellen, de angst voor teveel regels en onbedoelde perverse prikkels. De wens van de bestuurders was dat de jeugdhulp beter aan zou sluiten bij wat mensen nodig hebben. De transitie zou voor hen geslaagd zijn als meer preventief gewerkt zou worden, minder gemedicaliseerd, meer hulp op de juiste plek. Dat willen we allemaal wel, maar niet iedereen is zo optimistisch als de bestuurders.

Veiligheid voor en door kinderen
Daarna volgde ik een lezing bij Peter van der Laan, hoogleraar reclassering. Hij had goed nieuws: het aantal geweldsdelicten daalt. Jammer dat hij zelf de cijfers niet helemaal geloofde, want uit zelf rapportage van jongeren blijken de criminaliteitscijfers al jaren stabiel. Tja. Alleen sluiten we nu niet alle jongeren meer op in jeugdgevangenissen, maar jongeren met ernstige gedragsproblemen in gesloten inrichtingen. Verder daalt het aantal ondertoezichtstellingen iets, maar voogdij neemt weer toe, dus ook wat dat betreft ook geen nieuws. Hij maakte zich wel enige zorgen over de transitie en was erg benieuwd hoe de gemeenten straks gaan inkopen bij de gecertificeerde organisaties, of de prijs leidend zou worden en in hoeverre dat van invloed zou zijn op de kwaliteit. Want onduidelijk is hoe het verder gaat met het landelijk toezicht en ook de rechtspositie van jongeren en ouders was volgens hem nog nergens geregeld.
Tenslotte is het van belang dat gemeenten ook aandacht besteden aan kinderen van gedetineerde ouders, met name moeders, omdat zij vaak de primaire opvoeder zijn en om bij detentie te bekijken wat dat betekent voor de kinderen. Het is sowieso een aandachtspunt om als iemand wordt opgepakt na te gaan of er ook kinderen zijn en hoe het daar mee is. Dat blijkt in de praktijk nog niet altijd het geval te zijn.

Transitie: De baby niet met het badwater weggooien
Daarna gaf Martine Delfos (bio psycholoog) een lezing. Volgens Martine is een groot probleem van deze tijd dat steeds meer ouders uit elkaar gaan. Inmiddels eindigt 40 - 50% van de huwelijken in echtscheiding. Kinderen hebben ouders nodig die beschikbaar zijn, waar ze zich aan kunnen hebben hechten. Echtscheiding heeft invloed op dit hechtingsproces, op het gevoel van veiligheid dat kinderen hebben. Zij hield een pleidooi om mensen te helpen relaties te versterken. Het klinkt allemaal ouderwets, maar dat is het zeker niet want kinderen van gescheiden ouders hebben meer problemen dan kinderen van ouders die bij elkaar blijven en of het nou hetero- of homoseksuele relaties zijn, maakt daarbij niks uit. Een aandachtspunt in ieder geval voor de gemeenten. En misschien ook ondersteuning in de relatie van gescheiden ouders, want met name na de scheiding lopen de conflicten vaak zo uit de hand dat de kinderen er onder leiden.

Taal over domeinen heen
Deze lezing werd gegeven door Anouk Op het Veld en ging over taal. Zij begeleidt een traject over gemeenschappelijke taal bij de veranderingen rondom Jeugd, WMO, Participatie en Passend Onderwijs. Hoe je iets zegt, bepaalt hoe je iets ziet. Zij had de werkende bestanddelen van de verschillende decentralisaties naast elkaar gelegd en was zo gekomen tot gezamenlijke principes (bakens) van het sociaal domein
- eigen kracht
- vraag achter de vraag
- integraal
- dichtbij
- gewoon is weer gewoon
- ruimte en rekenschap professional
- eigen verantwoordelijkheid
Als je dezelfde taal spreekt en weet wat dat je gezamenlijk bepaalde veranderingen beoogt kun je zien waar overlap is en effectiever (samen)werken. Taal is een interessante en bruikbare invalshoek die trouwens ook zeer ondersteunend kan zijn in het overbruggen van verschillen tussen de beroepsgroepen LVB, GGZ en Jeugdzorg die na de decentralisatie moeten gaan samenwerken.

