over nieuws, discussies en publicaties in zorg, welzijn en onderwijs
dinsdag 29 oktober 2013
Luchtwortels, een aanklacht tegen de hulpverlening bij huiselijk geweld
Laatst kreeg ik van Biblion de publicatie Luchtwortels van Hilda Hilbrand toegestuurd om te recenseren. Omdat de wereld zo’n onveilige plek is, kreeg de auteur 'luchtwortels'.
Sommige mensen hebben een leven dat bestaat uit een opeenstapeling van ellende: traumatische jeugdervaringen, foute partners, huiselijk geweld, dakloosheid, niets blijft hen bespaard. En ook de hulpverlening heeft hen niets te bieden. Daarmee is deze publicatie een aanklacht tegen de hulpverlening. Zowel reguliere hulpverlening, als alternatieve 'spirituele' hulpverleners blijken niet in staat met sommige mensen een langdurige helpende relatie op te bouwen. De auteur (pseudoniem), zelf slachtoffer, doet tot in detail verslag van de mishandelingen, wat de gevolgen waren en hoe de hulpverlening daarmee is omgegaan. Ook doet ze aanbevelingen hoe de hulpverlening beter zou kunnen. Tenslotte gaat ze in op de mogelijkheden van een spirituele leefwijze om als slachtoffer kracht te hervinden.
Sommige mensen zijn misschien niet eenvoudig te helpen, maar het is natuurlijk aan de hulpverlener om te blijven zoeken naar een ingang. Goed luisteren en open vragen stellen is iets wat vaak ontbreekt en een aanbeveling wat veel hulpverleners volgens de auteur beter zouden moeten leren.
vrijdag 11 oktober 2013
De decentralisatie van de jeugdzorg, zoveel deskundigen, zoveel meningen
Op 7 oktober was in de Westergasfabriek in Amsterdam het Voor de Jeugd Festival, samen naar 2015. Geen festival voor jongeren, maar een dag lang workshops, lezingen en presentaties over de decentralisatie van de jeugdzorg voor gemeenten, zorgaanbieders, onderwijs-, branche-, beroeps- en cliëntorganisatie. Wat is nodig om in 2015 ieder kind en gezin de juiste zorg te bieden op de juiste plaats op het juiste moment? Naast een inspiratiemarkt met marktkraampjes van allerlei organisaties die betrokken zijn bij de jeugdzorg waren er maar liefst 89 activiteiten die een aspect hiervan belichtten.
Halen we 2015? zijn we er klaar voor?
Als eerste woonde ik een gesprek bij waar Fons van de Poel in gesprek ging met Martin van Rijn (staatssecretaris) en Annemarie Jorritsma (voorzitter VNG). Eén ding werd duidelijk, 2015 gaan ze halen, die datum is nodig om snelheid te creëren. Ze zijn al sinds 2009 bezig, het loopt goed en de gemeenten zijn er klaar voor. Kritische vragen zoals van de kinderombudsman over het tempo van de transitie, de ervaringen in Denemarken met een dergelijk stelsel die niet overwegend positief waren en de bezuiniging van 15-20% op het budget, het gaat allemaal goed komen en als de bestuurders nog ergens van wakker lagen - wat ze volgens hun zeggen weinig deden - dan was het dat men teveel zou blijven hangen in regels en protocollen en onvoldoende de kwaliteit van de hulpverlening centraal zou stellen, de angst voor teveel regels en onbedoelde perverse prikkels. De wens van de bestuurders was dat de jeugdhulp beter aan zou sluiten bij wat mensen nodig hebben. De transitie zou voor hen geslaagd zijn als meer preventief gewerkt zou worden, minder gemedicaliseerd, meer hulp op de juiste plek. Dat willen we allemaal wel, maar niet iedereen is zo optimistisch als de bestuurders.
Veiligheid voor en door kinderen
Daarna volgde ik een lezing bij Peter van der Laan, hoogleraar reclassering. Hij had goed nieuws: het aantal geweldsdelicten daalt. Jammer dat hij zelf de cijfers niet helemaal geloofde, want uit zelf rapportage van jongeren blijken de criminaliteitscijfers al jaren stabiel. Tja. Alleen sluiten we nu niet alle jongeren meer op in jeugdgevangenissen, maar jongeren met ernstige gedragsproblemen in gesloten inrichtingen. Verder daalt het aantal ondertoezichtstellingen iets, maar voogdij neemt weer toe, dus ook wat dat betreft ook geen nieuws. Hij maakte zich wel enige zorgen over de transitie en was erg benieuwd hoe de gemeenten straks gaan inkopen bij de gecertificeerde organisaties, of de prijs leidend zou worden en in hoeverre dat van invloed zou zijn op de kwaliteit. Want onduidelijk is hoe het verder gaat met het landelijk toezicht en ook de rechtspositie van jongeren en ouders was volgens hem nog nergens geregeld.
Tenslotte is het van belang dat gemeenten ook aandacht besteden aan kinderen van gedetineerde ouders, met name moeders, omdat zij vaak de primaire opvoeder zijn en om bij detentie te bekijken wat dat betekent voor de kinderen. Het is sowieso een aandachtspunt om als iemand wordt opgepakt na te gaan of er ook kinderen zijn en hoe het daar mee is. Dat blijkt in de praktijk nog niet altijd het geval te zijn.
Transitie: De baby niet met het badwater weggooien
Daarna gaf Martine Delfos (bio psycholoog) een lezing. Volgens Martine is een groot probleem van deze tijd dat steeds meer ouders uit elkaar gaan. Inmiddels eindigt 40 - 50% van de huwelijken in echtscheiding. Kinderen hebben ouders nodig die beschikbaar zijn, waar ze zich aan kunnen hebben hechten. Echtscheiding heeft invloed op dit hechtingsproces, op het gevoel van veiligheid dat kinderen hebben. Zij hield een pleidooi om mensen te helpen relaties te versterken. Het klinkt allemaal ouderwets, maar dat is het zeker niet want kinderen van gescheiden ouders hebben meer problemen dan kinderen van ouders die bij elkaar blijven en of het nou hetero- of homoseksuele relaties zijn, maakt daarbij niks uit. Een aandachtspunt in ieder geval voor de gemeenten. En misschien ook ondersteuning in de relatie van gescheiden ouders, want met name na de scheiding lopen de conflicten vaak zo uit de hand dat de kinderen er onder leiden.
Taal over domeinen heen
Deze lezing werd gegeven door Anouk Op het Veld en ging over taal. Zij begeleidt een traject over gemeenschappelijke taal bij de veranderingen rondom Jeugd, WMO, Participatie en Passend Onderwijs. Hoe je iets zegt, bepaalt hoe je iets ziet. Zij had de werkende bestanddelen van de verschillende decentralisaties naast elkaar gelegd en was zo gekomen tot gezamenlijke principes (bakens) van het sociaal domein
- eigen kracht
- vraag achter de vraag
- integraal
- dichtbij
- gewoon is weer gewoon
- ruimte en rekenschap professional
- eigen verantwoordelijkheid
Als je dezelfde taal spreekt en weet wat dat je gezamenlijk bepaalde veranderingen beoogt kun je zien waar overlap is en effectiever (samen)werken. Taal is een interessante en bruikbare invalshoek die trouwens ook zeer ondersteunend kan zijn in het overbruggen van verschillen tussen de beroepsgroepen LVB, GGZ en Jeugdzorg die na de decentralisatie moeten gaan samenwerken.
De nieuwe jeugdwet en het kinderrechtenverdrag
Marc Dullaert, kinderombudsman, maakt zich er sterk voor dat de rechten van kinderen worden gerespecteerd. Hij maakt zich in tegenstelling tot de bestuurders, wel zorgen over de transitie.
Waarover?
1. Over het tempo. 31 oktober moeten de transitiearrangementen klaar zijn en hij vraagt zich af of de uitgangspunten van de transitie zoals 1 kind, 1 gezin, 1 regisseur, hulp dichtbij huis enz. wel gerealiseerd worden.
2. (net als van der Laan) Dat de overheid geen zicht meer heeft hoe het met kinderen gaat (kwaliteit en effectiviteit). Hij pleit voor data verzamelen.
3. Wie is verantwoordelijk als het misgaat? De staat of burgemeester en wethouders? De staat blijft mede verantwoordelijk voor kinderrechten.
4. Inkoop van zorg. Dat vooral de goedkopere, lichtere zorg wordt ingekocht en te weinig specialistische zorg. Het recht op zorg is uit de wet gehaald.
5. Grote verschillen tussen gemeenten en het ontstaan van zorgnomaden - gezinnen die naar een andere gemeente vertrekken waar een bepaald zorgaanbod wel beschikbaar is. Verschillen zijn prima tot een zeker niveau, in de randstad zijn andere wensen dan op het platteland.
6. Ellenlange bezwaarprocedures bij het afwijzingen van een verzoek om zorg.
7. Preventief, op maat en bezuinigen. Als je reorganiseert kost dat geld. Pas na enkele jaren zie je een efficiency voordeel.
Jammer dat nu niet van Rijn en Jorritsma aan tafel zaten om hun reactie op deze zorgen te geven.
Flessenpost
Op het einde van de dag kregen we dan eindelijk de kans om de mening van jongeren te horen over de decentralisatie. Deze workshop was georganiseerd door het jeugdwelzijnsberaad , een uitwisseling tussen jongerenraden van jeugdzorg instellingen in Nederland. In juni bezorgden zij flessenpost bij verschillende gemeente bestuurders met de 10 punten waar zij zich zorgen over maken.
1. Veiligheid
2. Gelijke kansen
3. Informatievoorziening
4. Goede professionals
5. Netwerk
6. Ambulante hulp
7. Nazorg
8. Korte trajecten
9. Inspraak
10. Onszelf
Op de website van het jeugdwelzijnsberaad is de toelichting op deze onderwerpen te vinden(zie http://www.jeugdwelzijnsberaad.nl).
Vervolgens keken we - onder begeleiding van jongeren die zelf ook in de jeugdzorg zaten - welke 2 van de 10 punten wij als deelnemers het belangrijkste vonden - netwerk en goede professionals - en hebben dat uitgewerkt.
Goed dat de jongeren hun zorgen hebben kenbaar gemaakt bij de gemeenten en ik ben heel benieuwd wat de gemeenten er mee gaan doen en of het jeugdwelzijnsberaad nog antwoord krijgt op de zorgen en de vragen die ze daarover aan de gemeentebestuurders hebben gesteld.
Al met al een interessante en afwisselende dag, waarop de verschillende aspecten van de decentralisatie de revue zijn gepasseerd, maar ook wel duidelijk werd dat er tal van meningen zijn over wat nog moet gebeuren wil op 1 januari 2015 ieder kind de juiste zorg, op de juiste plek, op de juiste tijd krijgen.
zaterdag 5 oktober 2013
Leren van calamiteiten in de jeugdzorg, over donuts en andere zaken
Op 23 september j.l. was ik op het symposium "Leren van calamiteiten". De bijeenkomst werd georganiseerd ter gelegenheid het 25-jarig bestaan van de Inspectie Jeugdzorg en de 10 jaar bestaande samenwerking van de STJ-inspecties (Inspectie voor de Gezondheidszorg, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Jeugdzorg, Inspectie Veiligheid en Justitie, Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Rode draad van de bijeenkomst was de vraag wat we kunnen leren van calamiteiten.
In maart 2013 heeft het samenwerkend toezicht jeugd het rapport leren van calamiteiten uitgebracht (zie http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/03/15/leren-van-calamiteiten.html). In dit rapport wordt de analyse beschreven van acht calamiteitenonderzoeken die in de periode 2011-2012 door de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) en STJ zijn uitgevoerd. Het betrof ernstige incidenten waarbij kinderen betrokken waren. Uit analyse van de onderzoeken kwam naar voren dat, hoewel elke casus verschillend is, er duidelijke patronen te herkennen zijn en algemeen geldende verbeterpunten te benoemen zijn.
Geconstateerde verbeterpunten:
1. De positie van ouders in het hulpverleningsproces.
2. De manier waarop signalen bij elkaar kunnen komen, onder andere door het gebruik van de Verwijsindex Risicojongeren (VIR). Professionals zijn terughoudend om te melden in de VIR.
3. Kennis en deskundigheid op het gebied van het herkennen en duiden van risicofactoren en bekendheid met de eigen signaleringstaak en die van ketenpartners.
4. Opnieuw inschatten van de veiligheidsrisico’s voor het kind bij veranderende gezinssituaties (-samenstelling) of leefomstandigheden.
5. Duidelijkheid ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid bij overdracht van de client.
Centraal in het rapport staat het begrip handelingsverlegenheid. Een onderwerp dat op het symposium centraal stond. Handelingsverlegenheid is een verzamelbegrip voor onder meer de schroom van professionals om (complexe) zaken, zoals bijvoorbeeld kindermishandeling of seksueel misbruik, bespreekbaar te maken met ouders en kinderen en de mate waarin en de wijze waarop informatie tussen professionals en organisaties wordt uitgewisseld (niet actief, niet tijdig, onvolledig en onvoldoende).
De dag werd voorgezeten door Ruben Maes die de sprekers aan de tand voelde met kritische vragen. Na de opening van de bijeenkomst door Gemma Tielen hoofdinspecteur Inspectie Jeugdzorg en Esther Deursen, programmadirecteur Samenwerkend Toezicht Jeugd, volgden drie tafelgesprekken.
Tafelgesprek met professionals
Het eerste tafelgesprek was met een stafarts, een manager van het steunpunt huiselijk geweld, een jeugdrechter en een gezinsvoogd. In grote lijnen onderschreven zij het rapport. Er is inderdaad sprake van handelingsverlegenheid, hulpverleners zijn bang het lijntje met ouders te verliezen als ze melden, scholing is belangrijk en ook je collega's deelgenoot maken van je vermoedens. Vaak weten professionals niet wat ze moeten doen. Opvallend, want sinds 1 juli is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling verplicht en daarin staat exact beschreven wat een professional zou moeten doen bij vermoedens van kindermishandeling en huiselijk geweld. De professionals gaven aan het belangrijk te vinden veiligheidsplannen op te stellen, bijvoorbeeld met behulp van de methode Signs of Safety, de hele familie of het netwerk erbij te betrekken en aandacht te besteden aan vaardigheden om dit zo concreet mogelijk met ouders te bespreken. Er moet veel meer met ouders gesproken worden en professionals moeten leren hoe je een melding kunt doen en daarbij toch contact kunt houden met ouders waarbij je de melding en je zorgen om de veiligheid bespreekbaar maakt. Voor zorgcontinuïteit is het van belang dat zaken goed op schrift staan als een casus wordt overgedragen, informatie delen is belangrijk en de professionals adviseerden steeds zaken waar je over twijfelt met collega's te bespreken en daarbij soms buiten de grenzen van je verantwoordelijkheid te treden als dat nodig is in het kader van de veiligheid van het kind. Ook pleitten zij voor registratie bij het AMK op basis van het kind en niet alleen van de melder en ook vragen en meldingen van broertjes en zusjes daarbij mee te nemen. Daardoor wordt sneller duidelijk dat er zorgen zijn over een gezin zijn en onderzoek noodzakelijk is.
Tafelgesprek met bestuurders
Vervolgens zaten een wethouder, een bestuurder van een scholengemeenschap, een bestuurder van het medisch centrum Haaglanden en een bestuurder van Bureau Jeugdzorg aan tafel. De bestuurders gaven aan dat het belangrijk is dat je medewerkers steunt als het misgaat, als ze tenminste de juiste stappen gezet hebben. Interessant om te horen was dat Medisch centrum Haaglanden werkt met een protocol voor het signaleren van kindermishandeling op basis van oudersignalen. Bijv. drugsmisbruik van ouders. En het protocol is effectief. Bij 91 procent van de kinderen die door de hulpverleners bij het AMK gemeld werden, blijkt de melding inderdaad terecht en driekwart van deze kinderen was eerder nog niet bekend bij het AMK. De betreffende ouders bleken zelfs vaak blij met de geboden hulp. De bestuurder van het onderwijs vertelde tenslotte dat ze bezig waren met trainingen vroegsignalering. Maar het onderwijs heeft het druk en op papier is alles wel goed geregeld, maar de praktijk blijkt lastig.
Tafelgesprek met de staatssecretarissen
Het laatste tafelgesprek was met de staatssecretarissen Teeven en van Rijn. Zij gaven aan dat de regels rondom privacy vaak minder een probleem zijn dan we denken, maar het is daarbij wel van belang ouders sneller te betrekken. Ook bleek dat het Bureau Jeugdzorg Tilburg zowel het kind als het hele gezin registreert en geen onderscheid maakt tussen consultatie, advies en meldingen, waardoor veel sneller duidelijk wordt als er zorgen zijn rondom een kind. Blijkbaar is dat dus wel mogelijk. Daarnaast werd ingegaan op de decentralisatie en de voordelen van samenwerking in multidisciplinaire teams waarbij het belangrijk is dat ook de GGZ participeert omdat die nu nog nog weinig informatie uitwisselt.
Donuts
Afsluiter van de bijeenkomst was Albert Jan Kruiter, onderzoeker van Instituut Publieke Waarden. Hij gaf aan de decentralisatie als positief te zien voor de aanpak van multiproblem gezinnen omdat de gemeentes naast jeugdbeleid ook over alle randvoorwaarden gaan: uitkering, huisvesting. Hij vertelde dat er multiproblem gezinnen zijn die meer dan 100.000 euro per jaar kosten en meerdere hulpverleners over de vloer krijgen die betaald worden uit meerdere potjes AWBZ, jeugdzorg, uitkering. De gemeentes hebben nu de kans dit met elkaar te verbinden en dit integraal aan te pakken. Tenslotte pleitte hij voor meer ruimte voor de professional. Hij vergeleek het met een donut: het gat is de professionele ruimte en het deeg de regels en de protocollen. Steeds willen we na incidenten dat gat dicht maken, we willen teveel regelen. Maar dat werkt niet. Het is belangrijk dat we integraal te werken, die professionele ruimte innemen en verantwoording afleggen aan collega's.
Dus wat leren we van calamiteiten? Overleggen met collega's, praten met ouders, nemen van verantwoordelijkheid, kortom benutten van het het gat in de donut.
maandag 23 september 2013
Van probleem- tot crimineel gedrag, preventie door vroeg ingrijpen
Op 12 september was ik op een interessant seminar met als titel van probleem- tot crimineel gedrag... of bijtijds stoppen? dat georganiseerd werd door het WODC en het Nationaal initiatief Hersenen & Cognitie.
De bijeenkomst werd geopend door Frans Leeuw directeur van het WODC. Doel van het seminar was het verbinden van wetenschappelijk onderzoek met de praktijk. De maatschappelijke kosten van anti-sociaal/deviant gedrag bedragen 17 miljard per jaar en op dit seminar was de vraag aan de orde hoe de neurowetenschap/neuropsychologie kan bijdragen aan preventie van criminaliteit onder jongeren.
De aftrap werd gedaan door Stephanie van Goozen die de huidige stand van het interdisciplinaire onderzoek naar relaties tussen sociale omstandigheden, ‘brains and cognitions’ én agressief gedrag toelichtte. Uit onderzoek blijkt dat 40 - 70% van de 8-jarigen met anti-sociaal gedrag dit gedrag ook vertoont als volwassene. De vraag is wat dit gedrag bij kinderen zo moeilijk veranderbaar maakt, hoe kun je de persistentie van gedragsproblemen verklaren?
Gezichtsherkenning
Het blijkt dat HALT-jongeren vergeleken met 'gewone' jongeren als hen plaatjes worden getoond van gezichten met emoties, de emoties zoals verdriet en angst niet herkennen. Ook jongeren met ADHD en CD (conduct disorder) zijn minder goed in staat tot empathie en hebben moeite met het inschatten van de consequenties van situaties. Van de jongeren die voor het eerst met justitie in aanraking komen, wordt een groot deel gediagnosticeerd als ADHD of CD. De oorzaak daarvan is enerzijds genetisch, maar ook familie-omstandigheden, temperament, kwaliteit van de verzorging, prenatale factoren (alcohol, drugs, medicijngebruik moeder), trauma's, depressie moeder e.d. zijn van invloed op de breinontwikkeling. M.a.w. een mix van biologische, sociale en emotionele mechanismen zijn bepalend voor het gedrag.
Met name de eerste 3 levensjaren zijn van belang en preventie van anti-sociaal gedrag moet zich daar op richten. Voorbeelden van interventies zijn 'een goed begin' en 'minding the baby'. Een interventie voor jongeren is training in emotieherkenning.In 3 weken leren jongeren wat een emotie is, wat het doet en herkennen ze angst.
De volgende sprekers waren Hannah Swaab en Rosaly Brandon. Zij deden verslag van de aanpak risicojongeren van de gemeente Amsterdam die bekend staat als PIT (preventief interventie team). Voorbeeldcasus was een jongen die op zijn 10e voor het eerst met justitie in aanraking was gekomen en tussen zijn 10e en 22e jaar nog eens 26 x voor steeds ernstiger delicten. Nu zat hij vast voor moord. Het op het 10e jaar starten van een criminele carriere is geen uitzondering en gepleit werd om vroeg te beginnen met signaleren.In Amsterdam inventariseren ze risicojongeren via signalen van basisscholen, leerplichtambtenaren en broertjes en zusjes van de top 600 criminelen.Ze zoeken informatie in systemen, gaan op huisbezoek, zoeken contact met school en screenen de kinderen op sociale leerbaarheid. Op basis daarvan wordt passende hulp ingezet. Agressie betekent in feite dat er iets misgaat in de sociale ontwikkeling van een kind. De sociale leerbaarheid/ sociale informatieverwerking strekt zich uit over 4 coordinaten:
1. Snappen van sociale informatie
2. Sociaal perspectief nemen: mentaliseren en empathie
3. Sociale scripts: normen en waarden, regels
4. Zelfregulatie: sturen van gedrag
Met name empathiseren en mentaliseren (3) bleek laag te scoren en zelfregulatie (4) was bij allemaal verstoord. Goed nieuws is dat dat leerbaar is. Screening en maatwerk levert een specifieke aanpak op en uit onderzoek blijkt dat dat het meest effectief is. Door de screening kan bijvoorbeeld ook nog blijken dat het kind verstandelijk beperkt is, of moeite heeft met het herkennen van emoties. Van de broertjes en zusjes van de top 600 bleek 25% LVB (licht verstandelijk beperkt)N en een groot deel functioneerde beneden gemiddeld (IQ<100). Samen met ouders en kind wordt vervolgens een hulpvraag geformuleerd. Voor de hulp is geen begrenzing in duur en intensiteit, want criminaliteit kost ook veel geld. En als de hulp bij 17% van de jongeren effect heeft, zijn de kosten er al uit.
Vervolgens ging Maartje Schermer in op de ethische aspecten van beleid gericht op risicojongeren. De spanningsvelden tussen de veiligheid van het kind en de rechten van de ouders werden aangestipt en tussen het belang van de maatschappij versus het belang van het kind en het gezin. En de term risicojongeren, zijn dat jongeren die risico lopen of een risico vormen? Het risico van stigmatisering is hierbij groot. Belangrijke vragen waar niet 123 een antwoord op te geven is, maar waar je wel rekening mee moet houden.
Al met al een interessante middag, waarin duidelijk werd dat crimineel gedrag deels bepaald wordt door genen, maar dat er meer factoren van invloed zijn op de hersenontwikkeling en dat het mogelijk is het gedrag te beinvloeden door het stimuleren van sociale ontwikkeling waarbij het zaak is zo vroeg mogelijk daarmee te beginnen. Een ontwikkeling die goed past in de nieuwe jeugdwet, waarin alle jeugdhulp overgaat naar de gemeenten en er meer nadruk komt op preventie.
maandag 16 september 2013
Effectieve jeugdbescherming: vraaggericht werken en betrekken van het netwerk
Op 10 september j.l. was ik op het Congres Effectieve jeugdbescherming dat werd georganiseerd door de Hogeschool Leiden vanuit het lectoraat Jeugdzorg en Jeugdbeleid.