De nieuwe jeugdwet en het kinderrechtenverdrag
Marc Dullaert, kinderombudsman, maakt zich er sterk voor dat de rechten van kinderen worden gerespecteerd. Hij maakt zich in tegenstelling tot de bestuurders, wel zorgen over de transitie.
Waarover?
1. Over het tempo. 31 oktober moeten de transitiearrangementen klaar zijn en hij vraagt zich af of de uitgangspunten van de transitie zoals 1 kind, 1 gezin, 1 regisseur, hulp dichtbij huis enz. wel gerealiseerd worden.
2. (net als van der Laan) Dat de overheid geen zicht meer heeft hoe het met kinderen gaat (kwaliteit en effectiviteit). Hij pleit voor data verzamelen.
3. Wie is verantwoordelijk als het misgaat? De staat of burgemeester en wethouders? De staat blijft mede verantwoordelijk voor kinderrechten.
4. Inkoop van zorg. Dat vooral de goedkopere, lichtere zorg wordt ingekocht en te weinig specialistische zorg. Het recht op zorg is uit de wet gehaald.
5. Grote verschillen tussen gemeenten en het ontstaan van zorgnomaden - gezinnen die naar een andere gemeente vertrekken waar een bepaald zorgaanbod wel beschikbaar is. Verschillen zijn prima tot een zeker niveau, in de randstad zijn andere wensen dan op het platteland.
6. Ellenlange bezwaarprocedures bij het afwijzingen van een verzoek om zorg.
7. Preventief, op maat en bezuinigen. Als je reorganiseert kost dat geld. Pas na enkele jaren zie je een efficiency voordeel.

Jammer dat nu niet van Rijn en Jorritsma aan tafel zaten om hun reactie op deze zorgen te geven.

Flessenpost
Op het einde van de dag kregen we dan eindelijk de kans om de mening van jongeren te horen over de decentralisatie. Deze workshop was georganiseerd door het jeugdwelzijnsberaad , een uitwisseling tussen jongerenraden van jeugdzorg instellingen in Nederland. In juni bezorgden zij flessenpost bij verschillende gemeente bestuurders met de 10 punten waar zij zich zorgen over maken.
1. Veiligheid
2. Gelijke kansen
3. Informatievoorziening
4. Goede professionals
5. Netwerk
6. Ambulante hulp
7. Nazorg
8. Korte trajecten
9. Inspraak
10. Onszelf
Op de website van het jeugdwelzijnsberaad is de toelichting op deze onderwerpen te vinden(zie http://www.jeugdwelzijnsberaad.nl).
Vervolgens keken we - onder begeleiding van jongeren die zelf ook in de jeugdzorg zaten - welke 2 van de 10 punten wij als deelnemers het belangrijkste vonden - netwerk en goede professionals - en hebben dat uitgewerkt.
Goed dat de jongeren hun zorgen hebben kenbaar gemaakt bij de gemeenten en ik ben heel benieuwd wat de gemeenten er mee gaan doen en of het jeugdwelzijnsberaad nog antwoord krijgt op de zorgen en de vragen die ze daarover aan de gemeentebestuurders hebben gesteld.

Al met al een interessante en afwisselende dag, waarop de verschillende aspecten van de decentralisatie de revue zijn gepasseerd, maar ook wel duidelijk werd dat er tal van meningen zijn over wat nog moet gebeuren wil op 1 januari 2015 ieder kind de juiste zorg, op de juiste plek, op de juiste tijd krijgen.


zaterdag 5 oktober 2013

Leren van calamiteiten in de jeugdzorg, over donuts en andere zaken


Op 23 september j.l. was ik op het symposium "Leren van calamiteiten". De bijeenkomst werd georganiseerd ter gelegenheid het 25-jarig bestaan van de Inspectie Jeugdzorg en de 10 jaar bestaande samenwerking van de STJ-inspecties (Inspectie voor de Gezondheidszorg, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Jeugdzorg, Inspectie Veiligheid en Justitie, Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Rode draad van de bijeenkomst was de vraag wat we kunnen leren van calamiteiten.