De bijeenkomst werd geopend door Adri van Montfoort, lector Jeugdzorg en Jeugdbeleid. Hij vertelde dat de resultaten van het project Verve in Overijssel en RAAK-project 'Kinderbescherming Thuis' tijdens deze dag centraal stonden. Doel van deze projecten was een bijdrage te leveren aan het professionele handelen en een radicale vernieuwing van de jeugdbescherming werd nagestreefd. Hij ging niet in op de inhoud van beide projecten, dat kwam later aan bod, maar wist wel te vertellen dat de projecten aansloten op de nieuwe jeugdwet en gebruik maakten van de eigen kracht van gezinnen.
In leerbijeenkomsten werden de hulpverleners gecoacht om feiten vast te leggen alvorens normen te stellen en een aanpak te kiezen. Bij het beoordelen van gezinnen en het kiezen van een aanpak werd uitgegaan van vier vensters:
1. Wie zijn deze mensen?
Bijv. Welke mensen vinden het belangrijk dat het goed blijft gaan?
2. Wat zijn de feiten?
Concretiseren van bronnen. Herhaaldelijke waarneming is sterker dan eenmalige waarneming. Schrijf letterlijk op wat de mensen zeggen
3. Hoe wegen we de situatie?
4. Wat zijn de volgende stappen?
Vervolgens nam Wim Slot, hoogleraar Jeugdbescherming aan de VU, het woord. Hij ging in op het begrip veiligheid en koppelde het aan ontwikkeling. Het gaat er niet alleen om of een kind zich in een bedreigende opvoedingssituatie bevindt, maar ook of het kind in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
Het een en ander werd geillustreerd door de DVD 'Veiligheid en Regie' die vervolgens vertoond werd. De dvd wordt gebruikt als lesmateriaal. In deze dvd werden drie situaties vertoond uit de projecten. Voorbeelden waarbij veiligheid werd gerealiseerd en toch de regie bij de ouders bleef liggen. Een mooi voorbeeld was hoe een gezinsvoogd kinderen uit huis geplaatst had en al die tijd toch een goed contact met de moeder had gehouden. Belangrijk daarbij was dat de gezinsvoogd toegankelijk, open en duidelijk was en zowel het perspectief en de wensen van de moeder als de kinderen duidelijk in beeld had gebracht. Door met de moeder te bespreken wat de kinderen hadden verteld, werd de uithuisplaatsing voor haar acceptabel. Ook was een Eigen Kracht Conferentie georganiseerd waardoor het netwerk betrokken werd om het gezin te ondersteunen. Regie bij de cliënten en betrekken van het netwerk blijken twee essentiele onderdelen van effectieve hulp.
Vervolgens was het woord aan Fiet van Beek, bestuurder van de Eigen Kracht centrale. Fiet moest helemaal niets hebben van de term eigen kracht die momenteel zoveel gebezigd wordt. Het liefst had ze de naam van haar organisatie veranderd. 'Iedereen heeft de mond vol van eigen kracht', zei Fiet. 'Bedoeld wordt jij moet zelf doen wat wij niet kunnen financieren'. Vervolgens hield Fiet een betoog voor het inzetten van Eigen Kracht conferenties. Inmiddels zijn er in Nederland 8000 conferenties geweest, waarin 98% een door de jeugdbescherming geaccepteerd plan gemaakt heeft en uit onderzoek van de VU Amsterdam bleek dat na 9 maanden de gezinnen minder zorgpunten hadden, meer sociale steun en het gezin meer regie had. Al met al goede resultaten.
Na de lunch werd dieper ingegaan op de praktijk van het project Verve. En ook hier werd weer duidelijk naar voren gebracht dat effectieve hulp staat of valt met ouders steeds helder en duidelijk vertellen wat de zorgen zijn, keuzemogelijkheden voorleggen waardoor ouders zeggen ze hebben geluisterd en gekeken wat mogelijk was. Samenwerken met ouders, luisteren en een oplossing zoeken in het netwerk maakt dat oplossingen ook landen. Veiligheid lijkt toe te nemen met het betrekken van het sociale netwerk.
Conclusie: effectieve hulp is vraaggericht werken (Welling 2002) in combinatie met betrekken van het netwerk.
maandag 26 augustus 2013
Kleine gids kindermishandeling, handig boekje voor scholen die werken met de meldcode
Ongeveer 119.000 kinderen worden jaarlijks slachtoffer van kindermishandeling. Al deze kinderen zitten op school. Toch komen er relatief weinig meldingen van scholen. Ze komen wel in aanraking met vermoedens van kindermishandeling maar vinden het moeilijk om in actie te komen. Vaak zijn de signalen niet helder en ook zal het kind vaak niet uit zichzelf vertellen dat het mishandeld wordt of wat het thuis meemaakt. Het is bovendien een zware beschuldiging voor ouders, die schadelijk kan zijn als het niet juist blijkt. Maar nog schadelijker is om niets te doen terwijl er wel sprake is van kindermishandeling. Vanaf 1 juli zijn beroepskrachten verplicht een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te gebruiken bij vermoedens van geweld in huiselijke kring.
In maart 2013 verscheen de derde herziene druk van De kleine gids kindermishandeling, achtergronden, signaleren en de meldcode en met de meldcode die nu verplicht is, komt dit op het juiste moment. de publicatie heeft als ondertitel- moeilijke zaken makkelijk uitgelegd - en dat klopt. De gids biedt een schat van informatie voor professionals die geconfronteerd worden met vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het boek start bestaat uit 4 delen. Deel 1, de achtergronden van kindermishandeling met een overzicht van de geschiedenis van kindermishandeling, het wettelijk kader, de huidige aanpak en hoe vaak het voorkomt. Deel 2 gaat in op de vormen, oorzaken en gevolgen van kindermishandeling,deel 3 op de aanpak van kindermishandeling en deel 4 tenslotte op de keten van kindermishandeling.
Met name deel 3 is erg interessant, enerzijds omdat het een helder overzicht van signalen geeft, anderzijds omdat het concrete handvatten geeft hoe te handelen bij vermoedens: er is aandacht voor de verplichte stappen bij de meldcode en stapsgewijs voeren van gesprekken met het kind en met de ouders, en de do's en dont's in deze gesprekken.
Al met al een handzaam en praktische publicatie waar scholen goed gebruik van kunnen maken bij de invoering van de meldcode.
maandag 8 juli 2013
Hoe bescherm je je kind tegen seksueel misbruik?
Het leed dat niet spreekt knaagt aan het hart tot het breekt (Shakespeare)

Kort geleden kreeg ik de publicatie Bescherm je kind tegen seksueel misbruik van Elisabeth Raffauf toegezonden om te recenseren. Iedere ouder wil zijn kind beschermen tegen seksueel misbruik, maar het kind waarschuwen voor enge mannen en ‘nee’ leren zeggen is onvoldoende.
In deze uit het Duits vertaalde publicatie wordt beschreven wat ouders wel kunnen doen. Ingegaan wordt op het feit dat de meeste daders bekenden zijn en benadrukt dat onzekere en onwetende kinderen meer gevaar lopen. Seksuele opvoeding, aandacht, contact, vertrouwen, serieus nemen van kinderen zijn de belangrijkste manieren om kinderen zelfvertrouwen te geven en onontbeerlijk als beschermende factor. Toch kan het gebeuren dat je kind misbruikt wordt en het is van belang alert te zijn op signalen en te weten wat te doen bij vermoedens. Het boek biedt duidelijke handvatten hoe kinderen dan te beschermen en onnodige paniekzaaierij te voorkomen. Tenslotte wordt ingegaan op verantwoord internetgedrag, tips van de politie en preventieprogramma’s.
De auteur is psycholoog en werkzaam bij een opvoedbureau waar zij groepen voor ouders van pubers, voor jonge meisjes en voor kinderen begeleidt.
Al met al een zinvolle publicatie voor ouders over bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik.

Kort geleden kreeg ik de publicatie Bescherm je kind tegen seksueel misbruik van Elisabeth Raffauf toegezonden om te recenseren. Iedere ouder wil zijn kind beschermen tegen seksueel misbruik, maar het kind waarschuwen voor enge mannen en ‘nee’ leren zeggen is onvoldoende.
In deze uit het Duits vertaalde publicatie wordt beschreven wat ouders wel kunnen doen. Ingegaan wordt op het feit dat de meeste daders bekenden zijn en benadrukt dat onzekere en onwetende kinderen meer gevaar lopen. Seksuele opvoeding, aandacht, contact, vertrouwen, serieus nemen van kinderen zijn de belangrijkste manieren om kinderen zelfvertrouwen te geven en onontbeerlijk als beschermende factor. Toch kan het gebeuren dat je kind misbruikt wordt en het is van belang alert te zijn op signalen en te weten wat te doen bij vermoedens. Het boek biedt duidelijke handvatten hoe kinderen dan te beschermen en onnodige paniekzaaierij te voorkomen. Tenslotte wordt ingegaan op verantwoord internetgedrag, tips van de politie en preventieprogramma’s.
De auteur is psycholoog en werkzaam bij een opvoedbureau waar zij groepen voor ouders van pubers, voor jonge meisjes en voor kinderen begeleidt.
Al met al een zinvolle publicatie voor ouders over bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik.
donderdag 27 juni 2013
Vindt de katholieke kerk verzet tegen fusie ernstiger dan seksueel misbruik van kinderen?
Laatst kreeg ik de publicatie de woede van Vlaanderen van Robert Lemm, & Mohamed El-Fers toegestuurd om te recenseren.
Het zoveelste boek over seksueel misbruik in de Katholieke kerk. Sinds eind twintigste eeuw heeft de kerk te maken met de onthulling van seksueel misbruik van minderjarigen door priesters. Het misbruik speelde zich vooral af in de vorige eeuw, maar kwam pas kortgeleden in volle omvang naar buiten. De kerk probeert de zaken zoveel mogelijk uit de openbaarheid te houden door plegers uit de wind te houden en doet niets voor slachtoffers. Zo ook in Vlaanderen. Meestal blijven de daders in de anonimiteit. Maar niet bisschop Vangheluwe. Hij bekent zijn neefje jarenlang misbruikt te hebben en geeft zelfs een televisie-interview. Daarmee haalt hij zich de woede van Vlaanderen op de hals en moet onderduiken. In deze publicatie wordt chronologisch en erg uitgebreid verslag gedaan van alle gebeurtenissen en de discussie in de media. Zo wordt gediscussieerd of de biecht geen middel is om daden te vergoelijken en zijn velen van mening dat de bisschop teruggezet moet worden naar de lekenstaat. Uiteindelijk gebeurt er helemaal niets, want de feiten zijn verjaard en de kerk neemt ook geen strafmaatregelen.
Het is verbazingwekkend hoe weinig de katholieke kerk doet voor slachtoffers en hoeveel ze er aan doen alles binnenskamers te houden en plegers te beschermen. En dat terwijl het voor slachtoffers zo belangrijk is erkenning te krijgen voor het leed dat hen is gedaan en dat zoveel inpact op hun leven heeft (gehad). Het gesprek hierover met vertegenwoordigers van de kerk kan helend werken. Dat tegen deze en andere priesters die kinderen hebben misbruikt geen maatregelen worden genomen is onvergefelijk. Zeker omdat in andere situaties de kerk wel degelijk stappen blijkt te nemen als hen iets niet bevalt. Zo dreigde in april j.l. het bisdom Den Bosch een priester en een diaken van de Antoniusparochie in Best uit de kerk te zetten. De twee werden eerder deze maand ontslagen omdat ze verantwoordelijk zouden zijn voor het verzet tegen een fusie met een andere parochie. Het uit de gemeenschap zetten, excommunicatie, is de zwaarste straf die door de kerk aan een katholiek kan worden opgelegd. Maar verzet tegen een fusie is toch niet ernstiger dan misbruik van kinderen? Het is toch niet zo dat bescherming van de kerk als instituut belangrijker is geworden dan de steun aan zwakkeren?
maandag 3 juni 2013
Loverboys en seksueel opvoeden met het vlaggensysteem

Op 23 mei was ik uitgenodigd door Stek Jeugdhulp op een studiedag over loverboys en het vlaggensysteem. Door het Samsonrapport 'Omringd door zorg, toch niet veilig' is duidelijk geworden dat kinderen die uit huis zijn geplaatst door de kinderrechter niet altijd de bescherming tegen seksueel misbruik krijgen, die ze nodig hebben. Overheid, instellingen en pleegzorg zijn daarin in het verleden tekort geschoten. Eerst omdat men geen notie had van misbruik van de kinderen; later is er sprake van een gebrek aan professionaliteit en durf om zaken aan te pakken. Als gevolg van dit rapport zijn jeugdzorginstellingen bij zichzelf te rade gegaan hoe ze de kinderen die aan hen toevertrouwd zijn beter kunnen beschermen. Hoe realiseer je een cultuur in de instelling of het pleeggezin waarin seksualiteit en seksueel misbruik bespreekbaar is, hoe bescherm je kinderen, maak je ze weerbaar en draag je zorg voor een gezonde seksuele ontwikkeling?
Deze studiedag werd begeleid door Anoushka Boet van Movisie en er waren zowel gedragswetenschappers als pedagogisch medewerkers aanwezig. Anoushka begon met een algemene inleiding over de rijksbrede aanpak van de loverboy problematiek ( preventie, opsporing en vervolging, bescherming van slachtoffers). In de praktijk blijkt het lastig goed zicht te krijgen op de problematiek en zij gaf aan dat het nuttig kan zijn met de politie in gesprek te gaan bij vermoedens. Aangifte ligt vaak lastig omdat slachtoffers zichzelf niet zo zien en de aangiftebereidheid laag is. Loverboys richten zich op kwetsbare jongeren en proberen hen te isoleren. Belangrijk is om als hulpverlener contact te houden met de jongere, ook als deze al in de prostitutie zit.
Daarna maakte Anoushka een overstapje naar het vlaggensysteem met een quiz met vragen over seksueel gedrag van jongeren in Nederland gebaseerd op onderzoek uit 2012 naar seks onder je 25e. Hoewel alle deelnemers met jongeren werken waren zeker niet alle antwoorden goed. Wel belangrijk om te weten wat leeftijdsadequaat seksueel gedrag is als je een oordeel over seksueel gedrag wilt geven. Het vlaggensysteem is een manier om te bepalen of het seksuele gedrag grensoverschrijdend is.
Met behulp van het vlaggen systeem kun je met kinderen en jongeren praten over seksualiteit en ook in een team is het een goed handvat om met elkaar te praten hoe we er mee omgaan en objectievere normen te stellen, kaders te scheppen en seksueel gedrag te duiden.
Of een seksueel gedrag grensoverschrijdend is wordt bepaald met zes handvatten
1. Toestemming: willen ze het allebei?
2. Vrijwilligheid: is er sprake (geweest) van geweld, dwang en manipulatie?
3. Gelijkwaardigheid: is er iemand die de ander de baas is?
4. Wat past bij de leeftijd en de ontwikkeling?
5. Wat past bij de situatie? Stoort, beledigt, of choqueert het iemand?
6. Zelfrespect: schaadt het gedrag iemand zelf of de ander?
Op basis van het antwoord op deze vragen wordt het gedrag beoordeeld als OK groene vlag, twijfels/net over de grens gele vlag, niet OK rode vlag en helemaal niet OK zwarte vlag. Ter ondersteuning van het antwoord op vraag 4 is er een normatieve lijst gebaseerd op bestaande literatuur over seksuele ontwikkeling ingedeeld in leeftijdfases.
Daarna zijn we in groepen aan de slag gegaan met het beoordelen van een aantal situaties die op plaatjes waren afgebeeld en het vlaggensysteem bleek daarbij een nuttig instrument. De aanwezige groepswerkers en gedragswetenschappers waren het er over eens dat het helpt de emoties te hanteren die seksueel grensoverschrijdend gedrag oproept, het gesprek erover rustiger en neutraler maakt en het praten over seksualiteit en grenzen stimuleert.
De studiedag werd afgesloten met een bijdrage van Anke van Dries van het prostitutie maatschappelijk werk, een organisatie die iedereen ondersteunt die contact heeft met jongeren die (mogelijk)tot prostitutie worden gedwongen.
Al met al een interessante studiedag en voor wie nieuwsgierig is geworden naar het vlaggensysteem, overweegt het in te zetten en behoefte aan meer informatie:
http://www.seksueelgeweld.info/signaleren/leren_signaleren/het_vlaggensysteem
of contact wil leggen met het prostitutiemaatschappelijk werk? http://www.humanitaspmw.org/
maandag 20 mei 2013
Hoe een musical is ingezet voor het herstel van cliënten in de maatschappelijke opvang

De maatschappelijke opvang is al een tijdje bezig met de invoering van Herstelwerk. Veel instellingen zijn op de goede weg, maar met een aantal krachtprincipes is tot op heden nog niet zoveel gedaan. Met name het krachtprincipe Werken in de natuurlijke omgeving en de inzet van De samenleving als hulpbron heeft nog veel aandacht nodig.
Een goed voorbeeld van het gebruik maken van deze principes hoorde ik van een groepswerker die bezoek aan een musical hier voor inzette.
Op een rustige zaterdagavond had de groepswerker tal van bedrijven aangeschreven met het verzoek om gratis kaartjes voor onze cliënten. Hij stelde een mail op die aansloot op het aanbod en onderbouwde het verzoek met argumenten zoals: dat het voor onze cliënten echt iets bijzonders zou zijn als ze een keer zouden kunnen gaan, ze zijn nu goed bezig en een mooie stimulans om daar aan mee te kunnen doen, dat ze er geen geld hebben etc. Zo wist de groepswerker bij een aantal bedrijven kaartjes te regelen. Bedrijven willen best graag eens iets maatschappelijk verantwoords doen volgens en als het niet teveel narigheid oplevert is dat een goede reclame.
Zo wist de groepswerker bijvoorbeeld kaartjes te regelen voor een populaire musical. Hij had de trailer laten zien aan twee cliënten, die er helemaal gek van waren. Maar hij had bij één van de twee als voorwaarde gesteld dat hij zich wel moest houden aan het methadonprogramma. Op een ochtend dat de cliënt nog in bed lag en zijn afspraak bijna zou missen, hoefde de werker hem maar te bellen en de tune van de voorstelling te laten horen om hem als een speer uit zijn bed te krijgen, waardoor hij nog net op tijd was voor zijn methadon.
De avond zelf was ook een hele belevenis. De groepswerker had met de cliënten afgesproken dat ze eerst even goed gingen douchen en nette kleren aantrekken, voordat ze naar de voorstelling gingen. ‘We willen natuurlijk niet opvallen, wij zijn daar de gast net als al die andere mensen.’ Dus zij op pad. Voor de cliënten was het al heel bijzonder om weer eens in een auto te zitten. Eén van de cliënten had nog bijna nooit in een auto gezeten, behalve dan in een politiebusje.
Bij het theater aangekomen ging de groepswerker zijn jas ophangen. De cliënten vonden het maar vreemd. ‘Een jas inleveren en dan een euro betalen?’ De groepswerker legde uit dat ze op je jas passen en je hem aan het eind weer terugkrijgt. Uiteindelijk leverde één cliënt zijn jas in en de andere hield hem aan. Ze genoten van de voorstelling en nog dagen erna hadden ze het erover.
Ook de ouders van één van de cliënten waren enthousiast. ‘Eindelijk horen we eens iets positiefs, bedankt dat je met hem op stap bent geweest,’ zeiden ze. En dat terwijl de werker zelf ook een superleuke avond gehad had.
Hij bedankte de organisatoren van het theater per mail voor de leuke avond, postte een positief berichtje op facebook en zo was iedereen tevreden.
Gewone dingen doen met cliënten, dingen die voor ons normaal zijn en voor jezelf als hulpverlener ook leuk om te doen, maar voor cliënten heel bijzonder zijn, dat is het werken in de natuurlijke omgeving. En in de samenleving zijn blijkbaar genoeg hulpbronnen, je moet ze alleen zien te vinden.
maandag 6 mei 2013
Geef mij een signaal. Een meldcode voor kindermishandeling en huiselijk geweld

Laatst kreeg ik van Biblion de publicatie Geef mij een signaal. Een meldcode voor kindermishandeling en huiselijk geweld van Marjolijn Rijskamp, Barbara Dekker en Trijntje Roggen toegestuurd om te recenseren. Deze publicatie heeft de Horizon-studieprijs ontvangen die jaarlijks wordt uitgereikt voor de beste doctoraalscriptie op het gebied van de jeugdzorg.
Uit onderzoek blijkt dat jaarlijks rond de 100.000 kinderen worden mishandeld. Vanaf 1 juli 2013 zijn organisaties en zelfstandige beroepsbeoefenaren verplicht een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te hanteren bij signalen van geweld. Onderzoek heeft uitgewezen dat professionals, die werken met een meldcode, 3 keer zo vaak ingrijpen als collega's die zo'n code niet gebruiken. Een meldcode bevat een stappenplan met richtlijnen voor het handelen bij vermoedens.
In deze publicatie wordt verslag gedaan van een praktijkonderzoek naar de ontwikkeling van een meldcode bij de Maatschappelijk Juridische Dienstverlening (MJD) te Groningen. Daarnaast is onderzoek gedaan naar een risicotaxatie-instrument voor het beoordelen van de kans op het (opnieuw) voorkomen van verwaarlozing, mishandeling of misbruik. Risicotaxatie kan gebruikt worden in de meldcode wanneer beoordeeld moet worden of er een risico bestaat op kindermishandeling.
Een interessante scriptie die inzicht geeft in de ontwikkeling van een meldcode en de verschillende risicotaxatie-instrumenten die je daarbij kunt inzetten met een helder overzicht van de overeenkomsten en verschillen ertussen.
maandag 15 april 2013
De effectiviteit van de residentiële jeugdzorg

Vorige week stuurde Biblion me de publicatie De effectiviteit van residentiële zorg. Een follow-up-studie onder ex-bewoners van het Leerhuis van Marjolein Baan en Jan Janssens toe. Jaarlijks wordt de Horizon-studieprijs uitgereikt voor de beste doctoraalscriptie op het gebied van de jeugdzorg. Aan de prijs is o.a. de uitgave van de scriptie verbonden.
In deze publicatie wordt verslag gedaan van praktijkgestuurd effectonderzoek bij het Leerhuis, een residentiële voorziening voor jongeren van 15 tot en met 18 jaar.
Jaarlijks maken ongeveer 25.000 jongeren in Nederland gebruik van de residentiële jeugdzorg. In dit onderzoek wordt aan de hand van reden beëindiging hulp (inclusief zwaarte vervolghulp), cliënttevredenheid en mate van functioneren in de samenleving onderzocht of deze jongeren baat hebben gehad bij de hulp. Ook wordt aandacht besteed aan de doelgroepomschrijving. Met behulp van dossieranalyse (N=27) en gestructureerde vragenlijsten (N=15) zijn gegevens verzameld. Bij de beschrijving van de resultaten wordt de verbinding gelegd met eerder onderzoek in de residentiële jeugdzorg. Zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek in de residentiële jeugdzorg dat 83 tot 100% van de jongeren al eerder hulp heeft gehad en in dit onderzoek is zelfs 81,5% van de jongeren al eerder uit huis geplaatst. Het gevonden percentage pedagogische onmacht van 92% in het gezin van herkomst, is ook in overeenstemming met de literatuur. En geconstateerd wordt dat voortijdig vertrek van jeugdigen een belangrijk probleem is in de residentiële zorg dat meer aandacht behoeft. Verder worden heldere aanbevelingen gedaan voor verbetering van de kwaliteit van de zorg, zoals bijvoorbeeld bij de plaatsing van de jongeren beginnen met een inventarisatie van het sociale netwerk. Hoewel het onderzoek een beperkt aantal jongeren betreft, is het met name door de verbinding met eerder onderzoek, een interessante studie naar de effecten van residentiële zorg.
dinsdag 2 april 2013
Kindermisbruik & macht

Kortgeleden kreeg ik de publicatie Kindermisbruik & macht van Karel Pyck toegezonden om te recenseren voor Biblion. Karel Pyck doceerde van 1970 tot 2001 kinder- en jeugdpsychiatrie aan de KU Leuven en was medeoprichter van het Leuvense vertrouwensartscentrum Kind en Gezin in Nood.