In maart 2013 heeft het samenwerkend toezicht jeugd het rapport leren van calamiteiten uitgebracht (zie http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/03/15/leren-van-calamiteiten.html). In dit rapport wordt de analyse beschreven van acht calamiteitenonderzoeken die in de periode 2011-2012 door de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) en STJ zijn uitgevoerd. Het betrof ernstige incidenten waarbij kinderen betrokken waren. Uit analyse van de onderzoeken kwam naar voren dat, hoewel elke casus verschillend is, er duidelijke patronen te herkennen zijn en algemeen geldende verbeterpunten te benoemen zijn.
Geconstateerde verbeterpunten:
1. De positie van ouders in het hulpverleningsproces.
2. De manier waarop signalen bij elkaar kunnen komen, onder andere door het gebruik van de Verwijsindex Risicojongeren (VIR). Professionals zijn terughoudend om te melden in de VIR.
3. Kennis en deskundigheid op het gebied van het herkennen en duiden van risicofactoren en bekendheid met de eigen signaleringstaak en die van ketenpartners.
4. Opnieuw inschatten van de veiligheidsrisico’s voor het kind bij veranderende gezinssituaties (-samenstelling) of leefomstandigheden.
5. Duidelijkheid ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid bij overdracht van de client.
Centraal in het rapport staat het begrip handelingsverlegenheid. Een onderwerp dat op het symposium centraal stond. Handelingsverlegenheid is een verzamelbegrip voor onder meer de schroom van professionals om (complexe) zaken, zoals bijvoorbeeld kindermishandeling of seksueel misbruik, bespreekbaar te maken met ouders en kinderen en de mate waarin en de wijze waarop informatie tussen professionals en organisaties wordt uitgewisseld (niet actief, niet tijdig, onvolledig en onvoldoende).

De dag werd voorgezeten door Ruben Maes die de sprekers aan de tand voelde met kritische vragen. Na de opening van de bijeenkomst door Gemma Tielen hoofdinspecteur Inspectie Jeugdzorg en Esther Deursen, programmadirecteur Samenwerkend Toezicht Jeugd, volgden drie tafelgesprekken.

Tafelgesprek met professionals
Het eerste tafelgesprek was met een stafarts, een manager van het steunpunt huiselijk geweld, een jeugdrechter en een gezinsvoogd. In grote lijnen onderschreven zij het rapport. Er is inderdaad sprake van handelingsverlegenheid, hulpverleners zijn bang het lijntje met ouders te verliezen als ze melden, scholing is belangrijk en ook je collega's deelgenoot maken van je vermoedens. Vaak weten professionals niet wat ze moeten doen. Opvallend, want sinds 1 juli is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling verplicht en daarin staat exact beschreven wat een professional zou moeten doen bij vermoedens van kindermishandeling en huiselijk geweld. De professionals gaven aan het belangrijk te vinden veiligheidsplannen op te stellen, bijvoorbeeld met behulp van de methode Signs of Safety, de hele familie of het netwerk erbij te betrekken en aandacht te besteden aan vaardigheden om dit zo concreet mogelijk met ouders te bespreken. Er moet veel meer met ouders gesproken worden en professionals moeten leren hoe je een melding kunt doen en daarbij toch contact kunt houden met ouders waarbij je de melding en je zorgen om de veiligheid bespreekbaar maakt. Voor zorgcontinuïteit is het van belang dat zaken goed op schrift staan als een casus wordt overgedragen, informatie delen is belangrijk en de professionals adviseerden steeds zaken waar je over twijfelt met collega's te bespreken en daarbij soms buiten de grenzen van je verantwoordelijkheid te treden als dat nodig is in het kader van de veiligheid van het kind. Ook pleitten zij voor registratie bij het AMK op basis van het kind en niet alleen van de melder en ook vragen en meldingen van broertjes en zusjes daarbij mee te nemen. Daardoor wordt sneller duidelijk dat er zorgen zijn over een gezin zijn en onderzoek noodzakelijk is.

Tafelgesprek met bestuurders
Vervolgens zaten een wethouder, een bestuurder van een scholengemeenschap, een bestuurder van het medisch centrum Haaglanden en een bestuurder van Bureau Jeugdzorg aan tafel. De bestuurders gaven aan dat het belangrijk is dat je medewerkers steunt als het misgaat, als ze tenminste de juiste stappen gezet hebben. Interessant om te horen was dat Medisch centrum Haaglanden werkt met een protocol voor het signaleren van kindermishandeling op basis van oudersignalen. Bijv. drugsmisbruik van ouders. En het protocol is effectief. Bij 91 procent van de kinderen die door de hulpverleners bij het AMK gemeld werden, blijkt de melding inderdaad terecht en driekwart van deze kinderen was eerder nog niet bekend bij het AMK. De betreffende ouders bleken zelfs vaak blij met de geboden hulp. De bestuurder van het onderwijs vertelde tenslotte dat ze bezig waren met trainingen vroegsignalering. Maar het onderwijs heeft het druk en op papier is alles wel goed geregeld, maar de praktijk blijkt lastig.