Het boek wordt ingeleid door professor dr. Manu Keirse, die de kern van de problematiek als volgt samenvat:
Daders, omstanders en slachtoffers hebben vaak samengespannen in ontkenning of verdringing, en hebben zo het misbruik kansen gegeven voor herhaling.
In deze publicatie gaat Pyck -met hier en daar een uitstapje naar Oude Pekela en Marc Dutroux- vooral in op op seksueel misbruik in de kerk. Vanaf 1981 komen de eerste meldingen van seksueel misbruik in de kerk in de media, te beginnen met Noord-Amerika. Een golf van meldingen verspreidt zich langzaam over de hele wereld. Vanaf 2010 slaat dit over naar België en Nederland. De auteur doet verslag van tal van situaties waar seksueel misbruik door geestelijken gemeld is en de aanpak hierbij. Een aanpak die zich vooral kenschetst door pogingen de zaak toe te dekken en de betreffende geestelijke over te plaatsen. Hij gaat in op de mogelijke verklaringen voor deze golf van misbruik: het celibaat, de homo’s, de seksuele revolutie, het Vaticaan passeren de revue en hij bespreekt wetenschappelijk onderzoek over pedofilie. Tenslotte introduceert hij het begrip ‘backlash’, terugslag , de negatieve reactie op al deze aandacht voor seksueel misbruik waardoor twee kampen ontstaan, believers en disbelievers die slachtoffers al dan niet geloven. Hij pleit ervoor polarisering te vermijden, het gaat volgens hem er niet om of het seksueel misbruik waar of onwaar is, maar uit te zoeken wat er van waar is. Hij pleit ervoor dat de kerk moet niet alleen het seksueel misbruik aanpakken, maar ook de kerkelijke structuren en instellingen die het misbruik in de hand werken.
dinsdag 19 maart 2013
Borderlinepersoonlijkheidsstoornis, tussen begrijpen en begrenzen
Op 14 maart was ik bij een bijeenkomst van de Kenniskring Kindermishandeling in Leiden over de Borderline Persoonlijkheidsstoornis. Tussen begrijpen en begrenzen, was de titel van de bijeenkomst. Sprekers waren Monique Veerkamp (psychotherapeut en mindfulnesstrainer) en Naomi van der Ven (vaardigheidstrainer), beiden werkzaam bij het Centrum voor persoonlijkheidsstoornissen Jelgersma, onderdeel van Rivierduinen in Oegstgeest. Er was veel belangstelling voor de bijeenkomst, de zaal zat vol met hulpverleners uit de vrouwenopvang, jeugdzorg en de maatschappelijke opvang.
Het eerste deel van de bijeenkomst ging over de borderlinestoornis en het tweede deel over je rol hierbij als hulpverlener. In Nederland zijn er zo'n 100.000 tot 120.000 mensen met een gediagnosticeerde borderlinestoornis, waarvan 3 van de 4 vrouwen zijn. Borderline gaat vaak gepaard met andere problemen en stoornissen zoals depressie, angststoornis, eetstoornis, verslaving, PTSS, ADHD. Leven met een borderlinestoornis is pijnlijk. Borderline werd omschreven als een voortdurende ontregeling op het gebied van emoties, intermenselijk contact, zelfbeeld, gedrag en denken, een storm van emoties die iemands hele mens-zijn ontregelt. Een borderlinestoornis is deels aangeboren, deels een reactie op traumatische ervaringen. Zo heeft 50-70% van hen ervaring met seksueel misbruik. Mensen met borderline worden vaak manipulatief genoemd o.a. doordat ze automultileren en/of zelfmoordpogingen ondernemen.De spreeksters benadrukten dat daar geen sprake van is. Het zijn enkel pogingen om de emoties de baas te kunnen. Automultileren is een manier om daar mee om te gaan. uit hersenonderzoek blijkt dat automutileren een effectieve manier is om de spanning omlaag te brengen. In de kliniek leren patiënten andere manieren om deze emoties te beteugelen. Het is dus niet zo dat deze mensen niet te behandelen zijn. Een combinatie van psychotherapie, sociotherapie, farmacotherapie, psycho-educatie, mindfulness, emotie-regulatie, leefstijl-ondersteuning en re-integratie-ondersteuning helpt. Daar hebben ze in Oegstgeest goede ervaringen mee. Alleen de behandeling is langdurig (3 jaar) en van de hulpverlener wordt kennis en vaardigheden verwacht op het terrein van mindfulness, intermenselijke effectiviteit, emotieregulatie en het verdragen van crisissituaties.
Al met al een interessante ochtend die meer inzicht in de borderlineproblematiek gaf en goed om als hulpverlener te weten dat mensen met een borderline stoornis niet zozeer bezig zijn om je te manipuleren, maar om hun emoties te reguleren. Dat geeft zeker mogelijkheden in het contact en meer ruimte bij het opbouwen van een goede werkrelatie.
Het eerste deel van de bijeenkomst ging over de borderlinestoornis en het tweede deel over je rol hierbij als hulpverlener. In Nederland zijn er zo'n 100.000 tot 120.000 mensen met een gediagnosticeerde borderlinestoornis, waarvan 3 van de 4 vrouwen zijn. Borderline gaat vaak gepaard met andere problemen en stoornissen zoals depressie, angststoornis, eetstoornis, verslaving, PTSS, ADHD. Leven met een borderlinestoornis is pijnlijk. Borderline werd omschreven als een voortdurende ontregeling op het gebied van emoties, intermenselijk contact, zelfbeeld, gedrag en denken, een storm van emoties die iemands hele mens-zijn ontregelt. Een borderlinestoornis is deels aangeboren, deels een reactie op traumatische ervaringen. Zo heeft 50-70% van hen ervaring met seksueel misbruik. Mensen met borderline worden vaak manipulatief genoemd o.a. doordat ze automultileren en/of zelfmoordpogingen ondernemen.De spreeksters benadrukten dat daar geen sprake van is. Het zijn enkel pogingen om de emoties de baas te kunnen. Automultileren is een manier om daar mee om te gaan. uit hersenonderzoek blijkt dat automutileren een effectieve manier is om de spanning omlaag te brengen. In de kliniek leren patiënten andere manieren om deze emoties te beteugelen. Het is dus niet zo dat deze mensen niet te behandelen zijn. Een combinatie van psychotherapie, sociotherapie, farmacotherapie, psycho-educatie, mindfulness, emotie-regulatie, leefstijl-ondersteuning en re-integratie-ondersteuning helpt. Daar hebben ze in Oegstgeest goede ervaringen mee. Alleen de behandeling is langdurig (3 jaar) en van de hulpverlener wordt kennis en vaardigheden verwacht op het terrein van mindfulness, intermenselijke effectiviteit, emotieregulatie en het verdragen van crisissituaties.
Al met al een interessante ochtend die meer inzicht in de borderlineproblematiek gaf en goed om als hulpverlener te weten dat mensen met een borderline stoornis niet zozeer bezig zijn om je te manipuleren, maar om hun emoties te reguleren. Dat geeft zeker mogelijkheden in het contact en meer ruimte bij het opbouwen van een goede werkrelatie.
maandag 4 maart 2013
Veiligheid en eigen kracht in de jeugdzorg. Een tegenstelling?

Bij de decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten wordt de nadruk gelegd op het aanboren van de eigen kracht van gezinnen. Een prima uitgangspunt om de krachten en mogelijkheden van gezinnen en kinderen aan te boren en wat mensen zelf kunnen, zelf te laten doen. Het scheelt een hoop geld en van afhankelijkheid wordt niemand gelukkig.
Maar aan de andere kant is er de nadruk op veiligheid. We kunnen het niet verdragen als het mis gaat in een gezin, als ouders falen of jongeren overlast geven. Dan wordt geroepen om stevig ingrijpen. Meestal leidt dat tot nieuwe protocollen en regels. Als iedereen de regels volgt dan komt het wel goed, is de gedachte. Maar zo werkt het niet. De eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van professionals wordt er mee beperkt en daardoor kunnen professionals de eigen kracht van ouders, kinderen en hun omgeving onvoldoende benutten. Het zijn tegengestelde bewegingen: de nadruk op eigen kracht enerzijds en het aanscherpen van regels en protocollen anderzijds.
Niet alleen de eigen kracht van gezinnen moet worden aangeboord, ook de kracht van professionals moet worden ingezet. De kracht van professionals om op onconventionele wijze mensen te helpen en om aan te kunnen sluiten op wat deze kinderen en en dit gezin nodig hebben. Het is niet voor niks dat Signs of Safety zo'n succesvolle methode is om de veiligheid in gezinnen te bewerkstelligen. Het combineert de eigen kracht van gezin en professional en stelt veiligheid voorop. Professionals en ouders bouwen een samenwerkingsrelatie op en werken aan het zelfde doel. Signs of Safety is een oplossingsgerichte methode. Het oplossingsgericht werken is de manier om deze twee tegengestelde bewegingen - eigen kracht en nadruk op veiligheid - te combineren. Gezamenlijk kijken naar zowel problemen als sterke kanten in het gezin. Professionals moeten dan alleen niet beperkt worden, door regels en protocollen maar de mogelijkheid hebben om met ieder gezin die afspraken te maken, die nodig zijn. Zo hoeft veiligheid en eigen kracht geen tegenstelling te zijn.
maandag 18 februari 2013
Respect! Omgaan met allochtone jongeren op de middelbare school

Afgelopen weekend kwam ik op een verjaardagsfeestje een leraar geschiedenis van een middelbare school voor VMBO, HAVO en VWO tegen. 'Leuk' dacht ik. Ik vond vroeger geschiedenis één van de leukste vakken op school. Nou leuk vond deze leraar het nog wel, maar ook niet helemaal. Waar hij vooral mee worstelde was het les geven aan sommige Marokkaanse jongens. Sommige van deze jongens bleken moeilijk te bereiken, zich vooral terug te trekken in de eigen groep en lastig gedrag te vertonen. Hij haastte zich om te vertellen dat het zeker niet om alle Marokkaanse jongens ging, dat sommige het hartstikke goed deden, maar dat die wel weer veel problemen hadden met het vinden van stageplaatsen. Feit is dat discriminatie van allochtonen voorkomt en het is dan niet vreemd dat deze jongeren zich terugtrekken in de eigen groep. Een groep met eigen normen en waarden en dat leidt soms tot onaanvaardbaar gedrag. Ouders weten vaak niet wat ze uitspoken. De vraag is hoe je deze jongeren het beste kunt corrigeren. Corrigeren met behoud van contact, om hen een duwtje geven in de goede richting zodat ze niet hun leven verpesten, maar aan de slag gaan en laten zien dat zij wel wat waard zijn.
Dat deed me denken aan een boekje van Hans Kaldenbach uit 2008 dat nog steeds actueel is. Respect! 99 tips voor het omgaan met jongeren in de straatcultuur . Respect is een handleiding hoe om te gaan met jongeren ‘die zich niet laten corrigeren’. Besproken worden de verschillen tussen de straatcultuur en de burgerlijke cultuur, hoe deze met elkaar botsen en welke gevoelens dat oproept. Kaldenbach gaat in op de achtergronden van de straatcultuur en illustreert met behulp van tal van voorbeelden hoe je professioneel kunt reageren op jongeren met dit gedrag.
Hans Kaldenbach (1944) is werkzaam bij de Hogeschool Utrecht en is directeur van ACTA-Kaldenbach in Zeist. Hij geeft trainingen en lezingen over cultuurverschillen en over ’straatcultuur’ en heeft politieagenten, docenten en vele andere getraind in de moeilijkste buurten van Nederland. In het kader van een conferentie over de Brede School in het VO heb ik hem ook eens gevraagd voor een lezing en hij hield inderdaad een meeslepend betoog en gaf veel praktisch toepasbare adviezen. Dit boekje is nog steeds te bestellen en een echte aanrader voor docenten, hulpverleners, politieagenten, kortom iedereen die te maken heeft met lastige jongeren. Ook op zijn website zijn tal van tips te vinden om om te gaan met deze jongeren http://www.hanskaldenbach.nl
Tien tips van Kaldenbach om morgen al te doen:
1. Geef de hardste schreeuwer niet meteen alle aandacht. U zou dan inslijpen dat
intimideren, schreeuwen en bedreigen loont. Wacht even, ik kom zo bij je.
2. Leer jongeren de taalvolgorde ‘mijn vriend en ik’ in plaats van ‘ik en mijn vriend’. Zij leren
dan alledaags dat zij níet het centrum van de wereld zijn. Er is ook plaats voor anderen.
3. Leer jongeren denken vanuit het perspectief van de ander. Hoe zou hij dat vinden? Wat
zou dat voor haar betekenen?
4. Reageer op brutale opmerkingen niet met uw brutale tegen-opmerking. Houd de regie in
handen van beschaafde communicatie. Oppositionele jongeren verlokken u tot een
vechterige stijl van communiceren. Ga daar niet in mee.
5. Als u boos bent, let erop of u alleen het gedrag afwijst of ook de persoon. Vooral bij
jongeren die veel ‘respect’ nodig hebben (korte lontjes; kwetsbaar zelfwaardegevoel).
6. Leer kinderen dat ‘zwak-zijn’ mag. Je mag fouten maken, twijfelen, verdriet hebben, hulp
nodig hebben, homo zijn, een compromis aanvaarden, praten i.p.v. vechten, iemand vóór
laten gaan, etc.
7. Leer jongeren praten over gevoelens. Ook over hun ‘zwakke’ gevoelens zoals verdriet,
eenzaamheid, afwijzing, krenking, etc. Ze hoeven dan minder met stoer machogedrag
hun ‘zwakke’ gevoelens te overschreeuwen.
8. Over zelfbeheersing. Leef voor dat beheersing een teken van kracht is. Matig in eten en
drinken, beheerst in boos zijn, etc. Leer hen verstandig om te gaan met hun impulsen.
9. Zorg er elke les voor dat alle leerlingen zich welkom voelen.
10. Maak de klas tot een team. Wij van klas 2B helpen elkaar, wij doen zulke rare dingen
niet. Kwetsbare leerlingen hebben dat groepsgevoel nodig.
Dus docenten, laat de moed niet zakken en kijk hoe je met behulp van deze tips met elkaar deze jongeren er weer bij kunt betrekken en enthousiast maken voor je vak, zodat ze later weer tegen hun kinderen zeggen 'geschiedenis dat vond ik één van de leukste vakken op school'. Of wiskunde, biologie of wat dan ook.
maandag 4 februari 2013
Mijn leven is een verhaal. Schrijven tegen stress en depressie
Uit onderzoek blijkt dat schrijven helpt tegen stress en depressie. Mensen over zichzelf laten schrijven, is een doeltreffend antidepressivum, zo blijkt uit een experiment van de Universiteit Twente. De wetenschappers lieten mensen met klinisch relevante depressieve klachten een cursus autobiografisch schrijven en reflecteren volgen en zagen dat het aantal klachten sterk afnam. De klachten van de mensen die de cursus volgden, namen met zo’n 53 procent af.
Schrijven over een negatieve ervaring kan voor een langere tijd een positief effect hebben. In plaats van negatieve ervaringen telkens te herbeleven in je gedachten, word je door de ervaring op te schrijven gestimuleerd te reflecteren en herinterpreteren. ‘Wie zijn gevoelens in woorden vat is zijn emoties beter te baas’, volgens Mieras, wetenschapsjournalist.
Maar niet alleen voor depressieve klachten is schrijven zinvol, ook voor dakloze cliënten is schrijven een middel om even aan hun dagelijks leven te ontsnappen.
'Tegenwoordig schrijf ik
om eventjes uit het 'normale'
leven te kunnen stappen
zonder dat ik me daarvoor
hoef om te kleden'
schrijft Peter, een dakloze cliënt in het boek Mijn leven is een verhaal*
Niet alleen schrijven over negatieve ervaringen kan helpen, ook schrijven over positieve levenservaringen kan een positief effect hebben op je gemoedstoestand en fysieke gezondheid. Dat blijkt uit onderzoek van King, 2004*. Proefpersonen schreven drie dagen 20 minuten over de meest positieve ervaringen in hun leven. De resultaten? Een significant betere gemoedstoestand en ze bezochten significant minder vaak een dokter, in vergelijking tot de controlegroep.
De opdracht die proefpersonen in het onderzoek kregen:
Denk aan de meest prachtige ervaring of ervaringen van je leven, de gelukkigste momenten, extatische momenten, momenten van grote vreugde, misschien omdat je liefde voelde of omdat je naar muziek luisterde of omdat je opeens werd geraakt door een boek of schilderij of een ander creatief moment. Kies 1 moment of ervaring. Neem dat moment zo specifiek mogelijk in gedachten, met alle gevoelens en emoties die erbij hoorden. Schrijf zo gedetailleerd mogelijk over deze ervaring, inclusief alle gevoelens, gedachten en emoties die toen aanwezig waren. Doe je best om de gevoelens opnieuw te beleven. Op dag 2 en 3 kun je over dezelfde of over een andere prachtige ervaring schrijven.
Wat let je om zelf de effecten van deze opdracht eens uit te testen en vervolgens ook je cliënten het eens te laten uitproberen?
* Uitgave Protestantse Diaconie Amsterdam 2010
* Uit Nieuwsbrief Doen Wat Werkt 274. http://noam-nieuwsbrief.blogspot.nl/2013/01/nieuwsbrief-doen-wat-werkt-274.html
maandag 21 januari 2013
Waar bemoeit u zich mee!? Morele dilemma's van de Raad voor de Kinderbescherming
Een paar weken terug kreeg ik van het landelijk bureau van de Raad voor de Kinderbescherming het boek Waar bemoeit u zich mee!? Morele dilemma's in het werk van de Raad voor de Kinderbescherming van Wim Theunissen toegestuurd.
De Raad van de Kinderbescherming grijpt in in het belang van het kind bij gezinnen waar het kind niet veilig is. Maar wat is het belang van het kind? En wat is veilig? Teunissen noemt 'het goede' als richtsnoer van het handelen van de Raad. Maar het goede verandert steeds. Waar voorheen het geen enkel probleem was dat ouders hun kind sloegen om het te straffen en dit als een prima manier van opvoeden gezien werd, is dat nu niet meer aan de orde. Of een discussie die nu speelt als ouders heel veel roken waar de baby bij is. Vroeger heel normaal. En nu ook niet verboden, maar iedereen weet dat het slecht is voor de gezondheid van kinderen. In hoeverre speelt zoiets mee in de beslissing van een raadsonderzoeker om al dan niet een ondertoezichtstelling aan te vragen?
Teunissen gaat er vanuit dat vrijwel iedere ouder het beste voor heeft met zijn kind. Ouders hebben het recht hun kind op te voeden op een manier die zij goed vinden. En toch kan wat een ouder normaal of goed vindt, niet goed of zelfs rampzalig zijn voor een kind. Dus wat is 'het goede' en goed voor wie? In deze publicatie worden deze vragen verkend en wordt aan de hand van praktijkvoorbeelden een licht geworpen op de morele dilemma's waar een raadsonderzoeker voor komt te staan. Ingegaan wordt op de opvoeding en de botsing van grondrechten tussen het recht van kinderen om veilig op te groeien en het recht van ouders om hun kind op te voeden zoals zij dat willen.
Vervolgens gaat Teunissen in op de Raad voor de Kinderbescherming als sterke arm van de staat. De Raad heeft een monopoliepositie als het gaat om de vraag wanneer de opvoeding niet meer goed genoeg is en kan dan ingrijpen. Kritische zelfreflectie en het organiseren van tegenspraak is volgens Teunissen noodzakelijk zowel voor individuele raadsonderzoekers als over het beleid van de organisatie. Hij pleit voor openheid en transparantie. Een prima standpunt en ik ben benieuwd in hoeverre de Raad daar in de toekomst vorm aan gaat geven. Momenteel horen we alleen af en toe wat over de Raad via de media. Het betreft dan vaak incidenten en je kunt niet goed beoordelen wat er precies aan de hand is, omdat de Raad in het kader van de privacy van cliënten niet op de zaak in kan gaan. Het werk van de Raad is vrij onzichtbaar. De discussie over morele dilemma's vindt grotendeels achter de schermen plaats. Als de Raad het organiseren van tegenspraak serieus neemt is het van belang dat niet alleen professionals maar ook cliënten, cliëntenraden en 'gewone' ouders hier een belangrijke rol in spelen. En dan niet alleen op landelijk niveau, maar dicht bij de werkvloer 'tegenspraak' organiseren zodat managers en raadsonderzoekers direct met potentiële cliënten in discussie kunnen gaan en hun visie onderzoeken en aanscherpen.
maandag 7 januari 2013
De zin en onzin van cliëntenraden
Het hebben van een cliëntenraden is voor veel organisaties in de zorg wettelijk verplicht. Maar nog niet overal. Zo gebeurde laatst bij een organisatie dat bij de aanstelling van een nieuwe directeur de cliëntenraad werd opgeheven. 'De kosten staan niet in verhouding tot de baten', was de motivatie.
Het functioneren van de cliëntenraad is sterk afhankelijk van wat de bestuurder/directeur vindt van het belang van een cliëntenraad. Ook al is er nog zo'n fantastische ondersteuner aangesteld, als de bestuurder er niks mee heeft, is het water naar de zee dragen. De bestuurder moet het voortouw nemen om het belang van de cliëntenraad onder de aandacht te brengen in de instelling, advies vragen aan de cliëntenraad en deze adviezen gebruiken bij de ontwikkeling van nieuw beleid.
Het is niet altijd makkelijk om een cliëntenraad te organiseren en in stand te houden. Het kost tijd, geld, goede ondersteuning en vraagt erom hulpverleners te motiveren cliënten te informeren over het bestaan van de cliëntenraad en de mogelijkheid te participeren. Het is daarbij zaak kritische cliënten niet uit te sluiten, maar te motiveren hun mening om te zetten in daden en namens het belang van alle cliënten van de organisatie deel te nemen aan de raad.
Als een cliëntenraad zich kan verheugen op belangstelling van de bestuurder/directeur en als deze ook daadwerkelijk de cliëntenraad inzet om het perspectief van de cliënten te verhelderen, regelmatig vragen stelt aan de cliëntenraad hoe zij naar bepaalde aspecten van de zorg kijken, aanschuift om met hen van gedachten te wisselen, dat alles helpt om een cliëntenraad in positie te zetten. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille: een bestuurder/directeur die het belang ziet van cliëntenparticipatie en zich inzet voor een goede cliëntenraad, weet wat voor cliënten belangrijk is en kan gebruik maken van die input en dat meenemen in het beleid. Een ondersteuner van de cliëntenraad kan de cliënten helpen hun mening te verwoorden en kan als brug tussen de cliëntenraad en de organisatie functioneren.
Eigenlijk is het vreemd dat sommige organisaties het nut van een cliëntenraad niet inzien, het zijn toch je klanten zou je zeggen. Een organisatie als Albert Heijn zorgt dat ze continue op de hoogte blijven van de wensen van hun klanten. 'Onze klanten komen niet geheel vrijwillig' zullen sommigen organisaties zeggen. Maar zeker bij cliënten die in een gedwongen kader komen (jeugdzorg, Raad voor de Kinderbescherming) is het essentieel kritische reflectie op je handelen te organiseren. En daarbij wordt vaak naar iedereen gekeken: management, hulpverleners, ondersteunende diensten, wetenschappers, wie dan ook, maar de cliënt wordt daarbij nogal eens vergeten.
maandag 10 december 2012
De gevolgen voor kinderen als getuige van huiselijk geweld
Jaarlijks zijn 100 duizend tot 200 duizend kinderen per jaar zijn getuige van geweld (1). Het getuige zijn van geweld kan even traumatiserend zijn als het ondergaan van geweld. Het wordt gezien als een vorm van kindermishandeling (2) en brengt ernstige gevolgen met zich mee.