Tafelgesprek met de staatssecretarissen
Het laatste tafelgesprek was met de staatssecretarissen Teeven en van Rijn. Zij gaven aan dat de regels rondom privacy vaak minder een probleem zijn dan we denken, maar het is daarbij wel van belang ouders sneller te betrekken. Ook bleek dat het Bureau Jeugdzorg Tilburg zowel het kind als het hele gezin registreert en geen onderscheid maakt tussen consultatie, advies en meldingen, waardoor veel sneller duidelijk wordt als er zorgen zijn rondom een kind. Blijkbaar is dat dus wel mogelijk. Daarnaast werd ingegaan op de decentralisatie en de voordelen van samenwerking in multidisciplinaire teams waarbij het belangrijk is dat ook de GGZ participeert omdat die nu nog nog weinig informatie uitwisselt.

Donuts
Afsluiter van de bijeenkomst was Albert Jan Kruiter, onderzoeker van Instituut Publieke Waarden. Hij gaf aan de decentralisatie als positief te zien voor de aanpak van multiproblem gezinnen omdat de gemeentes naast jeugdbeleid ook over alle randvoorwaarden gaan: uitkering, huisvesting. Hij vertelde dat er multiproblem gezinnen zijn die meer dan 100.000 euro per jaar kosten en meerdere hulpverleners over de vloer krijgen die betaald worden uit meerdere potjes AWBZ, jeugdzorg, uitkering. De gemeentes hebben nu de kans dit met elkaar te verbinden en dit integraal aan te pakken. Tenslotte pleitte hij voor meer ruimte voor de professional. Hij vergeleek het met een donut: het gat is de professionele ruimte en het deeg de regels en de protocollen. Steeds willen we na incidenten dat gat dicht maken, we willen teveel regelen. Maar dat werkt niet. Het is belangrijk dat we integraal te werken, die professionele ruimte innemen en verantwoording afleggen aan collega's.

Dus wat leren we van calamiteiten? Overleggen met collega's, praten met ouders, nemen van verantwoordelijkheid, kortom benutten van het het gat in de donut.



maandag 23 september 2013

Van probleem- tot crimineel gedrag, preventie door vroeg ingrijpen


Op 12 september was ik op een interessant seminar met als titel van probleem- tot crimineel gedrag... of bijtijds stoppen? dat georganiseerd werd door het WODC en het Nationaal initiatief Hersenen & Cognitie.

De bijeenkomst werd geopend door Frans Leeuw directeur van het WODC. Doel van het seminar was het verbinden van wetenschappelijk onderzoek met de praktijk. De maatschappelijke kosten van anti-sociaal/deviant gedrag bedragen 17 miljard per jaar en op dit seminar was de vraag aan de orde hoe de neurowetenschap/neuropsychologie kan bijdragen aan preventie van criminaliteit onder jongeren.

De aftrap werd gedaan door Stephanie van Goozen die de huidige stand van het interdisciplinaire onderzoek naar relaties tussen sociale omstandigheden, ‘brains and cognitions’ én agressief gedrag toelichtte. Uit onderzoek blijkt dat 40 - 70% van de 8-jarigen met anti-sociaal gedrag dit gedrag ook vertoont als volwassene. De vraag is wat dit gedrag bij kinderen zo moeilijk veranderbaar maakt, hoe kun je de persistentie van gedragsproblemen verklaren?