- Fysiologische gevolgen: trauma verandert het lichaam en chronische overprikkeling heeft chronisch verhoogde hersenactiviteit, slaapproblemen, depressiviteit, een lagere pijngrens en verhoogde hartslag tot gevolg.
- Gedragsmatige gevolgen: eetstoornissen, alcohol- en drugsproblemen, roken, risicovol seksueel gedrag en zelfmoordpogingen.
- Sociale gevolgen: onveilige hechting, scheiding, sociaal isolement, afhankelijkheid, laag inkomen, herhaald slachtofferschap.
- Emotionele gevolgen: depressie, posttraumatische stresssyndroom
(3)
Ouders hebben vaak niet in de gaten hoe erg de kinderen onder de situatie lijden. Ze denken dat de kinderen boven liggen te slapen en niets horen of dat ze te jong zijn om er iets van te begrijpen. Zelfs huiselijk geweld tijdens de zwangerschap en daarmee stress bij de moeder heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling van het kind.
Dit alles pleit er voor snel en tijdig in te grijpen bij huiselijk geweld en ouders ervan te overtuigen dat het belangrijk is dat ze wat aan de situatie doen, misschien niet alleen voor zichzelf maar dan in ieder geval toch voor de kinderen.
En dan moet niet alleen ouders hulp geboden worden, maar ook aan de kinderen.
Uit recent onderzoek blijkt dat nog steeds veel kinderen niet de hulp krijgen die ze nodig hebben(4). En die hulp is noodzakelijk omdat de slachtoffers van nu, anders de daders en slachtoffers van huiselijk geweld in de toekomst zijn.
1. Ministerie van Justitie, 2006; Lamers-Winkelman et al., 2007. Scholieren over mishandeling
2.A. Nieuwenhuis 2008, huiselijk geweld op het netvlies gebrand
3.Onderzoek F. Lamers –Winkelman en L. Winder 2007
4.Voldoende geholpen? Onderzoek naar de hulp aan kinderen die betrokken zijn bij huiselijk geweld - Regioplan Beleidsonderzoek 2011
maandag 26 november 2012
Perspectief en goede zorg voor jeugd
Donderdag 15 november was de Focusdag 2012 georganiseerd, dé Rotterdamse dag voor jeugdprofessionals. Een dag vol activiteiten voor en door instellingen in de jeugdzorg, welzijn en de gemeente Rotterdam. Door de hele stad kon je bij instellingen op bezoek en nieuwe kennis en inspiratie opdoen. Het programma bestond uit workshops, theater, film, presentaties, debat en meer.
Op deze dag heb ik deelgenomen aan de workshop perspectief en goede zorg. In 2012 sloten Bureau Jeugdzorg en de Organisaties voor Jeugd & Opvoedhulp in de Stadsregio Rotterdam het convenant Perspectief en Goede zorg. 3 % meer kinderen helpen, veiligheid, het activeren van de eigen kracht en vaststellen van het perspectief bij aanvang van de hulp, zijn ankerpunten in het convenant. Maar hoe stel je met de cliënt het perspectief vast en wanneer is de hulp voldoende? In deze workshop konden deelnemers ervaren hoe dat er in de praktijk uitziet.
De workshop waar ik aan deelnam werd begeleid door medewerksters van Prokino en van Trivium Lindenhof, beiden betrokken bij het vaststellen van het perspectief van cliënten in de praktijk. Onder perspectief wordt verstaan het gewenste resultaat van de dienstverlening aan de cliënt – de situatie waarin de cliënt op eigen kracht met hulp van het sociale netwerk verder kan – zoals met de cliënt is overeengekomen inclusief tijdspad. Perspectief is leidend omdat daardoor de hulp effectiever ingezet kan worden. De beantwoording van de vraag - wat willen we met deze jeugdige bereiken voor wat betreft de woonplek, school en vrije tijd - stuurt de invulling van de hulp. Daarbij hoort ook een trajectplanning. Hoeveel tijd hebben we nodig om dat te bereiken? Wat is de verwachtte einddatum van de hulp? Als de einddatum bekend is geeft dat zowel de jeugdige, ouders als hulpverleners (Bureau Jeugdzorg als zorgaanbieders) houvast en kan daar vanaf het begin naar toe worden gewerkt. Dat wil niet zeggen dat een perspectief niet kan worden bijgesteld als de situatie verandert of zich nieuwe inzichten voordoen, maar het is niet meer zo dat de hulp gestart wordt en we wel kijken hoe lang het gaat duren en wanneer de doelen bereikt zijn.
Belangrijke uitgangspunten bij de vaststelling van het perspectief zijn:
- de gezamenlijke verantwoordelijkheid van zowel de jeugdige en zijn ouders, Bureau jeugdzorg als de zorgaanbieder
- de focus op de eigen kracht en mogelijkheden van de cliënt
- prioriteit voor veiligheid
Na de inleiding kregen we een casus. In een rollenspel mochten we als ouder, jeugdige, zorgaanbieder of medewerker van Bureau Jeugdzorg oefenen met het verhelderen van het perspectief van een 14-jarig meisje dat aangemeld was voor residentiële behandeling.
Perspectiefverheldering bleek minder eenvoudig dan gedacht. Duidelijk werd dat het een proces is en er vaak meer gesprekken voor nodig zijn om met ouders en jeugdigen in kaart te brengen wat er speelt in het gezin, hoe de draagkracht-draaglast van het gezin is en hoe zij de toekomst zien. Soms kan in een eerste gesprek alleen een plan gemaakt worden hoe tot vaststelling van het perspectief te komen, bijvoorbeeld door diagnostiek, het houden van een familienetwerkberaad of het opvragen van informatie bij de school. Maar ook werd duidelijk hoe belangrijk het is bij de start van de hulp het perspectief duidelijk te krijgen. Door van het begin af aan met elkaar - ouders, jeugdige, zorgaanbieder en Bureau jeugdzorg - een traject uit te zetten kan de hulp effectiever worden ingezet, omdat iedereen weet waar naar toe gewerkt wordt, wat daar voor nodig is en wanneer dat bereikt is. Want als jeugdige, ouders en hulpverleners samenwerken aan het zelfde perspectief is de hulp het meest effectief.
maandag 12 november 2012
Kinderen in de vrouwenopvang geen recht op onderwijs?
Alle kinderen hebben recht op onderwijs. Zo staat het tenminste in de rechten van het kind. Toch zijn er miljoenen kinderen die niet naar school kunnen. Ze moeten bijvoorbeeld werken.
Maar ook in Nederland zijn er kinderen die niet naar school gaan. Kinderen die met hun moeder huiselijk geweld ontvluchten en meegaan naar de vrouwenopvang Rosa Manus, kunnen niet direct op een school in de buurt terecht. Scholen nemen deze kinderen niet op omdat het teveel onrust in de klas geeft, want het is vooraf niet duidelijk hoe lang deze kinderen blijven. Ook zijn deze kinderen misschien wat drukker, lastiger of stiller dan kinderen die in een prettig en liefdevol gezin opgroeien. Maar toch hebben ook deze kinderen recht op onderwijs.
Gelukkig is de situatie sinds mei 2010 verbeterd, want aan kinderen die zijn opgenomen bij Rosa Manus wordt nu drie ochtenden per week les gegeven. In deze drie ochtenden worden de kinderen door een speciaal door de gemeente Leiden gesubsidieerde en bij Rosa Manus aangestelde juf bijgespijkerd. De kinderen leren weer wennen aan het schoolritme en met onzekere kinderen wordt stof geoefend die ze moeilijk vinden en gewerkt aan het opbouwen van zelfvertrouwen. Intussen wordt informatie opgevraagd bij de school waar het kind vandaan komt en bekeken welke school het meest geschikt is voor het betreffende kind. Als de kinderen dan overgaan van de crisisafdeling naar de intensieve afdeling en dus blijkt dat de kinderen langer blijven, probeert deze juf de kinderen te plaatsen op de meest geschikte school in de buurt en dat lukt dan meestal ook.
Voor de kinderen is het goed dat ze de eerste weken aandacht krijgen van een speciale juf, voordat ze weer in een gewone klas mee moeten doen, maar drie ochtenden per week is natuurlijk erg weinig. En deze opvangklas is ook nog eens een project. Onderwijs voor kinderen een project?
Ook kinderen in de vrouwenopvang hebben recht op onderwijs. Ondanks crisis en noodzakelijke bezuinigingen is het van belang dat deze opvangklas wordt gecontinueerd en beter nog: uitgebreid.
maandag 29 oktober 2012
Gevaarlijke relaties, tips van ervaringsdeskundigen
45% van alle Nederlanders tussen de 18 en 70 jaar is ooit slachtoffer geweest van huiselijk geweld als kind, partner of ouder. Naar schatting 200.000 mensen worden jaarlijks slachtoffer van evident, ernstig huiselijk geweld. De belangrijkste vorm van huiselijk geweld is partnergeweld. Cijfers die er niet om liegen en daarom is het van belang hier oog voor te hebben. Ook dit jaar is er weer een publiekscampagne die aandacht besteed aan huiselijk geweld ‘Een veilig thuis. Daar maak je je toch sterk voor?’ Gestimuleerd wordt actie te ondernemen,want geweld stopt nooit vanzelf.
Maar hoe voorkom je nou dat je in zo'n situatie terechtkomt? Waar moet je opletten en welk advies kun je vrouwen geven die keer op keer in een gewelddadige relatie terechtkomen?
In de vrouwenopvang waar vrouwen heengaan om huiselijk geweld te ontvluchten, worden regelmatig groepen georganiseerd met als doel om het inzicht in partnerkeuze te vergroten, sterker te worden en zich meer te richten op hun eigen leven. Onderdeel van zo'n groep is ook het in kaart brengen van signalen van (toekomstige) 'foute' partners.
Zij maakten de volgende lijst van signalen:
Als hij jaloers is als je naar anderen kijkt
Als hij je controleert
Als hij weinig vertrouwen heeft in jou en in andere mensen
Als hij vindt dat hij de baas is
als hij snel boos is als je je niet gedraagt zoals hij wil
Als hij te aardig is, overweldigend
Als hij je wil isoleren
Als hij je telefoon controleert
Als hij vindt dat je hem dankbaar moet zijn
Als je geen fouten mag maken van hem
Als hij achterdochtig is
Als hij je klein wil houden en nare boodschappen geeft over wat hij van je vindt
Als hij onvoorspelbaar is.
Een relatie is iets wat je hebt met z'n tweeën en misschien nog wel interessanter zijn de signalen die de vrouwen verzamelden over waar je op moet letten bij jezelf.
Het is niet goed :
Als je steeds excuses moet maken naar hem
Als je steeds moet opletten in wat voor bui hij is
Als je gestopt bent met je eigen mening te zeggen
Als je dingen voor jezelf moet houden, je niet met hem kunt praten over dingen die voor jou belangrijk zijn
Als je hoopt dat hij verandert
Als je je grenzen niet kunt stellen
Als je je contacten met familie/vrienden beperkt voor hem
Als je steeds op je tenen moet lopen
Als je ziet dat je je steeds meer op hem richt en jezelf wegcijfert
Als je bang voor hem bent
Als je merkt dat de relatie niet meer gelijkwaardig is.
Steeds duidelijker is dat huiselijk geweld iets is dat beide partners (ongewild) in stand houden. Wellicht zijn deze signalen een eyeopener voor mensen die in zo'n situatie zitten en een stimulans om de relatie te beëindigen of hulp te zoeken.
maandag 15 oktober 2012
Opvang in zelfbeheer 'Nu leef je zelf'
‘In de reguliere opvang word je geleefd. Nu leef je zelf’ (bewoner zelfbeheerde voorziening)
Op 8 oktober was ik op het Symposium 'Nu leef je zelf' over opvang in zelfbeheer georganiseerd door het Trimbosinstituut. De middag vond plaats in de Nieuwe Energie in Leiden, het gebouw waar ook de dag en nachtopvang van de Binnenvest gevestigd is, niet toevallig want de Binnenvest wil misschien ook met zelfbeheer starten. Naast hulpverleners, management en cliëntenraden waren ook bewoners en ondersteuners van Je Eigen Stek-Amsterdam, NoiZ-Utrecht en NuNN-Nijmegen - drie voorzieningen in zelfbeheer - aanwezig om verslag te doen van hun ervaringen. Dat maakte dat het een heel interessante middag werd.
De bijeenkomst begon met een filmpje waarin we werden rondgeleid in de zelfbeheervoorzieningen in Amsterdam, Utrecht en Nijmegen.
Daarna kwamen de bewoners en ondersteuners van Je Eigen Stek (JES)aan het woord.
Bij JES in Amsterdam wonen 16 personen in zelfbeheer. De bewoners nemen alle beslissingen in de vergadering en doen verder ook alles zelf. Ze worden hierbij begeleid door 2 ondersteuners. Wel worden eisen gesteld aan bewoners: je mag geen ernstige verslaving of psychiatrische problemen hebben en moet enigszins zelfredzaam zijn. De instroom wordt geregeld vanuit HVO Querido.
Bij NoiZ in Utrecht kunnen gasten, zoals ze dat daar noemen, doorstromen naar de functie van beheerder. Er werken 14 beheerders. Zo was het hoofd van de huishoudelijke dienst voorheen gast en beheerder. Hierna hoopt hij een eigen woning te krijgen. Voordeel is dat beheerders weten wat het is om gast te zijn en daarnaast kunnen ze in de functie van beheerder ervaring opdoen die ze later kunnen gebruiken bij terugkeer in de 'echte' maatschappij. Volgens NoiZ werkt de functie van beheerder goed omdat de kennis van de professional en de cliënt hier samenkomt en men kan leren van elkaar.
De NuNN in Nijmegen bestaat al 17 jaar. Ze hebben 24 bedden en ondersteuners die bgeleiden. Ook zij werken met een systeem waarbij gasten beheerder kunnen worden. Beheerders krijgen een woning via het RIBW en draaien diensten op de NuNN.
'De NuNN doet een hoop dingen voor mij en ik doe zoveel mogelijk voor de NuNN'
'De vergadering is belangrijk binnen het zelfbeheer'
'Het is anders want het wordt gerund door lotgenoten, je zorgt voor elkaar'
waren uitspraken waarmee bewoners en beheerders het belang van zelfbeheer onderstreepten.
Daarna was Matthijs Tuynman, onderzoeker bij het Trimbos instituut aan het woord. Hij onderstreepte het belang van zelfbeheer. Zelfbeheer is van belang voor vernieuwing van de zorg. Het sluit aan op de herstelgerichte benadering. Mensen kunnen meer dan je denkt. De resultaten zijn bemoedigend. Elk jaar stromen mensen uit, de mogelijkheden van participatie van bewoners binnen de voorzieningen zijn positief en het is goedkoper.
Enkele voorwaarden voor succes:
- de verantwoordelijkheid ligt bij de groep
- beslissingen worden gezamenlijk in de vergadering genomen
- ondersteuning door begeleiders die zich gelijkwaardig opstellen en het niet overnemen
- uitstroommogelijkheden met behoud van sociale steun
- netwerk en pleitbezorgers om zelfbeheer op te zetten
Vervolgens kwam Max Huber van de Hogeschool Amsterdam aan het woord. Ook hij benadrukte dat de overkoepelende voorziening die zich zo min mogelijk moet bemoeien met de zelfbeherende voorziening. Natuurlijk wordt in het begin de kas vaak gestolen en dan zorg je ervoor dat er niet zoveel in zit. Maar uiteindelijk zijn ze zelf verantwoordelijk. Zelfbeheer zorgt ervoor dat mensen sneller zelfredzaam worden.
De middag werd afgesloten met een discussie van de bestuurders verantwoordelijk voor zelfbeheer uit Amsterdam, Utrecht en Nijmegen.
Wat tips voor de Binnenvest In Leiden:
- gewoon doen, wees bescheiden in je opstelling, laat ze het zelf doen
- overal worden fouten gemaakt en leg er niet teveel nadruk op
- sluit aan op de kracht van mensen op hun zelfredzaamheid
- werk met ondersteuners en maak gebruik van ervaringsdeskundigen (beheerders)
Wethouder Roos van Gelderen van de gemeente Leiden was in ieder geval enthousiast:
'Laten we ophouden met praten en het doen in Leiden'.
De eerste stap is gezet, hopelijk komt er snel ook een voorziening voor zelfbeheer in Leiden.
maandag 1 oktober 2012
Krachtwerk, Herstelwerk en Strengths Model, wat is nieuw?
De laatste tijd worden in Nederland een aantal nieuwe basismethodieken ingevoerd, Krachtwerk in de vrouwenopvang, Herstelwerk in de maatschappelijk opvang en het Strengths Model in de psychiatrie. Wat is nieuw aan deze methodieken en wat zijn de overeenkomsten en verschillen?
Al deze methodieken zijn gebaseerd op het Strength model dat in de Verenigde Staten is ontwikkeld door Saleeby en Rapp & Goscha en hoewel iedere methodiek er een eigen draai aan gegeven heeft, werken ze met vergelijkbare instrumenten en gaan uit van vergelijkbare principes. Zo werken al deze methodieken met zogenaamde krachteninventarisaties. Niet de problemen van de cliënt staan centraal, maar de krachten en het gaat erom om deze krachten te verzamelen en vast te leggen. Focus op individuele krachten en niet op tekortkomingen is dan ook één van de basisprincipes van deze methodiek. Dit kan tot bijzondere inzichten leiden. Zo vond een hulpverleenster bij een cliënt die verbleef in de daklozenopvang wel veertig krachten. Het gaf haar een heel andere kijk op op deze vrouw, maar ook voor de vrouw zelf was het een bijzondere ervaring en het bood nieuwe mogelijkheden om de begeleiding vlot te trekken. Een ander principe van deze methodiek is dat cliënten het vermogen hebben te herstellen. Hoe slecht het ook met iemand gaat, niemand is hopeloos verloren. Het is aan de hulpverlener om de kracht van de cliënt aan te boren, motivatie is geen voorwaarde maar een effect van de hulp. De methodiek legt er ook de nadruk op dat de relatie tussen hulpverlener en cliënt het meest werkzame ingrediënt van de hulpverlening is. Dat wisten we natuurlijk al langer, maar het is mooi dat het ook nog eens door deze evidence based en practice based methodieken wordt bevestigd. De werkrelatie is primair en essentieel is daarmee een derde basisprincipe van de methodiek. Ook heeft de cliënt de regie over de begeleiding . Dus niet de hulpverlener bepaalt waar aan gewerkt gaat worden, maar de cliënt. Het gaat erom erachter te komen wat de cliënt echt wil, wat zijn passie is, waar hij/zij echt voor wil gaan. En het is niet aan de hulpverlener om te bepalen of dat een realistisch perspectief is, maar om met de cliënt te kijken wat de eerste stap in die richting kan zijn. Deze stappen worden vastgelegd in een (actie)plan, dat een soort werkagenda is voor de cliënt. De hulp wordt daardoor heel concreet en doelgericht voor zowel cliënt als hulpverlener. Hulpverleners werken daarbij zoveel mogelijk in de natuurlijke omgeving van de cliënt, dus ze gaan zoveel mogelijk bij cliënten thuis op bezoek in plaats van ze op kantoor uit te nodigen en maken gebruik van de mogelijkheden die de omgeving, zoals de buurt en het netwerk van de cliënt te bieden heeft, vanuit het laatste principe dat de samenleving rijk aan hulpbronnen is.
Ook werken alledrie deze methodieken met gestructureerde team(kracht)besprekingen, waarbij hulpverleners vragen kunnen inbrengen die voortkomen uit het werken met cliënten. De krachteninventarisatie is de basis van de bespreking en andere teamleden worden gestimuleerd creatieve oplossingen te vinden om de begeleiding weer op gang te brengen. Niet de oorzaak van problemen wordt geanalyseerd, maar de aandacht gaat naar oplossingen en naar wat werkt bij cliënten.
Al met al een frisse krachtgerichte wind die door Nederland waait, die zeker voor veel Nederlanders wennen is omdat we toch meer gericht zijn op wat fout gaat dan op wat goed gaat en makkelijker kritiek geven dan complimenten, maar eigenlijk is het niets nieuws dat het beter is om mensen aan te spreken op wat ze wel kunnen dan op wat ze niet kunnen. Niets nieuws, maar effectief en daar gaat het om.
maandag 10 september 2012
Interculturele jeugd en opvoedhulp

Op 6 september 's middags was ik aanwezig bij de presentatie plaats van het boek Interculturele jeugd en opvoedhulp. Een cultureel venster op de hulpverlening aan migrantenjongeren en hun gezinnen van Harold Sarneel.
In Rotterdam is 50% van de cliënten in de jeugdhulpverlening van niet-Nederlandse afkomst. Allochtone gezinnen komen later in de jeugdzorg en de uitval is 2x zo groot. Genoeg reden voor het onderzoeksproject diversiteit in jeugd en opvoedhulp, dat van 2010 tot 2012 bij TriviumLindenhof in Rotterdam/Dordrecht is uitgevoerd.
Op de presentatie hield Harold Sarneel een inleiding over zijn onderzoek. Naast literatuuronderzoek - in het boek wordt uitgebreid op cijfers en theoretische achtergronden ingegaan en op thema's als cultuur, migratie, identificatieprocessen en opvoeden in een multi-etnische omgeving - heeft hij ook onderzoek uitgevoerd in de praktijk. Hij benadrukte het belang van kennis en inzicht, van culturele sensitiviteit en interculturele competenties en presenteerde ook het zogenaamde cultureel venster jeugdhulpverlening (CVJ). Uit onderzoek blijkt dat dit dialogische instrument een goed tot zeer goed effect heeft op de werkrelatie met de cliënt. Het CVJ omvat vragen voor zowel ouders als jongeren. Met behulp daarvan ontstaat een beter inzicht in de culturele aspecten van de problematiek. Toepassing in combinatie met een open houding van de hulpverlener blijkt als effectief te worden beoordeeld.
Sarneel heeft bij zijn onderzoek diverse deskundigen betrokken, die ook een bijdrage hebben geleverd aan de publicatie.
Eén van die deskundigen was Han Entzinger, hoogleraar migratie en integratiestudies in Rotterdam en hij was ook aanwezig. Entzinger had goed nieuws voor de aanwezigen, want volgens hem zijn er tekenen van ontspanning in het denken over migratie en is ondanks de heftige discussies de afgelopen jaren de integratie toch doorgegaan en de afgelopen 10 jaar de arbeidsparticipatie en het onderwijsniveau van migranten toegenomen.
De volgende spreker was Murat Can, psychotherapeut, die vertelde over de invloed van migratie op het persoonlijk leven. Can schuwde daarbij niet zijn persoonlijke ervaringen met wetenschappelijke inzichten te verbinden. Zelf was hij van Turkije naar Nederland geëmigreerd. Hij noemde migratie zelfs een traumatische ervaring. Migratie kan de manier van denken, beleving en het gedrag van migranten zodanig negatief beïnvloeden dat migranten kwetsbaarder zijn, meer gezondheidsrisico's lopen en meer last kunnen hebben van slechte psychische en lichamelijk gezondheid en kwaliteit van leven.
De afsluitende lezing werd gehouden door Cor Hoffer, cultureel antropoloog. Hij benadrukte dat je wat kennis tot je moet nemen van cultuur, religies en dergelijke maar dat het vooral gaat om een open attitude, om oog te hebben voor de diversiteit en dynamiek van culturen. De cliënt willen leren kennen als individu en het cultureel venster is daarbij een goed instrument.
Al met al een interessante middag en het cultureel venster jeugdhulpverlening is zeker de moeite waard om kennis van te nemen en in te zetten in de jeugdzorg.
Abonneren op:
Posts (Atom)



.jpg)