Gezichtsherkenning
Het blijkt dat HALT-jongeren vergeleken met 'gewone' jongeren als hen plaatjes worden getoond van gezichten met emoties, de emoties zoals verdriet en angst niet herkennen. Ook jongeren met ADHD en CD (conduct disorder) zijn minder goed in staat tot empathie en hebben moeite met het inschatten van de consequenties van situaties. Van de jongeren die voor het eerst met justitie in aanraking komen, wordt een groot deel gediagnosticeerd als ADHD of CD. De oorzaak daarvan is enerzijds genetisch, maar ook familie-omstandigheden, temperament, kwaliteit van de verzorging, prenatale factoren (alcohol, drugs, medicijngebruik moeder), trauma's, depressie moeder e.d. zijn van invloed op de breinontwikkeling. M.a.w. een mix van biologische, sociale en emotionele mechanismen zijn bepalend voor het gedrag.
Met name de eerste 3 levensjaren zijn van belang en preventie van anti-sociaal gedrag moet zich daar op richten. Voorbeelden van interventies zijn 'een goed begin' en 'minding the baby'. Een interventie voor jongeren is training in emotieherkenning.In 3 weken leren jongeren wat een emotie is, wat het doet en herkennen ze angst.

De volgende sprekers waren Hannah Swaab en Rosaly Brandon. Zij deden verslag van de aanpak risicojongeren van de gemeente Amsterdam die bekend staat als PIT (preventief interventie team). Voorbeeldcasus was een jongen die op zijn 10e voor het eerst met justitie in aanraking was gekomen en tussen zijn 10e en 22e jaar nog eens 26 x voor steeds ernstiger delicten. Nu zat hij vast voor moord. Het op het 10e jaar starten van een criminele carriere is geen uitzondering en gepleit werd om vroeg te beginnen met signaleren.In Amsterdam inventariseren ze risicojongeren via signalen van basisscholen, leerplichtambtenaren en broertjes en zusjes van de top 600 criminelen.Ze zoeken informatie in systemen, gaan op huisbezoek, zoeken contact met school en screenen de kinderen op sociale leerbaarheid. Op basis daarvan wordt passende hulp ingezet. Agressie betekent in feite dat er iets misgaat in de sociale ontwikkeling van een kind. De sociale leerbaarheid/ sociale informatieverwerking strekt zich uit over 4 coordinaten:
1. Snappen van sociale informatie
2. Sociaal perspectief nemen: mentaliseren en empathie
3. Sociale scripts: normen en waarden, regels
4. Zelfregulatie: sturen van gedrag
Met name empathiseren en mentaliseren (3) bleek laag te scoren en zelfregulatie (4) was bij allemaal verstoord. Goed nieuws is dat dat leerbaar is. Screening en maatwerk levert een specifieke aanpak op en uit onderzoek blijkt dat dat het meest effectief is. Door de screening kan bijvoorbeeld ook nog blijken dat het kind verstandelijk beperkt is, of moeite heeft met het herkennen van emoties. Van de broertjes en zusjes van de top 600 bleek 25% LVB (licht verstandelijk beperkt)N en een groot deel functioneerde beneden gemiddeld (IQ<100). Samen met ouders en kind wordt vervolgens een hulpvraag geformuleerd. Voor de hulp is geen begrenzing in duur en intensiteit, want criminaliteit kost ook veel geld. En als de hulp bij 17% van de jongeren effect heeft, zijn de kosten er al uit.

Vervolgens ging Maartje Schermer in op de ethische aspecten van beleid gericht op risicojongeren. De spanningsvelden tussen de veiligheid van het kind en de rechten van de ouders werden aangestipt en tussen het belang van de maatschappij versus het belang van het kind en het gezin. En de term risicojongeren, zijn dat jongeren die risico lopen of een risico vormen? Het risico van stigmatisering is hierbij groot. Belangrijke vragen waar niet 123 een antwoord op te geven is, maar waar je wel rekening mee moet houden.

Al met al een interessante middag, waarin duidelijk werd dat crimineel gedrag deels bepaald wordt door genen, maar dat er meer factoren van invloed zijn op de hersenontwikkeling en dat het mogelijk is het gedrag te beinvloeden door het stimuleren van sociale ontwikkeling waarbij het zaak is zo vroeg mogelijk daarmee te beginnen. Een ontwikkeling die goed past in de nieuwe jeugdwet, waarin alle jeugdhulp overgaat naar de gemeenten en er meer nadruk komt op preventie.




maandag 16 september 2013

Effectieve jeugdbescherming: vraaggericht werken en betrekken van het netwerk


Op 10 september j.l. was ik op het Congres Effectieve jeugdbescherming dat werd georganiseerd door de Hogeschool Leiden vanuit het lectoraat Jeugdzorg en Jeugdbeleid.

De bijeenkomst werd geopend door Adri van Montfoort, lector Jeugdzorg en Jeugdbeleid. Hij vertelde dat de resultaten van het project Verve in Overijssel en RAAK-project 'Kinderbescherming Thuis' tijdens deze dag centraal stonden. Doel van deze projecten was een bijdrage te leveren aan het professionele handelen en een radicale vernieuwing van de jeugdbescherming werd nagestreefd. Hij ging niet in op de inhoud van beide projecten, dat kwam later aan bod, maar wist wel te vertellen dat de projecten aansloten op de nieuwe jeugdwet en gebruik maakten van de eigen kracht van gezinnen.
In leerbijeenkomsten werden de hulpverleners gecoacht om feiten vast te leggen alvorens normen te stellen en een aanpak te kiezen. Bij het beoordelen van gezinnen en het kiezen van een aanpak werd uitgegaan van vier vensters:
1. Wie zijn deze mensen?
Bijv. Welke mensen vinden het belangrijk dat het goed blijft gaan?
2. Wat zijn de feiten?
Concretiseren van bronnen. Herhaaldelijke waarneming is sterker dan eenmalige waarneming. Schrijf letterlijk op wat de mensen zeggen
3. Hoe wegen we de situatie?
4. Wat zijn de volgende stappen?

Vervolgens nam Wim Slot, hoogleraar Jeugdbescherming aan de VU, het woord. Hij ging in op het begrip veiligheid en koppelde het aan ontwikkeling. Het gaat er niet alleen om of een kind zich in een bedreigende opvoedingssituatie bevindt, maar ook of het kind in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.

Het een en ander werd geillustreerd door de DVD 'Veiligheid en Regie' die vervolgens vertoond werd. De dvd wordt gebruikt als lesmateriaal. In deze dvd werden drie situaties vertoond uit de projecten. Voorbeelden waarbij veiligheid werd gerealiseerd en toch de regie bij de ouders bleef liggen. Een mooi voorbeeld was hoe een gezinsvoogd kinderen uit huis geplaatst had en al die tijd toch een goed contact met de moeder had gehouden. Belangrijk daarbij was dat de gezinsvoogd toegankelijk, open en duidelijk was en zowel het perspectief en de wensen van de moeder als de kinderen duidelijk in beeld had gebracht. Door met de moeder te bespreken wat de kinderen hadden verteld, werd de uithuisplaatsing voor haar acceptabel. Ook was een Eigen Kracht Conferentie georganiseerd waardoor het netwerk betrokken werd om het gezin te ondersteunen. Regie bij de cliënten en betrekken van het netwerk blijken twee essentiele onderdelen van effectieve hulp.

Vervolgens was het woord aan Fiet van Beek, bestuurder van de Eigen Kracht centrale. Fiet moest helemaal niets hebben van de term eigen kracht die momenteel zoveel gebezigd wordt. Het liefst had ze de naam van haar organisatie veranderd. 'Iedereen heeft de mond vol van eigen kracht', zei Fiet. 'Bedoeld wordt jij moet zelf doen wat wij niet kunnen financieren'. Vervolgens hield Fiet een betoog voor het inzetten van Eigen Kracht conferenties. Inmiddels zijn er in Nederland 8000 conferenties geweest, waarin 98% een door de jeugdbescherming geaccepteerd plan gemaakt heeft en uit onderzoek van de VU Amsterdam bleek dat na 9 maanden de gezinnen minder zorgpunten hadden, meer sociale steun en het gezin meer regie had. Al met al goede resultaten.

Na de lunch werd dieper ingegaan op de praktijk van het project Verve. En ook hier werd weer duidelijk naar voren gebracht dat effectieve hulp staat of valt met ouders steeds helder en duidelijk vertellen wat de zorgen zijn, keuzemogelijkheden voorleggen waardoor ouders zeggen ze hebben geluisterd en gekeken wat mogelijk was. Samenwerken met ouders, luisteren en een oplossing zoeken in het netwerk maakt dat oplossingen ook landen. Veiligheid lijkt toe te nemen met het betrekken van het sociale netwerk.

Conclusie: effectieve hulp is vraaggericht werken (Welling 2002) in combinatie met betrekken van het netwerk.